Van Eerste Kamerleden verwacht je dat ze het woord voeren over zaken waarvan ze verstand hebben. En dat ze daarbij als volksvertegenwoordiger het algemeen belang boven hun eigen belang stellen. Maar is dat in de praktijk wel zo? Tweederde van de leden in de Eerste Kamer is woordvoerder over de sector waar ze daarbuiten zelf werkzaam in zijn. Vertegenwoordigen zij het volk, of hun broodheren?

    Ria Oomen is zeer vereerd. Het is een decembermiddag in 2015 en de doorgewinterde politica spreekt voor het eerst in de statige vergaderzaal van de Eerste Kamer. Oomen (68) zetelde eerder namens het CDA in de Tweede Kamer en het Europees Parlement, maar dit is toch de kroon op haar werk, zegt de kersverse senator: ‘Het mogen zijn van volksvertegenwoordiger is voor mij nog steeds een voorrecht.’ Het senatorschap ziet ze als ‘het reflecteren zonder de waan – of wellicht de meerderheid – van de dag op legitimiteit, uitvoerbaarheid en effectiviteit van wetgeving.’

    Niet voor niets wordt de Senaat liefkozend chambre de réflexion genoemd. In de groen gestoffeerde, houten bankjes vergaderen en stemmen de wijze senatoren als onafhankelijke geesten, zo is de gedachte. ‘Het mede vormgeven aan een samenleving die het beste voor heeft met de burgers van dit land’, zo luidt de opdracht volgens Oomen.

    Na deze prudente, inleidende woorden begint ze dan aan het echte inhoudelijke debat. Dat gaat over pensioenen; Oomen spreekt vooral over de btw die pensioenfondsen sinds januari 2015 moeten betalen over de uitvoeringskosten. Ze dient een voorstel in: of het kabinet kan onderzoeken of vrijstelling mogelijk is.

    De komende jaren debatteert Oomen vaker over pensioenen en fondsen. Steevast spreekt ze daarbij over deze btw-kwestie. In maart 2017 neemt ze het op voor de met name de kleine pensioenfondsen: ‘Je hebt namelijk aan de ene kant een aantal grote pensioenfondsen die door een vehikel geen btw hoeven te heffen. Aan de andere kant zijn er een aantal kleinere fondsen die dat probleem wel hebben.’

    ‘Het gaat mij om gelijke behandeling,’ zegt ze desgevraagd over haar voorstel. ‘Dat doe ik voor die mensen met een klein pensioentje die nu opdraaien voor meer uitvoeringskosten.’ Haar voorstel, benadrukt ze, werd door een meerderheid in de Senaat gesteund. ‘Dit is echt geen persoonlijke hobby van me.’ Sterker nog, haar eigen pensioen krijgt ze via het ABP, de club die geen btw hoeft te betalen.

    Van 54 procent van alle nevenfuncties is niet terug te vinden of deze bezoldigd zijn

    ‘Ik dien het algemeen belang, niet mijn individuele. Als ik toezichthouder van een hogeschool was, zou ik nooit het woord voeren over onderwijs.’ Daar ligt wat haar betreft de grens.

    Dat Oomen sinds juli 2014 naast haar baan als senator ook wordt betaald als bestuurslid van het Pensioenfonds Werk en (re)Integratie, een klein pensioenfonds dat nu btw moet betalen, maakt volgens haar de belangen niet individueel. Oomen wil haar bestuursvergoeding niet openbaren, maar dat is ook niet nodig: volgens het jaarverslag 2017 van het pensioenfonds kreeg Oomen vorig jaar 31.122 euro, ruim duizend euro meer dan haar vergoeding in de Eerste Kamer (jaarlijks 29.800 euro).

    Meerdere petten geen uitzondering

    Waar de grens tussen het algemeen of individuele belang precies ligt, is niet altijd duidelijk. Senatoren verschaffen hier zelf maar mondjesmaat inzage in. Financiële nevenbelangen zijn dan ook moeilijk in kaart te brengen. Zo is van ruim de helft (54 procent) van alle 439 nevenfuncties nergens terug te vinden of deze überhaupt bezoldigd zijn of niet. Het spreken met (mogelijk) twee of zelfs meerdere petten is hierdoor zeker geen uitzondering in de Eerste Kamer. 

    Follow the Money constateert dit op basis van een aangelegde database van senatoren waarin alle actuele nevenfuncties (en aanverwante informatie, zoals bezoldiging, functie en sector) zijn verzameld. Om deze database aan te leggen plozen we het register van de Eerste Kamer en het Handelsregister van de Kamer van Koophandel uit, lazen we jaarrekeningen en bestudeerden we debatverslagen.

    Wat blijkt: precies de helft van alle nevenfuncties die de senatoren hebben, overlappen met hun woordvoerderschap. Het gaat hierbij om in totaal 50 senatoren, wier nevenfunctie in dezelfde sector is als waarover hij of zij het woord mag voeren in de Eerste Kamer. 

    Deels is deze overlap te verklaren uit de achtergrond en vakkennis van de senator. Het is logisch om het woord te voeren over een onderwerp waarvan je verstand hebt. En juist specialistische kennis — mits goed ingezet — kan het een minister knap lastig maken tijdens het debat. Maar door de gebrekkige transparantie vanuit de Eerste Kamer zelf is het vaak niet duidelijk of er ook andere, mogelijk zelfs individuele financiële, belangen op de achtergrond meespelen. Opvallend is dat uit ons onderzoek blijkt dat bijna de helft van alle banen pas verkregen is ná de benoeming van de senator in kwestie. Senatoren blijken geliefd op de arbeidsmarkt.

    Onderzoeksmethode

    De afgelopen weken heeft Follow the Money een database aangelegd met daarin alle nevenfuncties van senatoren. Deze database zullen we aanstaande dinsdag, wanneer de Eerste Kamer terugkomt van het reces, publiceren.

    Om te kijken of een senator het woord voert over een sector waar hij of zij werkzaam is, zijn we als volgt te werk gegaan:

    • Per senator hebben we in kaart gebracht welke portefeuilles zij hebben in de fractie. Oftewel: over welke onderwerpen zij namens de fractie het woord voeren in de Eerste Kamer.
    • In de praktijk zijn dit beleidsterreinen (bijvoorbeeld Economische Zaken, Financiën) en geen sectoren zoals we die vinden op de arbeidsmarkt (bijvoorbeeld detailhandel en horeca). Om te voorkomen dat er appels met peren worden vergeleken, hebben we gekeken onder welke portefeuille de nevenfunctie valt. 
    • Zo valt een functie als bestuurder bij de publieke omroep onder de portefeuille van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap; een functie als voorzitter van de veelobby valt onder de portefeuille Landbouw en Natuur. De nevenfuncties die inderdaad overlappen met de portefeuille, zijn voorzien van een oormerk in onze database.

    Om het zo eenvoudig mogelijk te houden, hebben wij overlap gedefinieerd als volgt: ‘senatoren voeren het woord over een beleidsterrein waar zij werkzaam in zijn’.

    De aanwezigheid van overlap is overigens geen bewijs van belangenverstrengeling per se. Omdat veel senatoren niet aangeven of hun nevenfunctie bezoldigd is en het niet duidelijk is voor welke bedragen zij een functie vervullen (bijvoorbeeld een volledig jaarsalaris of alleen een onkostenvergoeding), is het moeilijk te zeggen in welke gevallen er sprake is van zowel een overlap als individuele financiële belangen.

    Tegelijkertijd dient ter nuancering te worden opgemerkt dat van de 439 functies enkele kunnen worden gezien als onafhankelijke expertise: denk aan een hoogleraar (12 functies) of een universitair docent (1 functie) die voor de fractie het woord voert over zijn of haar vakgebied. Als we deze observaties erbuiten laten – en dus de functies van hoogleraar en universitair docent niet mee rekenen – blijft het percentage van overlappende functies nagenoeg gelijk. 

    Ook is het belangrijk om te kijken naar de functies (als analyse-eenheid) in plaats van naar senatoren. Het feit dat iemand bijvoorbeeld hoogleraar is, betekent niet dat hij of zij er geen andere (betaalde) functies op nahoudt. Zo is voor Alexander Rinnooy Kan (D66) het hoogleraarschap slechts één van zijn 29 nevenfuncties (waarvan 17 bestuursfuncties). Omdat wij hebben gekeken naar de nevenfuncties en woordvoerderschappen (en of deze overeenkomen), kan niet worden uitgesloten dat senatoren (door bijvoorbeeld ziekte of conform fractieregels) het woord hebben overgenomen van hun collega’s, en hierdoor alsnog het woord voerden over een sector waaruit zij inkomsten ontvangen.

    Lees verder Inklappen

    Opvallende situaties

    Doordat senatoren het woord voeren tijdens debatten over sectoren waarin zij zelf werkzaam zijn, ontstaan er opvallende situaties. Zo debatteert CDA’er Marnix van Rij elk jaar weer over het belastingplan, maar is hij daarnaast senior belastingadviseur bij accountantskantoor EY.

    In juli 2018 hield Van Rij een warm pleidooi vóór de afschaffing van de dividendbelasting in het wetenschappelijke tijdschrift van het CDA, Christen Democratische Verkenningen. ‘Het CDA moet de rust bewaren en zich niet laten verleiden tot een sterk ideologisch gekleurd debat over het schandelijke grootkapitaal,’ schreef hij. Dit debat over de dividendbelasting moet ‘niet vanuit de principes van het CDA’ worden gevoerd, aldus de financieel woordvoerder van het CDA in de Senaat.

    Ook zijn collega Mart van de Ven (VVD) voert het woord wanneer het gaat over de fiscale maatregelen van het kabinet. Beide heren zijn niet alleen collega’s in de Senaat: ook Van de Ven is zelfstandig belastingadviseur — en ook hij komt uit het nest van EY. Zijn bedrijf, ‘Meester Mart’, lost ‘serieuze fiscale problemen op over uw inkomen, pensioen of bedrijf.’ Als voorbeelden ‘met een succesvolle afloop’ noemt hij onder andere ‘het voorkomen van het betalen van zowel omzetbelasting als overdrachtsbelasting bij de aankoop van een appartement’ en hij maakt ‘andere gunstige afspraken met de Belastingdienst’. Meester Mart ‘begeleidt en adviseert’ volgens de website overigens ook studenten die zijn uitgeloot voor een studie.

    Van de Ven’s CDA-collega Joop Atsma sprak afgelopen mei tijdens een debat over fosfaatrechten. ‘Nederland is een van de meest prominente landen ter wereld als het gaat om de melkveehouderij en zuivel’, betoogde hij gloedvol. ‘Wij hebben samen het doel volop perspectief te bieden.’ Hij had nog een mededeling: ‘Zo hebben zich ook exporteurs van vee, jonge vaarzen, bij ons gemeld.’ Met ‘ons’ bedoelt hij waarschijnlijk het CDA, maar het is verwarrend, want Atsma is sinds 2013 óók voorzitter van de Stichting Brancheorganisatie Kalversector. 

    Atsma laat desgevraagd weten dat ‘als er sprake is van een dubbel belang, dat vooraf wordt gemeld bij de CDA-fractie.’ ‘De kalversector komt eigenlijk nooit specifiek aan bod, maar als het aan de orde zou zijn, dan wordt dat bij de fractie van te voren ingebracht,’ zegt hij.

    Senatoren vinden regels voor senatoren onnodig

    Het senatorschap is een deeltijdfunctie; het is dus niet zo vreemd dat bijna alle leden van de Eerste Kamer er nevenfuncties of een hoofdbaan bij hebben. Maar het wordt ingewikkeld wanneer vele belangen in dikke kluwen door elkaar gaan lopen.

    Het Europese samenwerkingsverband voor preventie van corruptie, Greco, luidt al sinds 2013 de noodklok: de Nederlandse chambre de réflexion kent nauwelijks formele integriteitsregels. Er wordt in Nederland volledig uitgegaan van wederzijds vertrouwen en publieke controle. Desondanks zijn meerdere aanbevelingen van Greco niet overgenomen door de Senaat.

    Wel hebben fracties zelf de interne regels aangescherpt: senatoren van de PvdA mogen bijvoorbeeld niet meer het woord voeren over een bepaald onderwerp wanneer er sprake zou kunnen zijn van belangenverstrengeling. 

    Vrijwel alle partijen benadrukken hoe waardevol nevenfuncties zijn

    Maar wanneer kun je spreken van (de schijn van) belangenverstrengeling? ‘Politici zijn bij uitstek belangenvertegenwoordigers. Iedereen heeft ook belangen’, zegt parlementair historicus Bert van den Braak van het Parlementair Documentatie Centrum van de Universiteit Leiden. ‘Als jij een ouder bent en je kinderen krijgen studiefinanciering, dan wil je natuurlijk dat deze zo hoog mogelijk is.’ Dat soort belangen ‘an sich’ noemt hij geen probleem: ‘Dat wordt het wel als er niet zuiver mee wordt omgegaan. Als bijvoorbeeld niet duidelijk is welke belangen er spelen en wanneer volksvertegenwoordigers een direct voordeel hierbij hebben.’

    Tijdens het Senaatsdebat over het Greco-rapport, in juni 2014, benadrukten vrijwel alle partijen hoe waardevol nevenfuncties zijn. ‘Daardoor sta je midden in de samenleving’, zei Marijke Vos (GroenLinks). Over het politiek spreken met meerdere petten werd tijdens het debat niet al te veel gezegd: ‘De primaire verantwoordelijkheid met betrekking tot het omvangrijke begrip integriteit ligt bij de individuele senatoren’, aldus toenmalig senator Roger van Boxtel (D66).

    Gesloten deuren

    De vraag is of dit voldoende is. Is er echt geen sprake van belangenverstrengeling wanneer de volksvertegenwoordigers als woordvoerders van een fractie tevens debatteren over de sector waarin ze ook geld verdienen? Van den Braak: ‘Aan de ene kant kun je zeggen: “dit is goed, want die mensen hebben kennis van zaken”, maar dan moet men wel transparant zijn over hoe deze expertise wordt ingezet. Eigenlijk vindt de besluitvorming plaats binnen de fractie. Daar wordt bepaald welke standpunten worden ingenomen en dat is de plek om dat in goede banen te leiden.’

    Van den Braak vervolgt: ‘Soms komen deze zakelijke belangen overeen met politieke belangen. Zo trad tijdens de privatisering van de energiesector, in 1995, VVD’er Niek Ketting toe tot het Senaat. Hij was tevens directievoorzitter van de Samenwerkende Electriciteitsmaatschappijen. De VVD vond dit natuurlijk geen enkel probleem, want zij waren voor meer marktwerking — en dus ook privatisering. De kiezers zullen dit ook geen probleem vinden. Het wordt wel een probleem als er echt belangen worden nagestreefd die meer in de persoonlijke dan de partijpolitieke sfeer zitten.’

    Tijdens zijn maiden speech, zijn eerste toespraak in de Eerste Kamer, hield Paul Schnabel van D66 op 8 december 2015 een pleidooi voor een substantieel fonds voor het cultureel erfgoed. Hij constateerde dat een aantal musea de kosten van het behoud van de collectie niet konden betalen. Minister Jet Bussemaker van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap zei dat dit gold voor enkele musea zoals het Catharijneconvent in Utrecht. Schnabel: ‘Ik weet dat het om deze musea gaat. Dit speelt ook bij het Openluchtmuseum, maar op een wat andere manier.’ De minister veranderde nog niets aan haar beleid, maar beloofde ‘een vinger aan de pols te houden’.

    ‘Hier gaat het om openlijk gelobby’

    Schnabel was destijds toezichthouder bij het Catharijneconvent én voorzitter van de Raad van Toezicht bij het Openluchtmuseum in Arnhem. ‘Hier gaat het om openlijk gelobby: het is een debat over een concreet wetsvoorstel, met het doel een toezegging van de minister te ontlokken,’ zegt Van den Braak. Schnabel zelf noemt ‘het voor de hand liggen’ dat hij ‘als woordvoerder cultuur aandacht vraagt van de minister voor een probleem dat door de musea wordt gevoeld.’ En: ‘Van een directe verbinding met musea waar ik als toezichthouder of bestuurder bij betrokken ben, is geen sprake.’ Hij ontvangt voor deze functies geen vergoeding, benadrukt hij.

    Van den Braak wijst erop dat openlijke lobby in de Eerste Kamer een zeldzaamheid is en met name achter gesloten deuren plaatsvindt: ‘Het is ook moeilijk te achterhalen of door die inmenging van specifiek die senator het kwartje op de andere kant valt. Tegelijkertijd moet je lobby eerder buiten debatten zoeken, want in de fractie wordt tenslotte het standpunt bepaald.’

    Beïnvloeden tijdens het debat is lastig, zegt Van den Braak, omdat het ook binnen de partij opvalt als een senator ineens van fractiestandpunt verandert. Dergelijke beïnvloeding gebeurt dus vooral door middel van een kopje koffie met ambtenaren of een sms’je naar een minister. ‘Gaat een Eerste Kamerlid in de pauze naar een bewindspersoon om daar iets te bepleiten? Deze lijntjes zijn ook korter als de partij van een senator in de regering zit, en tegelijkertijd veel onzichtbaarder’.

    Uit data-onderzoek van de Volkskrantbleek in 2015 al dat de leden van de Eerste Kamer honderden keren met een dubbele pet stemden. Critici spraken in het artikel over ‘een groot democratisch probleem’ en verwezen naar gemeenteraadsleden en leden van de provinciale staten. Zij werken meestal ook deeltijd en mogen niet meestemmen over een wetsvoorstel als ze (zakelijk) zijn betrokken bij het onderwerp — juist om zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling te vermijden.

    De senatoren zelf vonden bijna allemaal dat dit soort regels niet nodig waren voor de Senaat, omdat het onder andere zou ingrijpen ‘in het vrije mandaat van politici om te stemmen’. Ze deden de suggestie van stemmen over een wet in je eigen sector en mogelijke belangenverstrengeling per definitie af als ‘onzin’. De fractie bepaalt hoe er wordt gestemd, luidde de argumentatie; die volgt doorgaans de lijn van de woordvoerder.

    Door een gebrek aan formele regels ontbreekt ‘elke stok achter de deur’ om zelfs maar de schijn van belangenverstrengeling te vermijden, zegt de Leidse hoogleraar staats- en bestuursrecht Tom Barkhuysen. Een eerste stap noemt hij al een goede registratie van nevenfuncties en een verbod om te stemmen over zaken waarbij senatoren persoonlijk betrokken zijn. ‘Voor gemeenteraden en provinciale staten geldt dat al. Waarom zou dat bij ons hoogste vertegenwoordigende orgaan niet kunnen? En logischerwijs voer je juist niet het woord over zaken waar je ook een belang in hebt.’ 

    Lobbyen voor broodheren

    Volksvertegenwoordigers moeten ‘zonder last’ kunnen stemmen. Artikel 67 van de Nederlandse Grondwet telt niet alleen voor Tweede Kamerleden, maar ook voor Eerste Kamerleden. Desalniettemin brengt het openlijk lobbyen voor broodheren senatoren soms wel, maar vaak ook niet in de problemen.

    Hans Wiegel (VVD)

    Politiek en bier gaan volgens de VVD-coryfee goed samen. Het sociale smeermiddel heeft hem, zo vertrouwde hij toe aan dagblad Trouw, geen windeieren gelegd: ‘Lobbyen gaat het beste als je persoonlijk met een minister om de tafel gaat zitten.’

    Hierin was hij niet altijd even succesvol. Als voorzitter van het Centraal Brouwerij Kantoor moest hij in 1999 de beperking van alcoholreclame dwarsbomen. Samen met collega-politici Hans Gruijters (D66, tevens Productschap voor Gedistilleerd) en Jan Kamminga (VVD, tevens Stichting Verantwoord Alcoholgebruik) ging Wiegel op bezoek bij toenmalig minister voor Volksgezondheid met 22 ‘verbetervoorstellen’. De sector zou de zichzelf reguleren en de regels vrijwillig aanscherpen. Toen een jaar later nog niets veranderd bleek te zijn, deed zich begin maart 2000 de situatie voor dat Hans Wiegel zich als senator moest uitspreken over een voorstel om deze beperking op alcoholreclame wettelijk te regelen. Hoewel hij jarenlang als volksvertegenwoordiger functies had bekleed in de biersector, besloot zich hij zich in 2000 terug te trekken als senator omdat zijn ‘maatschappelijke en politieke functies’ naar eigen zeggen onverenigbaar bleken. 

    Gijs van Hall (PvdA)

    Burgemeester Gijs van Hall (PvdA) sloeg op 13 december 1966 de eerste paal voor de Bijlmermeer. Het grondgebied was oorspronkelijk niet van Amsterdam, maar geannexeerd van de naastgelegen gemeente Weesperkarspel. Van Hall had zich hiervoor als senator voor de PvdA hard gemaakt en wist alle Amsterdamse Eerste Kamerleden aan zich te binden.

    Met succes: hoewel het kabinet van mening was dat de Bijlmermeer een aparte gemeente moest worden, kreeg van Hall het voor elkaar om het Amsterdamse belang te laten prevaleren boven partijposities.

    Lees verder Inklappen

    Warme pleitbezorgers

    Ons onderzoek wijst nu uit dat senatoren nog altijd vaak het woord voeren over een sector waarin ze ook een (bij)baan hebben. En ze zijn geliefd, de politici. Sterker: het lidmaatschap van de Eerste Kamer kan al snel een opstapje zijn naar een toezichthoudende of andere bestuurlijke functie. 46 procent van de (bij)banen is ná de benoeming van de senator in kwestie verkregen

    Illustratief voor de populariteit is de Stichting VNG Fonds voor Noodhulp, Wederopbouw en Ontwikkeling dat in 2017 werd opgericht door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, een grote lobbyclub. Maar liefst twee senatoren zetelen in het vierkoppige bestuur van deze stichting: Ton Rombouts van het CDA is voorzitter, Janny Vlietstra (PvdA) bestuurder. Volgens Vlietstra is dit ‘toeval’: ‘Er is gezocht naar oud-lokaal bestuurders die zijn of waren betrokken bij het internationale VNG-netwerk.’ Beide hebben deze functie overigens niet in het openbare register opgegeven.

    Of neem bijvoorbeeld Nuffic, een voor het grote publiek vrijwel onbekende non-profit organisatie die pleit voor ‘de internationalisering’ in het onderwijs en vooral wordt gesubsidieerd door de ministeries van Buitenlandse Zaken en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Als adviseur heeft Nuffic VVD-senator Jan Anthonie Bruijn ingeschakeld; zijn enthousiasme voor deze opdrachtgever is ook te horen in de vergaderzaal van de Eerste Kamer. ‘Hulde aan de minister voor de ruimte die zij geeft aan de nevenvestigingen voor transnationaal onderwijs,’ jubelde hij vorig jaar juni. In september 2015 promootte hij een richtlijn van Nuffic in de vergaderzaal van de Eerste Kamer. Letterlijk vroeg hij: ‘Is het mogelijk om het, door Nuffic in de landelijke standaard geadviseerde beheersingsniveau van de vreemde taal, door leraren te laten gebruiken als richtlijn bij het inspectietoezicht?’

    Bruijn stelt in een reactie dat het belangrijk is ‘ontzettend kritisch te kijken naar mogelijke belangenverstrengeling’. De hoogleraar immunopathologie, gespecialiseerd in nierziekten, zag er daarom vanaf zelf het woord te voeren bij het debat over de Wet op de orgaandonatie: ‘Met pijn in het hart, want ik denk dat ik de enige ben in de Senaat die dagelijks met dit onderwerp te maken heeft.’ Maar wanneer heb je een belang? ‘Dat moet je jezelf bij elk onderwerp en elk debat afvragen.’

    Rondom Nuffic ziet Bruijn geen conflicterende belangen. Al was het maar, zegt hij, omdat dit de enige club is die dit soort richtlijnen maakt. ‘Ik ben daar niet in dienst en krijg slechts een kleine onkostenvergoeding. Ik ben adviseur en geen leidinggevende of toezichthouder, dus heb ik geen direct belang.’

    Op de burelen van het CDA heeft Nuffic nóg een warm pleitbezorger gevonden en ditmaal gaat het wel om een toezichthouder: Senator Anne Flierman (sinds 2014 voorzitter van de Raad van Toezicht bij Nuffic) mengde zich in april 2016 in het debat over de Wet Doorstroming Huurmarkt. Hoe zat het met de kamers voor de internationale studenten? Bleven er wel voldoende over? Minister Blok van (destijds) Wonen op Binnenlandse Zaken, beloofde de CDA-senator te monitoren ‘of er in de sfeer van de verhuur van studentenkamers aan uitwisselingsstudenten een probleem ontstaat.’

    ‘Dit is het einde van de Eerste Kamer!’

    Zijn functie bij Nuffic is niet de enige waardoor de in 2009 beëdigde Flierman soms met meerdere stemmen spreekt in de Senaat praat. In mei 2013 werd de senator voorzitter van de Raad van Toezicht van het Streekziekenhuis Koningin Beatrix in Winterswijk. Desondanks bleef hij politieke debatten voeren over de zorg en over de privatisering van die zorg.

    Eind 2013 diende Flierman een voorstel in ‘ter bevordering van de spreiding van streekziekenhuizen’; een jaar later, in 2014, sprak hij over de Wet Normering Topinkomens (WNT) en dan vooral over investeerders in ziekenhuizen die rendement ontvangen zodra ze presteren. Ook zij worden betaald uit premies en collectieve middelen, merkte hij op: ‘Dat begrijp ik. Ik begrijp echter niet waarom het management, dat eindverantwoordelijk is voor een positief resultaat, wel wordt gemaximeerd in zijn beloning?’ Overigens verdiende een bestuurder van het streekziekenhuis waar hij toezichthouder was vorig jaar boven de WNT-norm.

    De zelfregulerende Senaat

    Tijdens Senaatsdebat over het wel/niet invoeren van strengere integriteitsregels in juni 2014 werd vooral besloten dat het best goed ging met de integriteit in de Eerste Kamer. Er kwamen een paar aanscherpingen van het Reglement van Orde, de huisregels van de Senaat. Zo is er een reis- en geschenkenregister gekomen, en moeten senatoren beschrijven in welke sector ze werken. Meer regels waren er niet nodig, aldus de politici. De club van wijzen spreekt elkaar wel aan, was de communis opinio.

    NRC-columnist Tom-Jan Meeus trof eind 2015 een zelfregulerende Senaat aan. Of nou ja, zelfregulerend: collega’s spraken schande van de vermeende lobby van een collega, te weten Anne Flierman van het CDA. Het debat betrof de Wet Stroom, onderdeel daarvan was de splitsing van de energiemarkt. Het idee: bedrijven mogen niet langer beheerder van stroomnetten zijn en tegelijk stroom produceren. Nuon en Essent waren voor, want die waren al eerder gesplitst. Delta en Eneco, die nog niet waren gesplitst, waren tegen. Van alle kanten werd al maanden flink gelobbyd.

    Een voorstel van de SP en het CDA tegen de splitsing werd door een meerderheid van de Senaat aangenomen. Toen bleek plots dat Flierman, de senator van het CDA die ook het woord voerde over stroom, commissaris was bij Cogas. En Cogas is een netbeheerder die soms ook wat stroom produceert en dus niet stond te springen om een splitsing. Pure lobby, stelden enkele senatoren in de NRC-column. Annemarie Jorritsma (VVD) riep volgens Meeus verontwaardigd vanuit de bankjes: ‘Dit is het einde van de Eerste Kamer!’


    Frank de Grave

    "Je moet wel elke schijn van belangenverstrengeling vermijden"

    Maar diezelfde Jorritsma trad vier maanden later toe tot de raad van commissarissen van Alliander, een netwerkbeheerder die juist weer vóór de veelbesproken splitsing is. En afgelopen december, tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, verdedigde Jorritsma als fractievoorzitter van de VVD in de Senaat de afschaffing van de dividendbelasting. Daarbij voerde ze al vrij snel vooral het woord namens de investeerders: ‘Het zijn mensen die investeren die daar last van hebben’, zei ze over de dividendbelasting. ‘Wij vinden het verdedigbaar dat je dat oplost.’

    Jorritsma is ook voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Participatiemaatschappijen (NVP), zeg maar gerust: investeerders. Tijdens de formatie schreef de NVP een brief naar informateur Gerrit Zalm, een pleidooi voor een gedeeltelijke afschaffing van de dividendbelasting. Bij haar aantreden bij de NVP in september 2015 wond Jorritsma er al geen doekjes om. Zo zei ze in het vakblad Faces: ‘Ik wil voorkomen dat we een wetgeving krijgen die het participatiemaatschappijen moeilijker maakt om in Nederland te opereren.’ Dat staat los van haar baan als senator, zei ze zelf, omdat ze ‘geen moeite heeft’ neutraal te zijn.

    Jorritsma laat bij monde van een woordvoerder weten dat ‘het [zo] kan zijn dat een van de leden in het dagelijks leven een functie heeft die raakt aan een onderwerp dat in het debat wordt besproken. In dat geval kijken we of een van de andere leden het debat kan doen of spreken we vooraf af dat we daar duidelijk over zijn.’ Ook geeft Jorritsma aan dat er actief wordt gezocht naar een balans, want ‘soms hebben leden van de Eerste Kamer kennis die relevant is voor het debat. Het zou zonde zijn om die kennis dan niet te benutten. De Eerste Kamer is tenslotte een nevenfunctie en van de leden mag worden verwacht dat zij daarnaast met beide benen in de samenleving staan.’

    Een dubbele pet knelt aan twee kanten

    Jorritsma’s VVD-collega Frank de Grave was tot voor kort toezichthouder bij de ING, en spreekt elk jaar bij de financiële beschouwingen. Voor zover wij konden achterhalen is hij echter wel de enige die dat als disclaimer vermeldde, tijdens een debat in 2016: ‘Volgens de VVD schieten we weinig op met alleen het bekritiseren van het bankwezen,’ sprak hij. Om na zijn positieve betoog te vertellen: ‘Ik ben lid van de Raad van Toezicht van ING Nederland op voordracht van de centrale ondernemingsraad. Vandaar dat ik de passage over de financiële sector die ik net heb voorgelezen met nadruk is voorgelegd aan en besproken met de VVD-fractie.’

    Het kamerlidmaatschap is een baan van 10 uur per week, verklaart ook De Grave, ‘dus moet je drieënhalve dag ernaast werken. Dat heeft absoluut een meerwaarde, omdat je zo als senator wat afstand houdt van de dagelijkse politieke praktijk.’ Dát maakt de Senaat volgens hem juist anders dan de Tweede Kamer: ‘Maar je moet wel elke schijn van belangenverstrengeling vermijden. Dat vereist absolute transparantie.’ In een disclaimer tijdens een debat, bijvoorbeeld. Alleen zo kan de senaat, zegt hij, zichzelf corrigeren. 

    ‘Ik verdedig tot aan mijn dood de combinatie van al mijn functies’

    Soms is het onduidelijk of senatoren elkaar aanspraken als senator of als concurrent. Zo was PvdA-senator Margriet Meindertsma in 2011 van mening dat fractievoorzitter Elco Brinkman van het CDA in de Eerste Kamer moest opstappen als voorzitter van de bouwlobby, Bouwend Nederland, om dubbele agenda’s te voorkomen. Maar zelf was zij op het moment dat ze deze oproep deed voorzitter van de Raad van Commissarissen bij bouwbedrijf Moes. Meindertsma vond echter dat dit risico van een dubbele agenda niet voor haar opging: ‘Ik ben geen fractievoorzitter die prominent lid is van de eigen partij en deel uitmaakt van wekelijkse overlegsituaties van de partijtop.’ 

    Ook Brinkman zag en ziet geen enkel probleem: ‘Ik verdedig tot aan mijn dood de combinatie van al mijn functies,’ verklaarde hij destijds aan het Financieele Dagblad. Daar staat hij nog steeds achter, al levert dat soms merkwaardige situaties op. In 2013 stemde hij als senator tegen het Woonakkoord, maar als voorzitter van Bouwend Nederland was hij wél enthousiast over het akkoord tussen het kabinet en oppositiepartijen D66, de ChristenUnie en de SGP. Een kwestie van ‘te veel petten’, schreef oud-leider Wouter Bos van de PvdA in een Volkskrant-column. Als Brinkman ‘politicus in Afrika was geweest, hadden we woorden als ‘bananenrepubliek’ of ‘corruptie’ niet geschuwd.’

    Volgens de CDA-senator ‘ettert’ de discussie over de meerdere petten maar door. Juist hij was ‘objectief’, zegt hij, door tegen de wil van Bouwend Nederland te stemmen. ‘In de Eerste Kamer spreken we alleen over algemene regelingen, dus je kunt helemaal geen individuele bedrijven bevoordelen of zoiets. Hier gebeuren geen stiekeme dingen.’ De nevenfuncties zijn een pre, stelt hij: ‘Het is heel belangrijk dat senatoren hun ervaring in het debat inzetten. Het is toch heel gek om niet te mogen spreken over de bouw of de zorg, terwijl jij daar juist ervaring in hebt?’

    Maken senatoren juist gebruik van hun expertise op transparante wijze, of fungeren ze als de nood aan de man komt als doorgeefluik van de wensen van de organisatie waarvoor ze werken? ‘Je kunt zeggen: niks aan de hand, het mag en goed dat de senaren de de zaken zelf proberen te scheiden,’ zegt hoogleraar staats- en bestuursrecht Wim Voermans van de Universiteit Leiden. Of je kunt constateren dat het wel heel kwetsbaar is om het zo te doen, want het laadt de schijn van partijdigheid en belangenverstrengeling op zich. Zijn de regels die de Eerste Kamer zichzelf hierover stelt eigenlijk wel streng genoeg? Is de controle wel goed geregeld? Nu komt het toch vooral op de leden zelf aan om dit te controleren.’

    Komende dinsdag, 11 september, publiceren we het derde deel in dit onderzoek. Daarin presenteren we onze database en zullen inzichtelijk maken in welke sectoren Eerste Kamerleden actief zijn. Maar ook: wat voor soort functies vervullen zij precies? En staan zij inderdaad met ‘twee benen in de samenleving’, zoals ze zelf vaak beweren?

    Wederhoor

    We hebben alle betrokken senatoren benaderd en hun reacties in het artikel verwerkt. Anne Flierman en Marnix van Rij hebben we via hun voorlichter benaderd. Die liet weten dat Elco Brinkman, die we zelf al hadden gesproken, namens hen het volgende zegt: dankzij de nevenfuncties staan Eerste Kamerleden ‘midden in de samenleving en kunnen zij vanuit een brede maatschappelijke betrokkenheid hun bijdrage leveren in de Chambre de réflexion.’ CDA’ers spreken altijd namens hun fractie, aldus Brinkman: ‘De functies van de Eerste Kamerleden zijn openbaar.’

    CDA-senator Ria Oomen hebben we voorgelegd dat haar beloning bij het Pensioenfonds Werk en (re)Integratie openbaar is en 31.122 euro bedraagt. We vroegen haar nogmaals of ze vond dat ze geen belang had. ‘Het gaat in mijn voorstel om gelijke behandeling, niet van fondsen, maar van deelnemers.’ Ze wijst erop dat het PWRI-jaarverslag ook meldt dat de kosten van pensioenbeheer per deelnemer door de invoering van de BTW-verplichting met 9 euro is gestegen. ‘Bij fondsen met een eigen uitvoeringsorganisatie is de deelnemer beter af omdat daar geen btw is. Een ongelijke behandeling dus.’

    Senator Oomen noemt het ‘nonsens’ dat PWRI zal profiteren van haar voorstel. ‘Een pensioenfonds is geen financiële instelling, maar opgericht door werkgevers en werknemers om de belangen van de deelnemers te behartigen. ‘Het feit dat ik kennis heb van de sector kan en moet in in de senaat gebruiken.’

    Lees verder Inklappen

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Dieuwertje Kuijpers

    Gevolgd door 710 leden

    Geopolitiek junkie. Statistiek-pieler. Niet geïnteresseerd in politieke poppetjes, wel in mechanismes die deze voortbrengen.

    Volg Dieuwertje Kuijpers
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Over de auteur

    Kim van Keken

    Gevolgd door 509 leden

    Onderzoeker & straatrat. Struint het liefste Nederland door op zoek naar de mooiste verhalen. Controleert ook graag de macht.

    Volg Kim van Keken
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    De #Lobbycratie

    Gevolgd door 786 leden

    Leven we in een lobbycratie of is lobbyen een wezenlijk element van een gezonde democratie? Zeker is dat de lobbywereld wordt...

    Volg dossier