© Ibrahim Rayintakath

Donordetectives ontmaskeren sjoemelende sperma-artsen

Steeds meer fertiliteitsartsen blijken in de jaren zeventig, tachtig en negentig met hun eigen sperma vrouwen te hebben geïnsemineerd. Dit weten we door het werk van een groep donorkinderen, die via internationale DNA-banken de waarheid over hun ontstaansgeschiedenis onthullen. ‘Die artsen deden dit in de volle overtuiging dat het toch nooit uit zou komen. Maar alles komt boven tafel.’

0:00
Dit stuk in 1 minuut
  • Er komen steeds meer verhalen naar buiten van vruchtbaarheidsartsen en medewerkers van fertiliteitsklinieken die hun eigen sperma gebruikt hebben bij fertiliteitsbehandelingen. 
  • Donordetectives sporen deze artsen op bij hun zoektochten naar vaders van donorkinderen. Bij deze detectives zijn ten minste vier anderen bekend: drie artsen en een medewerker van een fertiliteitskliniek.  
  • De DNA-onderzoeken van stichting Fiom, belast met het ondersteunen van donorkinderen in hun zoektocht en het matchen van donoren en kinderen, zijn ongeschikt om dergelijke misstanden aan het licht te brengen.
  • Dit is het vijfde artikel in een serie over de fertiliteitsindustrie. Deel 1 ging over de Deense zaadindustrie, deel 2 over mannen die massa-donoren bleken te zijn, deel 3 over draagmoederschap in Oekraïne, waar dat booming business is en deel 4 over eicelklinieken in Spanje.
Lees verder

Ester de Lau knijpt met haar ogen en tuurt naar haar computerscherm. In de hoek van haar werkkamer zoemt een lamp. Van beneden klinkt het geluid van de afwasmachine. Vaak doet ze het een uurtje voordat ze naar bed gaat. Een middag of ochtend in haar weekenden gaat er ook meestal aan op. ‘Het is voor mij de kick eindelijk eens zélf iets te kunnen doen, en niet langer op instanties te wachten,’ zegt De Lau. 

Op haar laptop staat de website van MyHeritage open, een internationale databank waar meer dan 95 miljoen mensen van over de hele wereld hun DNA hebben ingediend om meer over hun afkomst te weten te komen. Op het scherm staan roze (vrouwelijke) en blauwe (mannelijke)  poppetjes, afgewisseld met groene ‘potential father/mothers’. De Lau is op dit moment bezig met een familieboom van de familie De V., en probeert de bet-overgrootouders, geboren rond 1825, compleet te maken. 

DNA-bank MyHeritage richtte zich bij de start in 2016 met name op mensen die op zoek waren naar informatie over hun etnische afkomst. Door DNA bij jezelf af te nemen met een wangstrijkje en dat op te sturen, kun je na een paar weken op je online profiel zien of je bijvoorbeeld 12 procent Indisch bent. 

Maar databanken zoals MyHeritage bleken ook ideaal voor donorkinderen om verwanten te vinden. De bank geeft namelijk ook DNA-matches: andere personen die hun materiaal hebben ingeleverd waarmee je DNA gemeen hebt. Hoe hoger de hoeveelheid gemeenschappelijk DNA, hoe dichterbij het verwantschap. 

Ester de Lau (49) weet zelf sinds haar 28ste dat ze donorkind is. Via deze weg vond ze in 2017 twee halfzussen, nadat ze jaren tevergeefs op informatie van FIOM wachtte, de stichting die een databank beheert om zoekende donorkinderen aan donoren te koppelen. 

De Donor Detectives helpen mensen hun vader te vinden, met behulp van ‘genetische genealogie’: een combinatie van stamboomonderzoek en DNA-onderzoek. ‘Tot op de dag van vandaag heb ik veel last van de ontdekking donorkind te zijn,’ zegt De Lau. ‘Ik voel me voor de gek gehouden. Inmiddels weet ik dat de behandelend arts de gegevens van mijn biologische vader bewust heeft vernietigd.’ 

Toen de stichting FIOM in 2010 aankondigde een databank te starten om donorkinderen te helpen bij de zoektocht naar hun biologische vader, besloot De Lau haar bloed in te leveren. Ze betaalde 250 euro voor het DNA-onderzoek. FIOM beloofde op zoek te gaan naar haar donor, maar ook naar halfbroers en -zussen, en haar te informeren zodra er een match zou zijn. 

‘Sommigen van ons kunnen inmiddels in één oogopslag een naam herkennen die ze een paar stambomen geleden ook hebben gezien’

Zes jaar bleef het stil. Uit nieuwsgierigheid besloot De Lau, samen met een aantal andere donorkinderen uit een Facebookgroep, haar DNA ook op te sturen naar MyHeritage. Tot haar verbazing kwam ze er een paar weken later achter dat een van de mensen uit die groep haar halfzus bleek te zijn. Allebei hadden ze zes jaar geleden hun DNA bij FIOM ingediend, maar gematcht waren ze nooit. 

‘Ik was in shock. Die bank was er nota bene om donorkinderen verder te helpen en bleek totaal niet te functioneren.’ Ook via andere internationale banken, Ancestry en 23andme, vond ze halfbroers- en zussen. Na lang speuren vond ze in 2019 ook haar biologische vader.

Samen met vijf andere donorkinderen besluit De Lau in 2017 niet langer te wachten op overheidsinstanties als FIOM, maar een eigen stichting op te richten om andere donorkinderen te helpen bij het vinden van verwanten: de Donor Detectives. Ze moedigen donorkinderen aan om bij internationale banken hun DNA in te leveren, en helpen ze vervolgens bij het zoeken naar verwanten door het ‘bouwen van stambomen’. 

Daarbij gaat het om ‘centimorgans,’ legt De Lau uit, de eenheid waarmee je genetische afstand tot een ander kunt meten. Een match van zevenhonderd centimorgans is meestal een volle neef of nicht, een match van tweehonderd kan een achterneef zijn. ‘Zo kun je stambomen bouwen. Wanneer een match geen eigen stamboom heeft, kun je voor meer informatie eventueel contact opnemen met andere leden van MyHeritage.’ 

De Lau klikt verder: ‘Een match tussen honderd en tweehonderd centimorgans kun je na enig uitzoekwerk waarschijnlijk in je stamboom zetten. Inmiddels ben ik er goed in. Het is een precies werkje, waarvoor je geduld moet hebben. Sommigen van ons kunnen inmiddels in één oogopslag een naam herkennen die ze een paar stambomen geleden ook hebben gezien.’ 

Arts nummer vijf

Bij hun speurwerk vonden zij niet alleen honderden vaders, en zo’n 750 halfbroers- en zussen, maar stuitten zij ook op misstanden bij fertiliteitsklinieken. Zo kennen zij talloze voorbeelden van broers en zussen, die in hetzelfde gezin zijn opgegroeid in de veronderstelling dat voor hen dezelfde donor was gebruikt. Hoewel de kliniek hen dat verzekerd had, bleek uit DNA-onderzoek dat zij een andere biologische vader hadden. ‘Tot ver in de jaren negentig lijkt het volstrekt normaal te zijn geweest voor artsen om daarover te liegen. Dat heeft voor ongelofelijk veel leed gezorgd binnen gezinnen,’ zegt De Lau. ‘Horen dat je zus een andere vader heeft en je daardoor maar halfzussen bent, is traumatisch.’ 

Ook vonden de donordetectives artsen die hun eigen sperma hebben gebruikt bij inseminaties. Afgelopen weken werden twee gynaecologen bekend: Henk Nagel van het Carolus Ziekenhuis (inmiddels opgegaan in het Jeroen Bosch Ziekenhuis) en Jos Beek van het voormalig Sint Elisabeth ziekenhuis (nu het Alrijne Ziekenhuis). Eerder kwam al naar buiten dat artsen Jan Karbaat en Jan Wildschut tientallen kinderen verwekten met eigen zaad. 

‘Het is niet aangetoond dat de gynaecoloog eigen zaad heeft gebruikt, maar ook niet dat hij dat niet gedaan heeft’

Een vijfde arts die zich hier schuldig aan zou hebben gemaakt is Ed Goormans. Hij werkte tussen 1972 en 1986 in het voormalige Ziekenhuis Leyenburg, inmiddels opgegaan in het Hagaziekenhuis. Over deze arts gaan sinds de jaren zeventig al geruchten, nadat meerdere collega’s meldingen hadden gemaakt. Het Hagaziekenhuis meldt op de website, zonder de naam van de arts te noemen, sinds 18 februari het volgende:

Een externe onderzoekscommissie heeft toentertijd onderzoek naar deze geruchten gedaan. Het is in het onderzoek (rapport in juli 1987) niet aangetoond dat de gynaecoloog eigen zaad heeft gebruikt, maar ook niet dat hij dat niet gedaan heeft. In 2017 is naar aanleiding van de media-aandacht voor de casus Karbaat nogmaals aandacht geweest voor deze casus. Ook dit heeft geen bewijs opgeleverd, dit is toen ook gedeeld met de Inspectie Gezondheid en Jeugd (IGJ). Er zijn geen nieuwe feiten bekend bij het HagaZiekenhuis.’ 

Follow the Money heeft het Hagaziekenhuis gevraagd waarom niet wordt gemeld om welke arts het gaat, zodat eventuele verwanten zich kunnen melden en het zoeken voor donorkinderen gemakkelijker wordt gemaakt. Het ziekenhuis geeft aan deze naam niet te noemen ‘uit oogpunt van privacy’. 

Dat er geen bewijs is geleverd bij eerdere onderzoeken in 1987 en 2017 (waarbij niet duidelijk wordt welke omvang dit laatste onderzoek heeft gehad) zegt weinig. De internationale DNA-databanken die dit soort zaken aan het licht brengen zijn pas de laatste jaren in opkomst. 

Stichting Donorkind heeft over Goormans de afgelopen weken meerdere berichten ontvangen van oud-collega’s uit die periode. Follow the Money heeft deze correspondentie ingezien. Ook heeft de Stichting contact met twee donorkinderen wiens vader hij is. Een van hen meldt Goormans ook zelf hierover gesproken te hebben, en dat hij in dat gesprek heeft toegegeven inderdaad de biologische vader te zijn.

Fiom gebruikt beperkte DNA-tests

Deze arts is nog niet bekend bij Fiom. En dat zal ook niet gebeuren: Fiom kan alleen matches maken als de donorvader ook zijn DNA heeft ingeleverd. Om die reden roept Stichting Donorkind mensen op zich te registreren bij internationale databanken als MyHeritage. Daar worden vaak wel verbanden gevonden, die Fiom met haar beperkte DNA-onderzoek niet kan leggen. 

Tot op de dag van vandaag werkt Fiom samen met het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) in Nijmegen, dat in opdracht van de stichting een-op-een DNA-verwantschapsonderzoek uitvoert. Via deze test, eenvoudiger dan die van MyHeritage, kan alleen een directe ouder-kindrelatie worden vastgesteld. Zonder DNA van de donor (in dit geval de arts) zal er geen match zijn, en kunnen halfbroers- en zussen niet met elkaar worden gelinkt. 

Fiom laat in een reactie aan Follow the Money weten dat hun databank tien jaar geleden is ontwikkeld, en dat deze techniek toen de enige beschikbare was. De methode van internationale banken als MyHeritage kost veel geld, en dat heeft FIOM op dit moment niet.  Wel wordt er gestart met een pilot-onderzoek met het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis. 

Stichting FIOM kreeg in 2020 4,7 miljoen euro subsidie. Fiom laat Follow the Money weten dat daarvan ongeveer 600.000 euro beschikbaar is voor het matchen en begeleiden van donorkinderen en donoren. Waarom de stichting nog altijd deze beperkte DNA-test gebruikt, die medewerking van de biologische vader vereist, is niet duidelijk. 

Feit is dat stichting Donor Detectives met eigen middelen, gesteund door donaties van donorkinderen, meer boven water krijgt – ook zaken die klinieken en artsen uit die periode het liefst geheim houden. Fiom benadrukt in een reactie te betreuren dat matches tussen donorkinderen niet geworden via hun eigen databank en dat dit in het verleden niet goed is gecommuniceerd met donorkinderen die op zoek zijn naar verwanten.

Binnen afzienbare tijd zullen nog drie namen van artsen naar buiten komen, zegt donordetective Ester de Lau. Het wachten is op het moment dat de betrokkenen daar klaar voor zijn. Ties van der Meer bevestigt dit, ook hij heeft contact met betrokkenen. 

Maximaal 5 procent kent donor

Kunstmatige inseminatie wordt vanaf de jaren vijftig toegepast in Nederland. Begin jaren tachtig stapten Nederlandse fertiliteitsklinieken over op ingevroren sperma. Voor die tijd gebruikten artsen vers zaad van doorgaans anonieme donoren. Ouders kregen van de arts vaak het dringende advies niet te vertellen dat het kind van een donor afstamde. Pas in de jaren ’90 werd een donorpaspoort ingevoerd, waarin uiterlijke kenmerken van de donor staan geregistreerd. Sinds 2004 is het niet langer mogelijk om anoniem te doneren en is de Wet donorgegevens en kunstmatige bevruchting in werking getreden. Sindsdien moeten klinieken registreren welke donor wanneer is gebruikt.  

Voor 2004 zijn er naar schatting tussen de veertigduizend en honderdtwintigduizend donorkinderen verwekt. Stichting Donorkind schat dat slechts 10 tot 20 procent van hen  weet dat zij via kunstmatige inseminatie verwekt zijn. Hiervan zou de helft op zoek zijn naar hun donor, en dáárvan zou de helft hem daadwerkelijk hebben gevonden. Dat komt erop neer dat 2,5 tot 5 procent van de donorkinderen weet wie zijn of haar biologische vader is. 

Artsen beschouwden het als hun beroepsgeheim de anonimiteit van hun donoren te waarborgen

Door de toegenomen aandacht voor het onderwerp vertellen steeds meer ouders het grote geheim aan hun kinderen, voegt De Lau toe: ‘Doordat in die klinieken in die jaren zoveel mis is gegaan, en dat nu langzaam naar buiten komt, komen er ook binnen gezinnen eindelijk gesprekken op gang. Vaak voelen kinderen al langer dat er iets niet klopt.’ 

Veel fertiliteitsklinieken in Nederland hebben de administratie, voor zover die er was, vernietigd. Artsen beschouwden het als hun beroepsgeheim de anonimiteit van hun donoren te waarborgen. Zo vertelt hersenonderzoeker Dick Swaab in het televisieprogramma Andere Tijden in 2019 hoe hij met zijn vader Leo Swaab, een beroemde vrouwenarts, alle dossiers in de open haard had gegooid. 

Stichting Donorkind dringt aan op een groot, onafhankelijk onderzoek naar de praktijken van artsen en gynaecologen in de periode voor 2004. Ook de Donor Detectives hopen daarbij te worden betrokken, en hopen daarbij ook op financiële steun van de overheid. Op dit moment doen ze hun werk met behulp van giften van donorkinderen. Dat steekt, zeker omdat FIOM wel van overheidswege wordt gefinancierd, maar slechts zeer beperkt van betekenis is bij het zoeken naar verwanten. 

Fiom laat in een reactie weten ook graag te zien dat de Donor Detectives vanuit de overheid subsidie zou krijgen en onderschrijft het belang van een groot, onafhankelijk onderzoek. 

Wanhoop in de wachtkamer

Vooralsnog onderzoeken ziekenhuizen misstanden bij inseminaties zelf. Op 3 november 2021 verscheen het rapport van de de onderzoekscommissie naar het handelen van gynaecoloog Wildschut bij fertiliteitsbehandelingen in het Sophia ziekenhuis (inmiddels Isala). Het ziekenhuis hoeft mensen, die in die periode door Wildschut zijn behandeld, niet actief in te lichten, meent de commissie. 

‘Ongelooflijk,’ vindt Van der Meer van Stichting Donorkind dat. ‘En het was ook tegen de zin van de groep mensen die al was gevonden. Het gaat opnieuw uit van de veronderstelling dat mensen niets willen weten van hun afkomst, en daar ook het recht toe hebben. Helaas is dat nog altijd een zeer hardnekkige overtuiging onder fertiliteitsartsen. En het zijn altijd gynaecologen, artsen, die dit soort onderzoeken uitvoeren. Dat moet anders.’ 

Ties van der Meer, Stichting Donorkind

Deze zaken beginnen altijd met één kind, dan blijken het vervolgens toch tientallen te zijn

Nederland is niet het enige land waar artsen hun eigen sperma voor inseminatie hebben gebruikt. Ook in Duitsland, de Verenigde Staten en Australië zijn door commerciële DNA-banken artsen als donor ontmaskerd. Nagel gaf als eerste arts in Nederland tot dusver een reactie: hij liet zich eerder deze maand interviewen door de Volkskrant. Hij vertelt dat hij van zijn leermeester Jan Kremer, een pionier in de voortplantingsgeneeskunde, op het hart kreeg gedrukt dat een donatie ‘geheim en anoniem’ moest zijn. 

Er is nu één kind aan Nagel gelinkt, via speurwerk in MyHeritage met hulp van de donordetectives. Van der Meer van Stichting Donorkind verwacht dat er in de toekomst meer kinderen aan deze arts gelinkt zullen worden. ‘Deze zaken beginnen altijd met één kind, dan blijken het er toch vijf en vervolgens tientallen te zijn.’ 

Nagel vertelt hoe in die jaren administratie en gegevens werden vernietigd, omdat dit onder het medisch beroepsgeheim zou vallen. Nagel vertelt over de wanhoop van vrouwen in de wachtkamer, dat het soms mis ging met de levering van het donorsperma en hoe hij dan te hulp schoot. 

Donordetective De Lau hekelt de verklaringen van Nagel. ‘Ook toen was dit absoluut ontoelaatbaar. Dat er in die jaren nooit hard bewijs gevonden is, omdat er technisch zoveel minder mogelijk was dan nu, is een ander verhaal. Die artsen deden het in de volle overtuiging dat het toch nooit uit zou komen. En we weten nu: alles zal boven tafel komen, daar ben ik van overtuigd.’ Ze benadrukt dat de focus van de Donor Detectives het vinden van vaders is, niet het jagen op foute artsen. ‘Maar ik weet zeker: we gaan ze allemaal vinden.’