© ANP / Jerry Lampen

Veertig jaar 'trickle down economics': een lange race naar de bodem

    In het derde deel van hun serie over de dividendbelasting betogen Rodrigo Fernandez en Frans Bieckmann dat de argumentatie van de voorstanders terugvoert op de aloude ‘Reaganomics’. Maar die theorieën (en het geloof in een trickle-downeffect) leidden niet tot economische bloei — we hielden er alleen grotere staatsschulden aan over.

    De voorgenomen afschaffing van de dividendbelasting en de voorgestelde verlaging van de vennootschapsbelasting passen in een bredere historische trend. Sinds de jaren tachtig heeft de onderlinge belastingconcurrentie er in alle ontwikkelde economieën toe geleid dat de vennootschapsbelasting grofweg is gehalveerd. Deze lagere belasting op kapitaal ging samen met een dalend aandeel van de lonen in de economie. De winsten van bedrijven stegen, maar dat leidde niet tot meer investeringen.

    Daarnaast groeiden de mogelijkheden voor belastingontwijking door grote bedrijven en vermogende particulieren, waardoor de lasten meer en meer op de schouders van huishoudens kwamen te liggen. De opgepotte winsten van grootbedrijven groeiden tot ongekende hoogten. Met de voorgestelde dividend- en VPB-maatregelen zet Nederland als eerste EU-land een nieuwe stap in de race naar de bodem. Een kleine terugblik leert ons niemand hier beter van wordt – behalve de kapitaalbezitters.

    Post-Brexit politiek 

    Terwijl Nederlandse en Europese politici in achterkamertjes vastlopen op de technische uitwerking van de BEPS (Base Erosion and Profit Shifting), het plan van de OESO om belastingontwijking terug te dringen, hebben Trump en Brexit allang een nieuwe politieke realiteit ingeluid. De politiek van de Britten en de VS betekent een volgende fase in de herverdeling van winst tussen arbeid en kapitaal. Het kabinet-Rutte 3 haakt enthousiast aan, en keert zich af van een Europese verdedigingslinie tegen steeds lagere belastingen op kapitaal.

    Nederland wil voorop lopen in het bieden van gunstige belastingvoorwaarden aan internationale bedrijven. In de praktijk concurreert ze met de afschaffing van de dividendbelasting binnen Europa alleen met het Verenigd Koninkrijk. Nederland voegt zich met deze maatregel in een illuster rijtje van belastingparadijzen:

    Alle andere relevante landen in Europa heffen wel dividendbelasting. Bas Jacobs schrijft in zijn artikel Blind gokken met de dividendbelasting: ‘Met uitzondering van de belastingparadijzen en het VK worden vrijwel overal ter wereld hogere dividendbelastingen geheven dan in Nederland. De dividendbelasting is 25 procent in Duitsland en België, 15 procent in Luxemburg, 27 procent in Denemarken, 30 procent in Zweden, 24,5 procent in Denemarken, 25 procent in Noorwegen, 21 procent in Spanje, 20 procent in Italië of 35 procent in Zwitserland.’ Desondanks stellen pleitbezorgers van de afschaffing van de dividendbelasting het voor alsof de Nederlandse economie gevaar loopt indien de belasting op kapitaal niet wordt verlaagd.  

    Een van die mensen is VU-hoogleraar belastingrecht Bellingwout, die ook als adviseur bij Meijburg & Co werkt, en in die hoedanigheid multinationals ondersteunt. In zijn position paper voor de Tweede Kamer-hoorzitting over de dividendbelasting op 14 december 2017 schrijft hij dat de vennootschapsbelasting ‘geen eigen rechtsgrond’ heeft en net als de dividendbelasting ‘een relikwie uit het verleden’ is. Even een korte reality check: de VPB schrappen zou ruim 21 miljard euro per jaar kosten. Bellingwout: ‘Met de Brexit en de protectionistische ‘America first’ belastinghervormingen van Trump staat ons fiscale vestigingsklimaat onder grote druk. Het is erop of eronder [..] We hebben geen keus, afschaffing van de dividendbelasting is dringend gewenst. Ter behoud van ons vestigingsklimaat en daarmee ter behoud van onze welvaart en werkgelegenheid. Voor iedereen.’ 

    Ook de VNO-NCW doet het voorkomen alsof Nederland op achterstand raakt. In haar position paper stelt zij: ‘Nederland heeft de afgelopen vijf jaar stilgestaan en moet nu een inhaalslag maken wil het kunnen blijven meespelen op het wereldtoneel. Een degelijk én concurrerend fiscaal beleid zorgt uiteindelijk voor hogere belastinginkomsten.’

    Dezelfde stellingname kennen we van extreem conservatieve denktanks uit de VS, zoals het CATO-instituut. Het is een mix van enerzijds de trickle down economics die Bellingwout aanhaalt, en anderzijds het idee dat een belastingverlaging leidt tot hogere belastingopbrengsten. Het is ouderwetse Reaganomics. De Amerikaanse president Reagan gebruikte deze redenering in de jaren tachtig om belastingverlagingen door te voeren; verlagingen die wereldwijd een race naar de bodem op het gebied van VPB veroorzaakten. Het resultaat was niet dat de belastingopbrengsten in de VS stegen. Integendeel, het enige wat toenam was de staatsschuld.

    Hoe kunnen deze argumenten nog zonder gêne in het maatschappelijke debat worden ingezet? Laten we teruggaan naar 1980 en kijken wat er gebeurde nadat overheden dit soort beleidsaanbevelingen opvolgden.

    Vier decennia verlaging VPB

    Onderstaande grafieken geven een goed beeld van het effect van de verlaging van belasting op kapitaal vanaf 1980. De eerste traceert de verlaging van de VPB in een aantal landen. In 1980 was de VPB in de meeste landen bijna 50 procent. In Duitsland was de belasting op de winst van bedrijven (de gecombineerde belasting van de federale staat en de deelstaten) tot de val van de Muur zelfs 60 procent. Sindsdien daalde de VPB overal gestaag.

    De tweede grafiek toont dat tegelijkertijd het aandeel van de lonen in de economie – de zogenaamde arbeidsinkomensquote (AIQ) – begint te dalen. Tussen deze twee processen bestaat geen causale relatie: het loonaandeel daalt door de toegenomen mobiliteit van kapitaal en het bredere proces van globalisering. Daardoor raakten productieprocessen losgeweekt van de nationale schaal: bedrijven konden produceren waar dat het minste kost. Parallel hieraan nam de macht van vakbonden af.  

    Japan had in 1980 een AIQ van 78 procent; in 2015 was dat nog maar 65 procent. In Nederland zakte de AIQ van 75 naar 68 procent. Wereldwijd, dus inclusief de ‘lagelonenlanden’, zagen we een afname van 9 procent. Zonder deze daling zou er wereldwijd nu jaarlijks zo’n 9.000 miljard dollar meer in handen komen van werknemers en eenzelfde bedrag minder in handen van kapitaalbezitters. 

    Misschien dat bedrijven hun grotere winstaandeel gebruikten om meer te investeren? Dat was niet het geval, zoals uit grafiek 3 blijkt. De investeringen in vaste activa (machines, gebouwen, vervoermiddelen) nam in deze periode juist af. Daar zijn een aantal gangbare verklaringen voor. De lange opbouwperiode van na de Tweede Wereldoorlog kwam ten einde. We zien een dergelijke afname in alle ontwikkelde economieën, ook in opkomende landen als Japan en Zuid-Korea, zodra een hoger welvaartsniveau is bereikt. Tijdelijke uitzonderingen, zoals in Spanje en Ierland, zijn te verklaren uit de vastgoedbubbels daar. Op dit moment is China bezig met een grote inhaalrace: daar stijgt het percentage investeringen nog steeds. 

    Maar wat gebeurde er dan wel? Waar is dat geld van de bedrijfsbelastingverlagingen naartoe gegaan, als het niet naar de werknemers ging, en niet naar nieuwe investeringen? Simpel: het ging naar de beurs. Hun winstgevendheid verbeterde zo sterk dat bedrijven financiële middelen gingen oppotten (zie onderstaande grafiek).

    Er kwam meer geld binnen dan bedrijven konden herinvesteren. Vanaf midden jaren ’90 namen vervolgens ook de mogelijkheden toe om belastingen te ontwijken en vermogens in belastingparadijzen te parkeren. Deze financiële reserves zijn grotendeels in obligaties gestoken. Zo werd Apple een van de belangrijke obligatiehouders in de VS. Uit onderzoek van Credit Suisse blijkt dat met name ICT- en farmaceutische bedrijven hun reserves in belastingparadijzen hebben ondergebracht. Het IMF beschreef al in 2006 de gedaantewisseling van grootbedrijven sinds de jaren ’80: van ondernemingen die krediet aantrokken om te investeren, veranderden ze in bedrijven die geld uitlenen en parkeren in financiële markten. 

    De beschreven processen (belastingverlaging, een lager aandeel van de lonen in de economie, een groei van belastingontwijking en lagere investeringsvolumes) resulteerden in groei van de financiële reserves van grootbedrijven. De grafiek hierboven toont de reserves na belasting en na het uitbetalen van dividend aan de aandeelhouders.

    Dit fenomeen beperkt zich niet tot Nederland; het is een wijdverspreid fenomeen, zoals blijkt uit de aangehaalde studie van het IMF. Maar onderstaande grafiek, afkomstig uit een DNB-onderzoek, laat zien dat Nederland qua financiële reserves wel met kop en schouders boven omringende landen uitsteekt. Dat komt vooral omdat Nederland enerzijds veel echte multinationals (Unilever, Shell, etc.) huisvest, en anderzijds de neppers onderdak biedt, via de brievenbus-economie. Voor beide geldt immers dat de reserves van dochters worden geboekt in het land waar het hoofdkantoor staat geregistreerd, ook al is dat in Nederland vaak een brievenbus.

    Hoe dan ook, de aanwas van reserves – oftewel winsten die te groot zijn om binnen het bedrijf te kunnen herinvesteren – vormen een groeiend onderdeel van het Bruto Binnenlands Product in Nederland. Anders geformuleerd: de gestage groei van het BBP in de afgelopen decennia kan voor een aanzienlijk deel worden toegeschreven aan deze groei van financiële reserves; een groei die niets oplevert voor de reële economie in de vorm van investeringen of werkgelegenheid, maar die wel inkomen genereert voor kapitaalbezitters.

    Veertig jaar lang hebben landen elkaar beconcurreerd met belastingverlagingen. Die race naar de bodem heeft de winsten opgeschroefd, maar levert zowel werknemers en de economie als geheel weinig op. Bovendien moeten die lagere belastinginkomsten ergens gecompenseerd worden. Daarom zijn de sociale premies gestegen, en is de btw verhoogd. In beide gevallen komen die kosten relatief zwaarder neer bij een grote groep minder draagkrachtigen. 

    Een land kan een dergelijke neerwaartse spiraal niet in zijn eentje keren. Een poging om het mobiele kapitaal meer te belasten, maakt alleen kans wanneer dat een gezamenlijke inspanning is. Daarom is de afschaffing van de dividendbelasting zo schadelijk. Die geeft nieuw elan aan een langer lopend proces waar we juist vanaf moeten. De schade gaat verder dan de jaarlijkse kostenpost voor de schatkist: die zit ’m vooral in het aanjagen van nieuwe stappen in omringende landen. Waarna VNO-NCW en haar adviseurs weer belletje komen trekken bij het Torentje. En dan begint het rondje van voren af aan.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Frans Bieckmann

    Publicist, schrijver en onderzoeker

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Frans Bieckmann
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren
    Over de auteur

    Rodrigo Fernandez

    Onderzoeker bij SOMO; schrijft over hervorming van financiële markten, monetair beleid en belastingen.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Rodrigo Fernandez
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren