© CC0 (Publiek domein)

    Vorige week besprak Niko Roorda wat de ware kosten van verschillende vormen van energie zijn, en gaf hij een paar argumenten tegen het gebruik van kernenergie. Vandaag deel twee van dat hoofdstuk, want de argumenten waren nog niet op. Hoe ruim je bijvoorbeeld de troep op?

    Eerst even een mededeling: 

    Vanaf nu worden de afleveringen van mijn boek een tijdje in een hoger tempo gepubliceerd. Voorheen ging dat in een tempo van 1 aflevering per twee weken. Maar daar red ik het niet mee, want er is al zoveel geschreven dat de publicaties achter gingen lopen. (Ik schrijf te snel, lijkt het. Maar er is ook zoveel te vertellen.) Daarom is de redactie van Follow the Money akkoord gegaan met mijn voorstel om een tijdlang, in ieder geval tot de kerst, het tempo op te voeren naar eens per week. In december kijken de redactie en ik hoe het vanaf januari verder gaat.

    Tegelijk met de invoering van het hogere tempo wordt de publicatiedag verschoven van vrijdag naar zondag, dat past beter in het totale publicatiebeleid van FTM.

    Laat in het forum maar even weten, als je wilt, wat je van de veranderingen vindt.

    Nu naar de nieuwe tekst. Die beschrijft het vervolg van mijn onderzoek naar de echte kostprijs van kernenergie. Dat verhaal begon in de vorige aflevering, gepubliceerd op zondag 30 september. Ik wil je verzoeken om, voordat je aan het vervolg begint, eerst nog even terug te kijken naar die vorige aflevering, zodat je de ‘verhaallijn’ weer even helder in je geest hebt. Bijvoorbeeld het absurde rekenvoorbeeld van Frenkie, zijn vader Peter en het pistool ‘dat op sgerp staat’. Kijk ook nog even, alsjeblieft, naar de inleiding op de beschouwing waarin ik laat zien dat er wel vijf verschillende redenen zijn waarom de berekeningen van kostprijzen en risico’s van kernenergie ondeugdelijk zijn. De eerste twee redenen gaf ik je de vorige keer. Als je die weer in je hoofd hebt, ben je helemaal klaar voor reden 3 tot en met 5.

    3.2.2.3 (vervolg). De echte kosten van energie: deel 2

    Reden 3. Het berekende financiële risico van een kernramp is betekenisloos.

    Is het zinvol om voor de geraamde kosten van de kans dat Frenkie zichzelf doodschiet een reservering te maken van 1 cent per dag? Natuurlijk niet. Is het zinvol om voor de geraamde kosten van een megaramp een reservering te maken van 30 cent of 3 euro per megawattuur? Net zomin, vanzelfsprekend. Dat komt in beide gevallen doordat het begrip ‘risico’ verkeerd wordt geïnterpreteerd.

    In het dagelijks leven wordt een risico berekend, bijvoorbeeld door verzekeringsmaatschappijen, door een inventarisatie te maken van alle mogelijke soorten schade. Voor elk daarvan wordt de kans geschat en de bijbehorende financiële kostenpost geraamd. Die twee getallen worden met elkaar vermenigvuldigd, waarna de uitkomsten worden opgeteld.

    Rekenvoorbeeld

    Een verzekeringsmaatschappij biedt al jaren een fietsverzekering. Om de jaarpremie daarvan (opnieuw) te bepalen wordt eerst het financiële risico vastgesteld. 

    De verzekering keert uit bij twee soorten schade: diefstal en beschadiging.

    Uit praktijkervaring is bekend dat de kans dat een verzekerde fiets in een bepaald jaar gestolen wordt 10% is. Het uit te keren bedrag is dan gemiddeld 400 euro. Dat betekent dat het diefstalrisico voor de verzekeringsmaatschappij 0,10 maal 400 euro is, dus 40 euro.

    Ook is empirisch vastgesteld dat de kans op beschadiging van een verzekerde fiets in een bepaald jaar 15% is, waarbij de gemiddelde schade 120 euro is. Het beschadigingsrisico is dus 0,15 maal 120 euro, dat is 18 euro.

    Het totale risico is de optelling van die bedragen, dus: 40 + 18 = 58 euro.

    Als er bij deze maatschappij 80.000 fietsen verzekerd zijn, dan is de verwachte uitkering van schades 80.000 maal 58 euro, dat is 4.640.000 euro per jaar.

    Wanneer nu de verzekeringspremie wordt vastgesteld op 72 euro per jaar, levert dat 80.000 maal 72 euro = 5.760.000 euro op, zodat de verwachte winst bedraagt: 5.760.000 – 4.640.000 = 1.120.000 euro per jaar.

    Lees verder Inklappen

    Nu geldt in de statistiek de welbekende Wet van de Grote Aantallen. Tachtigduizend verzekerde fietsen is een behoorlijk aantal, ruimschoots groot genoeg voor statistische berekeningen. Als de gegevens in de bovenstaande berekening juist zijn, dan zal het uit te keren schadebedrag vast en zeker redelijk in de buurt liggen van 4,64 miljoen euro per jaar: het ene jaar wat meer, het andere jaar wat minder, maar nooit extreem afwijkend. En dus zal de winst, met de gekozen premie, ruim een miljoen per jaar zijn. Met zulke gegevens kun je probleemloos een gezond bedrijf runnen.

    Maar stel nu eens dat het om slechts 8 verzekerde fietsen ging in plaats van 80.000: vier nullen minder. Waarbij de fietsen per stuk 10.000 keer zo duur zijn, vier nullen meer: wellicht gaat het om gouden fietsen of om door Salvator Dali beschilderde exemplaren. Daardoor is de uitkering bij diefstal nu 4.000.000 euro en bij beschadiging 1.200.000. Als gevolg daarvan is het verwachte schadebedrag per fiets 580.000 euro: vier nullen meer dan in het rekenvoorbeeld.

    De verwachte uitkering van schades is daarmee onveranderd, want 8 maal 580.000 euro is evenveel als 80.000 maal 58, namelijk nog steeds 4.640.000 euro.

    Maar hoe zinvol is dat bedrag nu? Volstrekt niet zinvol, vanzelfsprekend. Want de aantallen fietsen zijn veel te klein voor de Wet van de grote Aantallen, en daardoor zijn flinke toevallige fluctuaties mogelijk. Wellicht hoeft er gedurende vijf of zelfs vijftien jaar geen enkele schade vergoed te worden. In dat geval rekent de verzekeraar zich rijk, wentelt zich in champagnezwembaden en koopt jachten en kastelen, want hij strijkt jaar na jaar de premies op zonder enige kosten. Maar het kan goed zijn dat er opeens in één jaar tijd wel zes fietsen worden gestolen, waardoor er in dat boekjaar 6 maal 4.000.000 euro uitbetaald moet worden: 24 miljoen! Als dat gebeurt is er een aanzienlijke kans dat de verzekeringsmaatschappij (als dit de enige activiteit is) failliet gaat, het personeel ontslagen wordt en de kastelen bij opbod geveild. Alles kapot!

    Een dergelijke verzekering kan nooit de basis zijn voor een gezonde bedrijfsvoering en een stabiele onderneming. Zo’n verzekering op de markt brengen is puur gokwerk.

    Een risicoberekening is alleen zinvol als het gaat om schades die niet overweldigend groot zijn; en om gebeurtenissen die voldoende vaak optreden, zodat extreme toevallige schommelingen onwaarschijnlijk zijn. Een risicoberekening die niet aan deze eisen voldoet is een foute toepassing van de statistiek.

    Reden 4. De niet-financiële schade van een ramp wordt genegeerd. 

    Kennelijk is Peter gewend om alles wat voor hem waardevol is, in geld uit te drukken. Maar gevreesd moet worden dat de immateriële schade vele malen belangrijker is dan de financiële strop. Zou Peter werkelijk tevreden glimlachen om zijn reservering ten behoeve van de uitvaartkosten, nadat zijn zoontje Frenkie zichzelf op vijfjarige leeftijd speels door het hoofd geschoten heeft?

    Zouden ontheemde Duitse burgers, bivakkerend in tentenkampen en rouwend om hun verloren familieleden na een grote ramp in een kerncentrale die in het versnelde sluitingsprogramma helaas nog net niet aan de beurt was, hun regering prijzen omdat die de eigenaar van de centrale aansprakelijk stelt voor één 5600e van de schade — een bedrag dat overigens niet opgebracht wordt, aangezien die eigenaar en zijn verzekeringsmaatschappij allebei terstond failliet verklaard worden?

    Reden 5. De kans op een ramp is niet de enige schade.

    Er is nog een andere belangrijke component van de kostprijs van kernenergie die reusachtig wordt onderschat. Echter, die genegeerde kosten betalen wij niet zelf: die zullen worden opgebracht door verre toekomstige generaties — of ze dat willen of niet. Want zij zullen moeten zorgen voor wat wij thans over hun schutting gooien: het nucleaire afval.

    Alle kerncentrales veroorzaken radioactief afval. Enerzijds komt dat voort uit afgewerkte splijtstofstaven (na enkele rondes van herverrijking, ‘reprocessing’), anderzijds uit de tijdens de energieopwekking radioactief geworden constructiematerialen van de reactor. 

    De gevaarlijkste delen van het kernafval, waaronder de splijtstofstaven, worden ‘high-level waste’ (HLW) genoemd. HLW is dermate hoogradioactief dat het spul actief gekoeld moet worden om te voorkomen dat het samen met zijn bekisting en opslagruimte spontaan in brand vliegt, dan wel smelt en wegvloeit (naar opzij of dwars door de smeltende bodem omlaag).

    Sommige elementen in deze HLW zijn ‘slechts’ enkele honderden jaren extreem gevaarlijk: bijvoorbeeld strontium-90 en cesium-137. Andere, waaronder plutonium-239 en neptunium-237, blijven dodelijke radioactieve straling uitzenden gedurende honderdduizenden tot miljoenen jaren.

    De eerste commerciële kerncentrale ging in 1956 van start: de Calder Hall-reactoren van Windscale in Cumberland, Engeland. Ruim zes decennia later, in april 2018, zijn 449 kerncentrales operationeel, nog eens 58 in opbouw, en 154 gepland. Samen produceren die enorme hoeveelheden HLW. In 2009 werd gemeld dat de hoeveelheid HLW uit splijtstofstaven jaarlijks met 12.000 ton toenam. Het International Atomic Energy Agency (IAEA) meldde in 2018 dat er in 2013 wereldwijd zo’n 370.000 ton hoogradioactief afval was opgeslagen. Tijdelijk.

    Tijdelijk, want nog altijd, tot op de dag van vandaag, is geen milligram HLW definitief opgeborgen. Alle HLW, waar ook ter wereld, ligt in voorlopige opslagplaatsen, verpakt in glas, staal en beton, wachtend op een definitieve oplossing. Het vinden daarvan valt niet mee, want: hoe verzeker je dat afval dat honderdduizenden jaren dodelijk gevaarlijk blijft, veilig blijft opgeborgen tot zeer lang nadat je er zelf niet meer bent?

    Het meest voor de hand liggende idee is om het afval ergens heel diep te begraven, bijvoorbeeld een kilometer onder de grond. Tal van landen bestuderen die optie. Zo maakten de Verenigde Staten ambitieuze plannen voor een definitieve opslagplaats, diep onder Yucca Mountain in Nevada. Er werden gangen en grotten uitgegraven als voorbereiding op de komst van 77.000 ton HLW, totdat geconstateerd werd dat de locatie vanwege seismische activiteit volstrekt niet veilig is. Tussen 1976 en 1996 vonden er binnen een straal van 80 km van Yucca Mountain 621 aardbevingen plaats met een magnitude van meer dan 2,5; er bestaat een reëel gevaar dat ergens in de toekomst grondwater na een aardverschuiving de grotten binnen zou kunnen stromen. In 2011 staakte president Obama de voorbereidingen, en hoewel zijn opvolger pogingen onderneemt om die beslissing terug te draaien, is er momenteel in de VS geen enkele definitieve opslagplaats in voorbereiding.

    Het verst gevorderd is Finland, waar sinds 2004 op 500 meter diepte onder het eiland Olkiluoto een opslagbunker met de naam Onkalo wordt uitgegraven en geconstrueerd. Het is de bedoeling dat de opslagactiviteiten ergens na 2020 beginnen en doorgaan gedurende circa honderd jaar. Na afsluiting en verzegeling rond het jaar 2120 wordt de opbergplaats van beton en staal verondersteld honderdduizend jaar intact te zullen blijven. Of die veronderstelling juist is, is moeilijk na te gaan, aangezien de vermoedelijk oudste thans nog bestaande menselijke constructie, de Cairn van Barnenez in Bretagne, Frankrijk, nog geen zevenduizend jaar oud is. Is het denkbaar dat hedendaagse mensen in staat zijn om een structuur te bouwen die tenminste vijftien keer zo lang intact blijft? En: is honderdduizend jaar wel genoeg?

    In Nederland zijn de experts daar niet zo zeker van. Een adviescommissie (COVRA) gaf in 2017 de voorkeur aan ondergrondse opslag, maar dan niet in diepe rotsgrond (dat in een verre toekomst breuken zou kunnen vertonen) maar liever in flexibele ‘Boomse klei’ op enkele honderden meters diepte, waarin het volgens de COVRA voor minstens een miljoen jaar stabiel ligt, ondanks de geformuleerde verwachting dat de vaten waarin het afval begraven wordt in de loop van de komende duizend eeuwen zullen corroderen en openbarsten.

    De commissie adviseerde evenwel om een beslissing over de Nederlandse HLW, die momenteel in een gebouw in Zeeland wordt bewaard, langdurig uit te stellen. In navolging van hun aanbevelingen schreef staatssecretaris Veldhoven aan het parlement: ‘De definitieve besluitvorming over eindberging zal pas rond 2100 plaatsvinden en eindberging is in Nederland voorzien vanaf 2130.’

    De kosten

    In de meeste landen, onder meer in de EU en de VS, is het wettelijk verplicht om de toekomstige kosten van de ontmanteling (‘decommissioning’) van kerncentrales en de opslag van afval door te berekenen in de kostprijs van de kernenergie per MWh. Maar hoe realistisch zijn die ramingen?

    De al genoemde Nederlandse commissie COVRA maakte een schatting van de kosten die met tijdelijke opslag tot 2130 gemoeid zijn, plus de kosten voor de definitieve opslag daarna, en becijferde hoe die kosten verwerkt kunnen worden in de prijs per MWh van de geleverde energie. Daarbij werden aannames gemaakt, onder meer over de arbeidskosten tussen nu en 2130 en over het rendement van kapitaal dat in die periode belegd wordt, dat ervoor moet zorgen dat het opzijgelegde geld voldoende aangroeit. 

    Helaas kan een dergelijke kostenschatting nooit meer zijn dan een wilde gok. De huidige kostprijs berekenen op grond van zulke verwachtingen is om meerdere redenen onverantwoordelijk en pervers.

    Maar het is nog veel erger. Deze perversiteiten betreffen uitsluitend de ‘korte’ termijn van meer dan een eeuw. Het grote dilemma van iedere permanente opslagplaats is natuurlijk: moet je hem in de verre toekomst blijven monitoren, of niet? Als niemand erop past, zijn er twee manieren waarop het helemaal mis kan gaan. Enerzijds kan het afval door natuurlijke oorzaken in contact komen met de biosfeer, dus met de natuurlijke of de menselijke leefomgeving. Anderzijds kan de site door mensen verstoord worden: hetzij door onschuldige onwetenden, hetzij door terroristen of oorlogstroepen. Wie kan zeggen hoe de mensenwereld er honderd, duizend of tienduizend jaar na nu uitziet?

    Het is uitermate belangrijk om de toekomstige periode waarin radioactief afval opgeslagen is in een goed historisch en futuristisch perspectief te plaatsen. 

    De drukpers werd ruim vijfhonderd jaar geleden uitgevonden. Over vijfhonderd jaar is ons afval nog steeds levensgevaarlijk.

    Het wiel werd 5500 jaar geleden voor het eerst uitgevonden. Over 5500 jaar is ons afval nog steeds levensgevaarlijk.

    Twaalfduizend jaar geleden werd voor het eerst landbouw ingevoerd: in Mesopotamië, in westelijk Azië. Over twaalfduizend jaar is ons afval nog steeds levensgevaarlijk.

    De oudste ons bekende kunst is veertigduizend jaar oud: het gaat om tekeningen gevonden op Sulawesi, Indonesië. Over veertigduizend jaar is ons afval nog steeds levensgevaarlijk.

    De beheersing van het vuur werd enkele honderdduizenden jaren geleden ontdekt. Pas enkele honderdduizenden jaren na nu is de dodelijkheid van ons afval aanzienlijk afgenomen (doch nog niet nul). 

    Maar dit zijn slechts woorden, allemaal woorden. Die maken voor slechts weinig mensen intuïtief duidelijk waar het echt om gaat. Een krachtige poging om dat wel te bereiken werd gedaan door regisseur Michael Madsen in zijn documentairefilmInto Eternity: A Film for the Future (2010). Zo’n zelfde gevoelsmatig effect probeert dit boek enigszins te bereiken met figuur 3.10.

    Zou het werkelijk zo zijn, zoals de nucleaire industrie ons geruststellend verzekert, dat wij in staat zijn om onze rommel zodanig over de schutting van de toekomst te gooien dat de komende tienduizend generaties daar nóóit meer naar hoeven te kijken en er nimmer schade van gaan ondervinden? Vanzelfsprekend valt dat niet te garanderen. Hoe hoog zullen de kosten zijn als men duizenden jaren lang noodgedwongen onze rotzooi zal blijven bewaken? Erger nog: mag je wel verwachten dat toekomstige generaties over voldoende kennis en technologie beschikken om dat te doen?

    Het is goed om te bedenken dat de beschavingen die het langst in een aaneengesloten periode overeind zijn gebleven — de Egyptische en/of de Chinese — het niet meer dan vijf- tot zevenduizend jaren hebben volgehouden: de schatting van hun levensduur is afhankelijk van hoe je ‘beschaving’ definieert. Alleen al de gedachte dat de huidige beschaving de komende honderdduizend jaar onafgebroken kan blijven bestaan getuigt van hybris: hoogmoed. Zelfoverschatting.

    En dus is de conclusie onafwendbaar:

    In eerdere publicaties (bijvoorbeeld in mijn Basisboek Duurzame Ontwikkeling, 3e editie, 2015 en in Fundamentals of Sustainable Development, 2e editie, 2017) beschreef ik een ‘vuistregel voor het nemen van beslissingen’. Bij wijze van voorbereiding op die vuistregel zijn hier eerst een paar definities ontleend aan dezelfde bron. 

    Consequentieperiodes kunnen sterk verschillen, variërend van minuten tot vele millennia. Als je kiest tussen een kop koffie of een kop thee, is de consequentieperiode van je beslissing pakweg een kwartier: daarna is het kopje leeg. Als je een onderwerp kiest voor een studentenstage, is de consequentieperiode een paar weken tot een half jaar, afhankelijk van de stageduur. Maar misschien is de periode ook wel veel langer, als de keuze je hele verdere loopbaan beïnvloedt. De consequentieperiode van de aanleg van een spoorlijn is minstens een eeuw.

    Volgens berekeningen zal het stralingsniveau van ons HLW over driehonderdduizend jaar gedaald zijn tot dat van natuurlijk uranium. Dat betekent, dat de consequentieperiode van de beslissing om kernenergie in te zetten even groot is als de huidige leeftijd van de mensheid, die eerder in dit boek werd opgegeven als circa driehonderdduizend jaar.

    De vuistregel luidt:

    De toetsing van het laatste criterium is niet moeilijk uit te voeren. De keuze om kernenergie toe te passen is geen goede beslissing.

    Tenslotte

    Ben jij persoonlijk een voor- of tegenstander van kernenergie? Laat in het forum weten waarom. Daarbij zou ik graag zien dat je de ‘5 redenen’ die ik heb opgeschreven bij je overwegingen betrekt, dan kan er een degelijke inhoudelijke discussie staan.

    Ken je mensen die een duidelijke mening hebben over kernenergie (of die zo’n mening naar jouw idee zouden moeten ontwikkelen)? Wijs ze op de twee afleveringen: die van vorige week en die van nu. Als dat interessante groepsdiscussies oplevert, doe daarvan dan verslag in het forum, dat zou heel boeiend zijn. 

    Ken je politici, bijvoorbeeld leden van de Tweede of Eerste Kamer die hiermee bezig zijn? Idem, met des te meer reden. Kijk eens of mijn twee afleveringen kunnen gaan rondzoemen, dat zou mooi zijn! Als er voldoende aanleiding voor is, kom ik graag ergens naar toe om life met mensen in gesprek te gaan. Laat het me weten, stel het me voor: in het forum of via de email van FtM.

    Volgende week schrijf ik over de ‘echte’ kostprijs van een paar andere producten / diensten. Prettige zondag.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Niko Roorda

    Gevolgd door 524 leden

    Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

    Volg Niko Roorda
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren
    Dit artikel zit in het dossier

    Een duurzame economie

    Gevolgd door 843 leden

    Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

    Volg dossier