Digitale media vormen nog te weinig een deeleconomie

  • Shouter "Ana Alien - Earth seen from Universe" mag het aardse geneuzel graag beshouten met een afstandelijke blik - niet te geloven!
  • Oops.., een Shout! Docenten zouden beter hun stof kunnen publiceren en delen onder een Creative Commons licentie "Right to Copy" i.p.v. ©

Serieuze digitale media weren liefst reacties van 'reaguurders en frustraten' op hun sites. Bijvoorbeeld met een betaalmuur. Maar daarmee missen ze de kritiek van alle niet-betalende lezers op hun product, reageert S. de Beter. Daar heeft hij wel oplossingen voor. 'Het huidige digitale tijdperk biedt veel meer mogelijkheden om de wensen en meningen van diverse lezersgroepen in kaart te brengen.'

Toen de automobiel werd uitgevonden bleef deze innovatie aanvankelijk beperkt tot de vervanging van het paard door een motor. De carrosserie van de eerste auto was bijna niet te onderscheiden van de postkoets en andere rijtuigen; dat gold zelfs voor het beroemde T-model van Ford. Het is daarom niet zo vreemd dat wij bij auto's en ander gemotoriseerd verkeer nog steeds spreken over het aantal paardenkrachten (PK) en over motorrijtuigen(belasting).

De auto die tegenwoordig over de wegen raast laat zien dat in de loop van de innovatiecyclus de motor en de carrosserie in de loop der jaren steeds meer op elkaar zijn afgestemd. Terzijde: als DS-liefhebber durf ik te beweren dat deze goddess uit de Citroënstal aan deze finetuning een belangrijke bijdrage heeft geleverd.

De digitale krant zit nog in de eerste fase van de innovatiecyclus. Het papier is vervangen door de elektronische versie en de krantenjongen door de email. Voor het overige is er nog niet veel veranderd. De journalist schrijft zijn artikel vrijwel op dezelfde manier als in 'het papieren tijdperk' en het is nog steeds grotendeels eenrichtingsverkeer: wij journalisten weten wel ongeveer wat jullie lezers nodig hebben en waarderen.

Het is nog steeds grotendeels eenrichtingsverkeer: wij journalisten weten wel ongeveer wat jullie lezers nodig hebben en waarderen

De enige verandering is dat de digitale lezers de mogelijkheid hebben hun commentaren terstond in te sturen en dat die vervolgens linea recta onder het artikel worden geplaatst, zonder onderscheid des persoons. Maar ook zonder onderscheid qua inhoud, want, afgezien van beledigende of pornografische teksten, wordt gewoon alles geplaatst; ook dat is een manier om je lezers niet echt serieus te nemen.

Reaguurders en frustaten

Wie weleens de moeite neemt ingezonden reacties te lezen, wordt daar niet erg vrolijk van. Zelfs bij een beschaafd dagblad als Trouw lijken sommige mensen de digitale reactierubriek vooral te gebruiken om regelmatig hun frustraties over iets of iemand te spuien. Het zijn ook vaak dezelfde reaguurders die je daar tegenkomt en die elkaar over en weer bestrijden. Wie denkt dat ik overdrijf, moet maar eens een kijkje nemen bij Foodlog

Digitalisering van dagbladen en discussiefora maakt het mogelijk dat lezers een bijdrage leveren aan de meningsvorming over bepaalde onderwerpen. In de praktijk tref je soms heus wel interessante, nuttige of zelfs hartverwarmende reacties aan. Maar je leert het wel af om die te gaan zoeken als je daarvoor eerst een berg met bagger moet beklimmen.


S. de Beter

"Afgezien van beledigende of pornografische teksten, wordt gewoon alles geplaatst; ook dat is een manier om je lezers niet echt serieus te nemen"

Debat als eenrichtingsverkeer

Is het een oplossing om dan maar aan het aloude principe van het eenrichtingsverkeer vast te houden? Het resultaat van die methode zien we bij het online forum Me Judice dat als doel heeft het debat onder economen te stimuleren. Nederlandse economen hebben zo hun eigen definitie van debat, want bij dit discussieforum kun je alleen reageren door een eigen artikel in te sturen. En dat moet dan wel eerst worden goedgekeurd door het Politbureau, bestaande uit een drietal 'managing editors'. In het algemeen zijn economen uitgesproken tegenstanders van kartels en toetredingsbarrières maar voor de 'markt van economische kennis' maken ze blijkbaar graag een uitzondering.

Alleen voor leden

Nieuwe digitale media als De Correspondent en Follow the Money lijken een mooie tussenoplossing te hebben gevonden: reacties op hun artikelen zijn alleen mogelijk voor de lezers die betalend lid zijn. Het gevolg is een aanmerkelijke reductie van het aantal reaguurders en frustraten.

Er zijn echter twee nadelen verbonden aan dit selectiemiddel. Om te beginnen ontstaat er al snel een incrowd-sfeertje. Zeker bij De Correspondent krijg ik vaak het beeld van een theekransje van 'verlichte lezers' die gezellig keuvelen over wat hun favoriete redacteur nu weer op tafel heeft gezet.

Een veel groter nadeel is dat je zo niet kunt achterhalen wat de niet-betalende lezers van jouw aanbod vinden

Een veel groter nadeel is dat je op deze manier niet kunt achterhalen wat de niet-betalende lezers van jouw aanbod vinden. Er is geen reden om daar geringschattend over te doen want dat zijn wel je  potentiële 'klanten'. Zij zullen zeker geen betaald lidmaatschap nemen als zij bij voortduring ontevreden zijn over het gebodene.

Hieronder doe ik een paar suggesties om deze nadelen te ondervangen. Dat kan alleen door de talloze mogelijkheden van het digitale medium beter te benutten, dus door een stapje verder te gaan in de innovatiecyclus. Er bestaan hier geen kant-en-klare oplossingen; we moeten het doen met trial and error, zoals ook de afstemming tussen automotor en carrosserie heeft plaatsgevonden.

Met de voeten stemmen

Als econoom ben ik gewend in termen van vraag en aanbod te denken. Het lezerspubliek heeft behoefte aan feiten of meningen over bepaalde onderwerpen en de journalist probeert daarin te voorzien door een artikel, column of essay te schrijven. Of zijn aanbod in voldoende mate aansluit bij de vraag van de lezer, was in het papieren tijdperk moeilijk te achterhalen. Natuurlijk kon de ontevreden lezer altijd een ingezonden brief op de post doen, of – voor een selecte groep van intimi, machthebbers of financiers – de hoofdredacteur bellen, maar de gemiddelde lezer stemde vooral 'met de voeten'. Als hij bij herhaling ontevreden was over de pennenvruchten van een of andere journalist, sloeg hij de betreffende rubriek over of  – in het uiterste geval – stapte hij over naar een andere krant.

Het huidige digitale tijdperk biedt veel meer mogelijkheden om de wensen en meningen van diverse lezersgroepen in kaart te brengen. Niet door een of andere nutteloze enquête te houden maar door de lezer de gelegenheid te geven om in principe bij ieder artikel zijn oordeel uit te spreken. Daarnaast maakt digitalisering het mogelijk om de traditionele scheiding tussen vraag en aanbod, tussen lezer en journalist, enigszins op te heffen: de lezer kan additionele informatie melden, een ander gezichtspunt inbrengen of nieuwe vragen opwerpen.

Tweetrapsraket

Deze twee vormen van informatie-uitwisseling vragen om een gedifferentieerde aanpak. Aan de ene kant heb je de anonieme lezer die snel en impulsief zijn mening wil geven. 'Ik reageer (op internet), dus ik besta' lijkt het parool van de moderne mens te zijn geworden, wat zich vooral uit in de ontelbare 'likes' die dagelijks op Facebook heen en weer vliegen. Aan de andere kant is een beperkt aantal lezers die de behoefte en de tijd hebben om te beargumenteren waarom ze iets goed of slecht vinden, of om een eigen duit in het zakje te doen.

Bovendien wil ik als lezer – èn als auteur – onderscheid maken tussen de inhoud en de presentatie van een artikel

Voor het snelle en impulsieve reageren op een journalistiek product lijkt mij een simpele 'like' of 'dislike', of een duimpje omhoog of omlaag, niet voldoende. Beter is de inmiddels ingeburgerde 5-puntsschaal hier te introduceren, die bij reviews van boeken en andere artikelen wordt gebruikt. Bovendien wil ik als lezer – èn als auteur – bij voorkeur onderscheid maken tussen de inhoud van een artikel en de wijze waarop die inhoud voor het voetlicht wordt gebracht. Laat je dit onderscheid achterwege (zoals momenteel bij FTM), dan blijft onduidelijk waar dat negatieve of juist positieve oordeel op slaat. Deze verwarring zie je bijvoorbeeld bij de online nieuwsbrief Boerenbusiness, waar de lezer standaard wordt gevraagd wat hij van het nieuws vindt: interessant, irritant, beangstigend of grappig. Is dit een oordeel over de vorm of over de inhoud van het artikel, of over het nieuwsfeit zelf? Ik vermoed het laatste, maar wat is de meerwaarde van deze informatie? Het laat wel zien dat de tegenwoordige lezer graag wil reageren, en het is  dus de moeite waard om daarmee nuttige informatie aan te boren.

Mijn voorstel is om alle lezers, dus ook de niet-leden, de mogelijkheid te bieden twee vragen te beantwoorden, met de eerder genoemde 5-puntsschaal:

  • in hoeverre heeft dit artikel u extra informatie verschaft, in de vorm van nieuwe feiten of gezichtspunten?

  • In hoeverre was aangenaam of boeiend om dit artikel te lezen?

Bij sommige artikelen wil de auteur misschien ook weten of de lezer door toedoen van zijn pennenvrucht optimistischer of pessimistischer, vrolijker of droever is geworden. De keuze uit een beperkt aantal smileys kan hierbij wellicht soelaas bieden.

Meer doen met onderzoeksjournalistiek

Zoals gezegd, een beperkt aantal lezers wil zijn negatieve of positieve  waardering ook graag toelichten, of is van mening dat hij het artikel kan aanvullen met extra feiten of nieuwe gezichtspunten. Het is mijn stellige overtuiging dat de meeste mensen meer toegewijde energie steken in een bepaalde activiteit als hun inspanningen serieus worden genomen en de vruchten van hun activiteit door anderen worden benut; dat geldt voor scholieren en studenten maar ook voor 'normale mensen'. In concreto: lezers zullen met constructieve reacties komen als ze weten dat daar iets zinvols mee wordt gedaan, en hun reacties niet op één hoop worden gegooid met allerlei onzin.

De aanpak van De Correspondent en FTM om alleen leden of abonnees de mogelijkheid te geven om reacties in te sturen, is natuurlijk een eerste stap in de goede richting, want het aandeel serieuze commentaren gaat op die manier flink omhoog. Een tweede stap zou kunnen zijn dat er ook daadwerkelijk iets wordt gedaan met die commentaren, zeker als je verder wilt gaan dan de waan van de dag. Bij De Correspondent komt het vaak voor dat de auteur zelf reageert op bepaalde lezerscommentaren. Als het louter gaat om het elimineren van misverstanden is dat natuurlijk heel nuttig. Maar is het niet beter dat daarna iemand anders 'het stokje overneemt'? Dat zou een andere collega-redacteur kunnen zijn, die de commentaren verwerkt in een soort nabeschouwing, en op deze manier een andere kijk geeft op het onderwerp en op het oorspronkelijke artikel; een vorm van collegiaal leren die in de journalistiek veel meer kan worden benut.

Je zou ook studenten journalistiek, of zelfs middelbare scholieren, kunnen inschakelen om een essay te schrijven over het oorspronkelijke artikel en de commentaren. Ook wetenschappers kunnen worden benaderd om bepaalde aspecten uit te diepen, zodat er – eindelijk – een vruchtbare wisselwerking kan ontstaan tussen onderzoeksjournalisten en academische onderzoekers. En waarom gebruiken we de vruchten van de onderzoeksjournalistiek niet wat vaker als lesmateriaal, waarbij scholieren en studenten voortbouwen op wat een onderzoeksjournalist heeft aangedragen?

Je zou ook studenten journalistiek, of zelfs middelbare scholieren, kunnen inschakelen om een essay te schrijven over het oorspronkelijke artikel en de commentaren

Een extra voordeel kan zijn dat serieuze digitale media als FTM en De Correspondent een extra financieringsbron kunnen aanboren. Tot dusver wordt de markt voor lesmateriaal gedomineerd door grote uitgeverijen die docenten tegen een zeer geringe vergoeding het materiaal laten schrijven en dit vervolgens met een zeer ruime marge op de markt zetten. Dit ouderwetse businessmodel moet hoognodig worden vervangen door een digitaal platform  waar 'schrijvende docenten' – en onderzoeksjournalisten – hun materiaal kunnen plaatsen en 'gebruikende docenten' de gewenste leerstof kunnen selecteren en tegen een geringe vergoeding kunnen inkopen.

Kortom, met enige creativiteit  kunnen we grotendeels worden verlost van de 19e-eeuwse journalistiek waarbij de lezer slechts een passieve consument is van nieuwsfeiten die door de professionele journalist worden aangedragen. De digitalisering maakt het mogelijk dat een ieder die dat wil, zijn kleine steentje kan bijdragen aan nieuwsgaring en meningsvorming. Ook dit is een vorm van deeleconomie die ons leven rijker kan maken.

 

De link naar het aritkel Spotify voor School vindt u hier.

 

over de auteur

De auteur publiceert dit artikel onder het pseudoniem S. de Beter. De verantwoording daarvoor leest u hier.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

S. de Beter

S. de Beter is niet mijn echte naam. Ik koos voor een pseudoniem om de kans te vergroten dat mijn schrijfsels op waarde worde...

Volg S. de Beter
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren