© Boomerang Create

Defensie weet al kwart eeuw van strafbare feiten rond chroom-6

  • In dit opzicht is de NAVO dus ook al een gevaarlijke organisatie

Uit documenten waarover Follow the Money beschikt, blijkt dat de Arbeidsinspectie al in 1993 verboden handelingen constateerde rond het werken met chroomverf bij Defensie. Ook adviseerde een luitenant-kolonel van de Luchtmacht in 1994 dringend om ‘te stoppen met het plegen van strafbare feiten’. Noodkreten vanaf de werkvloer liepen vast in stroperige procedures, waardoor defensiepersoneel nog jarenlang onkundig bleef van de risico’s van chroom-6 en onvoldoende beschermd werkte.

‘Het spijt me geweldig, maar ik heb nooit eerder van Strontium chromaat gehoord en voor zover ik weet de supv. Maintenance ook niet. (mijn eerste gedachte was iets van mestoverschot of zo ?)’, mailt het hoofd onderhoud van de Nederlandse NAVO-locaties met enige spot aan een collega. Dat was in april 1999, ruim 25 jaar nadat het ministerie van Defensie weet kreeg van de gevaren van het werken met chroom-6 en chroomverf. Uit deze mail blijkt dat direct leidinggevenden op de werkvloer zich niettemin van geen kwaad bewust waren.

In de periode 1984-2006 zijn medewerkers van Defensie tijdens werkzaamheden blootgesteld aan chroom-6, maar het ministerie heeft elke verantwoordelijkheid daarvoor ontkend. Toen in de loop van 2014 een toenemend aantal meldingen van gezondheidsklachten bij (oud-)medewerkers binnenkwamen, besloot toenmalig minister Jeanine Hennis-Plasschaert in maart 2015 tot een onderzoek. Dit onderzoek, uitgevoerd door het RIVM, het TNO en de universiteiten van Utrecht en Maastricht, verscheen op 4 juni 2018 en onthulde waarom mensen op de werkvloer onwetend waren: het ministerie van Defensie hield deze informatie achter voor bedrijfsartsen en werknemers. Het ministerie nam geen veiligheidsmaatregelen om het personeel te beschermen. Dit RIVM-onderzoek beperkte zich tot de vijf NAVO-locaties voor opslag en onderhoud aan Amerikaans materieel. Het onderzoek naar het gebruik van chroomverf op de NAVO-locaties en chroom-6 op andere defensielocaties is nog in volle gang.

Uit documenten waarover wij beschikken, blijkt echter dat mensen op de werkvloer (van bedrijfsartsen, veiligheidspersoneel en leidinggevenden tot aan de Luchtmachttop toe) juist meermaals aan de bel hebben getrokken. De urgentie drong pas na herhaaldelijk aandringen door bij de leiding hogerop, en toen de kwestie eenmaal bij het ministerie van Defensie belandde, liet dat – bij monde van het ‘managementbureau’ – steevast hetzelfde tegenargument horen: kostenbesparing. De geschiedenis van chroom-6 is een litanie van ambtelijke stroperigheid, langs elkaar heen werkende afdelingen en mensen, en uiteenlopende belangenafwegingen op verschillende niveaus in de organisatie.

Het gif van de Golfoorlog

Veel Amerikaanse soldaten die in de de Golfoorlog van 1991 dienden, kwamen ziek terug van hun missie. Van de in totaal 697.000 Golfoorlog-veteranen kreeg een kwart miljoen te maken met vage symptomen van chronische aard, zoals oververmoeidheid, spierpijn, diarree, verslechterd zicht en migraine. Het fenomeen kwam bekend te staan als ‘Gulf War syndrome’, het Golfsyndroom. Omdat juist deze veteranen significant minder last hadden van post-traumatisch stresssyndroom dan andere veteranen, konden hun klachten niet worden toegeschreven aan stress.

De verf beschermde legervoertuigen tegen corrosie; geen overbodige luxe in de woestijn

Uit wetenschappelijk onderzoek bleek al snel dat de oorzaak moest worden gezocht in langdurige blootstelling aan chemicaliën tijdens de missie; denk aan pesticiden, munitie met verarmd uranium, giftige wolken van brandende olievelden, zenuwgas, anthrax-vaccinaties, anti-zenuwgaspillen en de zogeheten Chemical Agent Resistant Coating (CARC) verf. Deze verf beschermde Amerikaanse legervoertuigen tegen corrosie – geen overbodige luxe in de woestijn – en tegen chemische gassen die eventueel vrijkomen tijdens een aanval.

Eenmaal droog kan deze CARC-verf weinig kwaad, tenzij de geverfde voertuigen gelast of gezandstraald worden. Deze verf is voornamelijk gevaarlijk wanneer hij niet rechtstreeks wordt aangebracht maar wordt verneveld om voertuigen mee te spuiten (‘spot painting’). Juist dit onderhoud – overspuiten en verven – gebeurde op de NAVO-locaties in Nederland, zoals in Vriezenveen.

Operation Desert Shield

Nederland droeg indirect, via de NAVO, een steentje bij aan de aanloopfase van de Golfoorlog, Operation Desert Shield. Tijdens deze zes maanden durende operatie bracht het Amerikaanse leger uiteindelijk 543.000 militairen op de been, tweemaal de hoeveelheid van de invasie in Irak van 2003.

Om deze logistieke monsteroperatie zo efficiënt mogelijk uit te voeren, werd voor onderhoud van Amerikaans materieel gedeeltelijk gebruik gemaakt van Europese NAVO-locaties, de zogeheten Prepositioned Organizational Material Storage Sites (POMSS). De grote verplaatsingen van materieel zorgden voor een snellere doorloop in inspectie, reparatie, overspuiten en (her)plaatsing van voertuigen.

Het waarnemend hoofd van de afdeling medische zaken van de Landmacht wijst in 1990 op de ‘dringende noodzaak’ om het personeel dat met CARC-verf werkt, op de hoogte te stellen van de risico’s. Hij adviseert een ‘voor CARC aangepaste spuitcabine’, opdat ander personeel geen onnodig risico loopt. Hij wijst erop dat de huidige ventilatie juist betekent dat de stoffen onnodig lang in de cabines blijven circuleren.

Datzelfde jaar biedt het Amerikaanse leger aan om alvast pre-financieringstrajecten in gang te zetten om de speciaal voor dit doel gemaakte spuit- en zandstraalcabines in Brunssum, Vriezenveen, Coevorden en Ter Apel te installeren. De reden daarvoor: ‘the U.S. standards are more stringent. The paint spray and sandblast booths cannot be allowed to operate until they are able to meet these health and safety requirements,’ staat in een memorandum uit september 1990.

Desondanks rapporteert de general manager dat ‘de bestaande installatie technisch geschikt’ is

Ook wijst het Amerikaanse leger erop dat het noodzakelijk is om een ‘ongoing medical surveillance program as part of the total occupational health screening’ in te stellen. Uitstel daarvan was onwenselijk, laten de Amerikanen weten; ze benadrukken alleen verder te kunnen als deze aanpassingen zijn gemaakt. Ze achten het onwenselijk dat ‘the POMSS mission will be hindered’.

Ondanks deze dringende waarschuwingen rapporteert de general manager van de Nederlandse NAVO-locaties aan de leidinggevenden van de afzonderlijke locaties dat ‘de bestaande installatie technisch geschikt’ is. De general manager constateert dat er derhalve ‘geen extra infrastructurele voorzieningen nodig zouden zijn’. ‘De algemene conclusie is dat de op de site aanwezige spuitinstallatie in technische zin uitstekend geschikt is voor het spuiten van de [CARC-]verf’, schrijft hij de leidinggevenden in Brunssum, Eygelshoven, Vriezenveen, Coevorden en Ter Apel.

Economisch aantrekkelijke redenen

De CARC-grondverf werd niet alleen gebruikt voor Amerikaanse legervoertuigen in de NAVO-locaties. De Luchtmacht werkte al langer met deze verf, en laat de Nederlandse F16’s ermee behandelen. Ook Luchtmachtpersoneel krijgt zodoende te maken met de negatieve effecten van chroom-6. In de periode 1982-1986 klagen medewerkers op de Vliegbasis Twente meermaals over een penetrante stank in de hangars die zijn voorbestemd om F16’s te onderhouden.

De vliegerarts constateert dat het onderhoud niet volgens de Arbo-regels gebeurt: allerlei werkzaamheden worden in dezelfde ruimte uitgevoerd, van administratieve werkzaamheden tot verfspuiten. De bedrijfsarts adviseert maatregelen te nemen, zoals het installeren van een scheidingsgordijn en het verbeteren van de ventilatie. Er zijn diverse opties mogelijk. Door de commandant van de Vliegbasis wordt – op advies van ‘projectbureau F16’ –  gekozen voor de optie die ‘om economische redenen aantrekkelijk is’.

In 1987 tikt de Arbeidsinspectie het ministerie op de vingers

Enkele maanden later constateert een tweede vliegerarts dat de situatie ‘niet in overeenstemming kan worden gebracht met veilige en gezonde arbeidsomstandigheden’. In overleg met de vliegerarts stuurt de Luchtmachtstaf dit advies naar het ministerie, maar krijgt van hen te horen dat een ‘verbetering in de huidige situatie zodanig gecompliceerd en kostbaar (is) dat op lokaal niveau geen wijzigingen in de ventilatie installatie kunnen worden gerealiseerd’.

Een jaar later, in 1987, tikt de Arbeidsinspectie het ministerie op de vingers. Er is sprake van ‘onnodige blootstelling’ en de gebruikte maskers geven ‘onvoldoende bescherming’. Om het personeel te beschermen is de hal ‘gescheiden door middel van een “gordijn” van plastic folie’, maar tegelijkertijd zorgt de ventilatie voor een ‘doorstroming van de gehele hal’. De Inspectie raadt dringend aan om te zorgen voor een ‘doelmatige installatie’.

Die komt er niet. En in 1993 is de maat vol voor de Arbeidsinspectie.

Advies: stop met het plegen van strafbare feiten

Want zes jaar na de eerste terechtwijzingen is er op de werkvloer niets veranderd. Zo constateert de Arbeidsinspectie dat er nog steeds diverse werkzaamheden ‘gelijktijdig met het spuiten of drogen van een vliegtuig [plaatsvinden]. Nogmaals wijs ik u erop dat dit niet is toegestaan’. De Arbeidsinspectie maakt kort daarna proces-verbaal op; begin 1994 wordt dat besproken in de stafgroep Luchtmacht. Een luitenant-kolonel laat weten dat het ‘als overheid niet toelaatbaar is dat er verboden handelingen c.q. strafbare feiten worden gepleegd en dat deze verboden handelingen onmiddellijk beëindigd moeten worden’. Zijn advies is dan ook simpel: ‘stoppen met het plegen van strafbare feiten’.

Ter plekke wordt afgesproken om ‘onmiddellijk met alle verboden werkzaamheden in de spuithal te stoppen’, en er zal een brief worden opgesteld aan de Officier van Justitie met de mededeling dat ‘alle verboden handelingen onmiddellijk zijn gestopt [en dat] de commandant bereid is om een verklaring af te leggen en wil schikken’. Tot slot adviseren de aanwezigen om ‘voorlichting te geven aan de commandant van de Vliegbasis Twente en de overige Luchtmacht-commandanten’ over de adviezen van de Arbeidsinspectie, om herhaling te voorkomen.

Het ministerie van Defensie stuurt echter enkele maanden later een geruststellende brief naar de Vliegbasis Twente: de maximale toegstane waarden worden meegedeeld, en het is vooral verboden ‘werkzaamheden uit te voeren waarbij de kans op vonkvorming aanwezig is’. Gevolg: in 1998 meet TNO waarden die de wettelijke norm overschrijden en in 2001 wordt Vliegbasis Twente wederom op de vingers getikt door de Arbeidsinspectie voor dezelfde tekortkomingen en gebrekkige risicobeheersing op de werkvloer.

"Op de werkvloer worden chroom-6-waarden gemeten van twee- tot achtmaal hoger dan toegestaan."

SPOED SPOED SPOED

Eind jaren ’90 slaan medewerkers van de Arbodienst van de Landmacht en het hoofd veiligheid van de POMS-site Vriezenveen groot alarm. Ook hier worden de wettelijke normen overschreden, aangezien er op de werkvloer chroom-6-waarden worden gemeten van twee- tot achtmaal hoger dan toegestaan. Ze roepen hun leidinggevenden op tot ‘graag a.s.a.p. aktie!!!!!!’ en sturen alarmerende mails met ‘SPOED SPOED SPOED STRONTIUM CHROMAAT’ als onderwerp. Ook spreken ze het vermoeden uit dat ‘de kans groot is dat deze situatie zich ook in Brunssum/Eygelshoven voor zal doen’.

Al snel ontdekt het hoofd veiligheid van de POMS-site dat de voor onderhoud verantwoordelijke managers zich van geen kwaad bewust zijn. Dat is ook niet vreemd: die kregen immers een paar jaar eerder nog te horen dat de ‘spuitinstallatie in technische zin uitstekend geschikt is’. Wanneer het hoofd veiligheid zijn collega’s van de afzonderlijke locaties erop wijst dat er gelaatsmaskers nodig zijn en de filters daarvan regelmatig moeten worden vervangen, krijgt hij als antwoord: ‘Het spijt me geweldig, maar ik heb nooit eerder van Strontium chromaat gehoord’.

Het hoofd veiligheid stuurt hierop een ‘bijspijkermail’ rond, en wijst de managers erop dat er ‘2400 producten in de US-lijn zitten die een Chromaat bevatten. En deze zijn wel binnen de organisatie in gebruik of gebruikt!’ Hij vraagt zijn leidinggevenden de ‘discipelen hierover te informeren’ en stuurt die mail door naar de stafleden. Ook besluit hij per direct workshops te organiseren in de kantines, om het personeel langs die weg voor te lichten.

De urgentie en het gevaar lijkt niet tot elke werknemer door te dringen. Soms wordt het advies zelfs in de wind geslagen. Hoewel het Amerikaanse leger gelaatsmaskers aan Defensie heeft verstrekt om het personeel te beschermen, is het personeel niet altijd te spreken over de persoonlijke beschermingsmiddelen: ‘het gebruik van gelaatsmaskers is uitermate onplezierig en hinderlijk’. Na aanhoudende waarschuwingen, alarmerende mails en een reeks ongevraagd adviezen wordt uiteindelijk in 2001 voor het eerst de cursus ‘Veilig omgaan met chromaten’ bij de Landmacht gegeven.

Werkvloer overruled door Den Haag

Een van de hindernissen waarop bedrijfsartsen en veiligheidsofficieren herhaaldelijk stuitten, is de vraag wie voor de kosten van aanpassingen op de werkvloer moet opdraaien. Deze discussies zorgen voor nodeloze vertraging. Want hoewel de Landmacht in mei 1999 opdracht gaf voor een onderzoek, vonden de metingen op de werkvloer pas in september plaats. ‘Er zit een periode van bijna 4 maanden …! tussen de geplande schriftelijke opdracht van NL POMS en het uitgevoerde onderzoek [...] deze termijn is niet acceptabel’, laat een leidinggevende ontstemd weten.

In tussentijdse correspondentie bespreken de leidinggevenden (managers onderhoud, logistiek en veiligheid) de kosten van het afnemen van monsters; die komen neer op 21.000 gulden. Hun streven is ‘deze kosten te verhalen op de US army’ en ook zal een ‘Urgent Requirement’ worden opgesteld, want ‘het is de bedoeling dat NATO deze voorzieningen gaat financieren’. Het ministerie van Defensie besluit dat er ‘tijdelijke beheersmaatregelen’ worden genomen. Uit een inventarisatielijst blijkt dat er wel stofmaskers worden gedragen, maar – gek genoeg – juist niet bij riskante handelingen, zoals onderdelen losschroeven en overspuiten.

Bedrijfsartsen en veiligheidsofficieren moeten hemel en aarde bewegen voordat hun leidinggevenden in actie komen

Opvallend zijn de gelijkenissen tussen de Vliegbasis Twente en de NAVO-locatie in Vriezenveen. De strijd om onderzoek en maatregelen moet per locatie en afdeling telkens opnieuw worden gevoerd. Bedrijfsartsen en veiligheidsofficieren moeten hemel en aarde bewegen voordat hun leidinggevenden in actie komen, en zodra die eindelijk de noodzaak en urgentie ervan erkennen, worden ze alsnog overruled door het ministerie.  Denk aan de Luchtmachttop: toen die zich in 1993 ernstig bezorgd betoonde over het niet-inachtnemen van veiligheidsregels, schreef het ministerie aan Vliegbasis Twente dat het allemaal wel meeviel.

Een tweede overeenkomst is het gesteggel over de financiële consequenties van onderzoek naar veiligheidsrisico’s. Wanneer tekortkomingen worden geconstateerd, tracht men die eerst met kunst- en vliegwerk op te lossen, maar als dat onvoldoende helpt, verschuift de vraag direct naar hoeveel geld het gaat kosten en wie dat moet betalen. Resultaat: een pijnlijke vertraging in het aanpakken van urgente veiligheidsrisico’s, en soms zelfs het  verwaarlozen ervan.

De conclusie van het RIVM-rapport dat het ministerie van Defensie informatie heeft achtergehouden voor personeel is terecht, maar tegelijkertijd slechts een deel van het verhaal. Uit de documenten waarover wij beschikken, blijkt immers dat het ministerie bestaande zorgen vooral heeft genegeerd en gebagatelliseerd: een klassiek geval van de kop in het zand steken – zolang je het probleem niet onder ogen hoeft te zien, is het er eigenlijk niet.

Toch is dat precies de tactiek die het ministerie decennialang heeft gevolgd. Al een kwart eeuw geleden kreeg Defensie een proces-verbaal van de Arbeidsinspectie aan de broek, mailden medewerkers ‘SPOED SPOED SPOED’, en roept een luitenant-kolonel in de Luchtmachtstaf personeel op tot het ‘stoppen met het plegen van strafbare feiten’ . Maar tot het RIVM met zijn rapport vorige maand kwam, bleef het ministerie beweren dat er ‘geen concrete aanwijzingen zijn dat de (oud-)medewerkers structureel werden blootgesteld aan gevaarlijke stoffen in concentraties buiten de wettelijke normen’.

Het RIVM heeft alleen nog de gang van zaken rond de NAVO-depots bestudeerd; het onderzoek naar de vliegbases waar onderhoud aan de F16’s plaatsvond, is pas begonnen. (Oud-)medewerkers krijgen nog altijd te horen dat ze het dit nieuwe  RIVM-onderzoek maar moeten afwachten.

Het ministerie heeft tenslotte zelf ‘geen concrete aanwijzingen’.

Reactie Defensie:

Follow the Money heeft het ministerie van Defensie bovenstaande bevindingen voorgelegd, en op basis daarvan enkele vragen gesteld. Hun reactie is integraal weergegeven.

(1) Wat zijn de overwegingen geweest van Defensie om pas na het verschijnen van het RIVM-rapport aansprakelijkheid te erkennen terwijl bovenstaande feiten in het eigen archief terug te vinden zijn?

(2) Wordt een gelijksoortige manier van werken toegepast op de nog komende RIVM rapporten naar de andere defensielocaties?

Algemeen

In de loop van 2014 was sprake van een toenemend aantal meldingen van gezondheidsklachten bij (oud-)medewerkers van Defensie die op de Prepositioned Organizational Material Storage (POMS) locaties hebben gewerkt. Naar aanleiding hiervan heeft Defensie besloten om onderzoek te laten doen naar de mogelijke schadelijke gevolgen voor de gezondheid als gevolg van het werken met chroom-6 houdende verf op genoemde POMS-locaties gedurende de periode 1984 tot en met 2006. Tevens is er opdracht gegeven om onderzoek te doen naar het gebruik van chroom-6 op andere defensielocaties en het gebruik van CARC op POMS locaties. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is de opdracht gegeven om deze onderzoeken uit te voeren. Voor de onafhankelijke begeleiding van het onderzoek is een paritaire commissie ingesteld bestaande uit vertegenwoordigers van de vakbonden, Defensie, een onafhankelijke wetenschappelijk expert en een onafhankelijk communicatiedeskundige onder voorzitterschap van de heer R.L. Vreeman.

Beschikbaar

Vanaf het begin van het RIVM onderzoek heeft Defensie aangegeven dat het van belang is om onafhankelijk, zorgvuldig en wetenschappelijk onderbouwd vast te stellen wat er is gebeurd. Daarom worden alle beschikbare documenten over Chroom-6 en CARC bij Defensie beschikbaar gesteld aan het RIVM zodat deze meegenomen kunnen worden in het onderzoek. Ook heeft het RIVM in het kader van het onderzoek middels enquêtes, interviews en (groeps)gesprekken uitgebreid gesproken met (ex-)medewerkers en andere belanghebbenden.

Verantwoordelijkheid

Het onderzoek door het RIVM naar de gezondheidsrisico’s van het gebruik van chroom-6 op de POMS locaties is bedoeld om volledige duidelijkheid te verkrijgen over de arbeidsomstandigheden en de wijze waarop Defensie als werkgever invulling gegeven heeft aan haar zorgplicht. Defensie heeft vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid de resultaten van dit onderzoek afgewacht. Wel heeft Defensie begin 2015 in overleg met de centrales van overheidspersoneel een coulanceregeling ingesteld voor (ex-)werknemers die op grond daarvan, onder gestelde voorwaarden, in aanmerking kunnen komen voor een tegemoetkoming.

Inmiddels is het eerste gedeelte, gebruik van chroom-6 op POMS locaties, van het RIVM onderzoek afgerond. Op basis van dit onderzoek heeft de paritaire commissie haar aanbevelingen gegeven. Defensie heeft haar verantwoordelijkheid genomen en al deze aanbevelingen overgenomen. In de gevoegde beleidsreactie op p.3, 4 en 5 kunt u lezen wat deze aanbevelingen zijn en de maatregelen die zijn genomen. Ook voor de twee resterende onderzoeken geldt dat als deze zijn afgerond Defensie zijn verantwoordelijkheid zal nemen op basis van de onderzoeksresultaten en aanbevelingen van de paritaire commissie.

(3) Wat zijn de overwegingen geweest om de RIVM-onderzoeken op te knippen in diverse deelonderzoeken?

De RIVM-onderzoeken worden aangestuurd door de onafhankelijke paritaire commissie. Deze commissie heeft besloten op basis van de wetenschappelijk onderbouwde adviezen van het RIVM  om het onderzoek op deze manier uit te voeren. Het RIVM maakt bij de onderzoeken gebruik van een wetenschappelijke klankbordgroep om zodoende tot breed gedragen adviezen en resultaten te komen. De deelnemers van deze klankbordgroep zijn deskundigen met uiteenlopende expertises en zij zijn voorgedragen door vakbonden, Defensie, letselschade advocaten en het RIVM zelf. Zie voor meer informatie over het RIVM onderzoek ook: https://www.rivm.nl/Onderwerpen/C/Chroom_6_en_CARC/chroomonderzoek_defensie

(4) Gelet op de gelijkenissen tussen Landmacht en Luchtmacht (qua lange periode vanaf eerste constatering tot eerste moment van actie), wordt er ook nog gekeken naar terugkerende elementen om zodoende lering te trekken uit het verleden?

(4a) Zo nee: Waarom niet?

(4b) Zo ja: Welke maatregelen zijn er ondertussen genomen binnen de organisatie om herhaling van dergelijke scenario's te voorkomen?

Voorop staat defensiepersoneel in staat moet worden gesteld om veilig te werken en dat Defensie een continue lerende organisatie is. In het recentelijk gepresenteerde plan van aanpak ‘Een veilige defensieorganisatie’ (https://www.defensie.nl/actueel/nieuws/2018/03/28/versterken-veiligheid-bij-defensie-topprioriteit) zijn de aanbevelingen verwerkt van meerdere interne- en externe onderzoeken. Deze onderzoeken hebben aangetoond dat Defensie er niet voldoende in is geslaagd om risico’s te onderkennen en beheersen. Militairen werken vaak onder moeilijke en risicovolle omstandigheden. Juist daarom is het van belang dat er geen onnódige risico’s zijn.

In het plan van aanpak staan 40 concrete maatregelen die de veiligheid bij Defensie gaan versterken. Het plan bevat zowel maatregelen die snel tot verbeteringen moeten leiden als maatregelen die pas op langere termijn effect zullen hebben. Alle maatregelen zijn gericht op een structurele en blijvende verbetering van de veiligheid en van het lerend vermogen van Defensie. Veilig werken moet de norm zijn bij Defensie. Elke defensiemedewerker draagt hieraan bij. De commandanten gaan voorop en zijn primair verantwoordelijk.

Maatregelen veilig werken chroom-6

Er is ook een plan van aanpak opgesteld specifiek voor het veilig werken met chroom-6. Daarnaast zou ik u ook graag willen wijzen op de volgende website: https://www.defensie.nl/onderwerpen/personeelszorg/gezondheidsonderzoeken/carc. Hier treft u een factsheet en een animatievideo aan over de maatregelen die Defensie heeft genomen om veilig te kunnen werken met chroom-6. Incidenten zijn bij een organisatie met ruim 55.000 werknemers helaas nooit helemaal uit te sluiten. Maar door de genoemde maatregelen, het melden en leren van incidenten worden de risico’s zo klein mogelijk gemaakt.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Dieuwertje Kuijpers

Gevolgd door 585 leden

Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

Lees meer

Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

Volg Dieuwertje Kuijpers
Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren