Een duurzame economie

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws is dat dat mogelijk is, als de economie een echte wetenschap wordt. Maar daar is nogal wat voor nodig. Een omslag in denken, om te beginnen. En een boek. Lees meer

Onze wereld wordt geteisterd door grote structurele problemen. Klimaatverandering, armoede, instortende economieën, om er een paar te noemen. We beschikken over tal van middelen om deze op te lossen. Dat de problemen desondanks blijven bestaan, is volgens wetenschapper Niko Roorda een kwestie van economie. Vrijwel alle grote tragedies in de wereld, meent hij, zijn er doordat we economisch gezien niet begrijpen wat we doen. We moeten toe naar een economisch systeem dat intrinsiek duurzaam is, en hebben een economische wetenschap nodig die dat ontwerpt en invoert. Hierover schrijft Niko Roorda zijn nieuwste boek, en dat wil hij samen met de lezers van FTM doen.

55 Artikelen

Waarom echte waarde zich niet in geld uit laat drukken

2 Connecties

Relaties

Geld Waarde
138 Bijdragen

Zaken die evenveel geld kosten, kunnen enorm verschillen in hun feitelijke waarde. En van een hoop zaken is de waarde zelfs helemaal niet in geld uit te drukken. Waarom blijven we het dan toch proberen?

Voorwoord

Lieve lezer, het leek me aardig om eens met de deur in huis te vallen en direct met een case te beginnen. In deze aflevering laat ik zien dat niet alles wat van waarde is, in geld uit te drukken is. Dank nog voor de meer dan tweehonderd bijdragen aan de discussie over mijn vorige hoofdstuk. 

Even een opmerking tussendoor. Ik heb naar aanleiding van discussies op Follow the Money lang nagedacht en overlegd over een passend woord voor het vakgebied van de economie. In het Engels heet dat ‘economics’, wat duidelijk onderscheiden is van het woord ‘economy’. In het Nederlands hebben we dat onderscheid niet: het heet allebei ‘economie’, en dat is lastig. Ik heb een maandje geëxperimenteerd met het woord ‘economica’, maar dat beviel me toch niet echt. Uiteindelijk heb ik nu gekozen voor het woord ‘economistiek’, dat dus staat voor ‘de bestudering van de economie’ — en in het kader van mijn boek vooral van de macro-economie. Met als bijbehorend bijvoeglijk naamwoord ‘economistisch’. Daardoor kan ik dus uitspraken doen (en onderbouwen) als ‘de economistiek is een protowetenschap.’

In hoofdstuk 1 en 2 heb ik met terugwerkende kracht de teksten, overal waar dat relevant is, dienovereenkomstig aangepast. In hoofdstuk 1 heb ik bovendien de term netjes gedefinieerd. Dat heb ik natuurlijk niet gedaan in de afleveringen die ik al op FTM heb gepubliceerd; dat zou geschiedvervalsing zijn. Vanaf nu zal ik de term echter gewoon gebruiken.

Lees verder Inklappen

Hoofdstuk 2.2: Waarden

De vergelijkingen in case 2.2 kloppen allemaal, of deden dat in een recent verleden — feitelijk, of op grond van schattingen van deskundigen. Als je wilt weten waarom en hoe, kun je een spreadsheet downloaden (‘What’s it worth’) vanaf de website die bij dit boek hoort. Daarin wordt de waarde van elk onderdeel weergegeven in dollars en euro’s, compleet met toelichtingen en bronvermeldingen.

Als geld niet bestond, en alle transacties door middel van ruilhandel moesten plaatsvinden, zouden veel van de vergelijkingen van case 2.2 nog steeds tot stand kunnen komen. Het zou allemaal echter een stuk ingewikkelder worden. Kun je je voorstellen hoe een eigenaar van kippen, op zoek naar een paard, zou onderhandelen over de vraag of tienduizend kippen genoeg was? En na een geslaagde ruil zou de voormalige paardeneigenaar zich, met pakweg achthonderd kippen op de rug, naar de grasboer begeven om voer voor de overgebleven paarden te verkrijgen.

Nee, het is ontegenzeggelijk veel handiger om bij al die acties geld te kunnen gebruiken. Geld is een slimme uitvinding.

Toch laat de case ook zien dat geld zo zijn beperkingen heeft. De aanschafkosten van negen miljoen t-shirts in westerse kledingwinkels mogen dan aantoonbaar gelijk zijn aan die van één voetballer (te weten Neymar, die in 2017 voor 220 miljoen euro van FC Barcelona naar Paris Saint-Germain overstapte), niemand is in staat om het leed te voelen van de tienduizenden kinderen die in landen als India en Bangladesh die shirts met hun handjes in elkaar hebben gezet (ILO, 2017). Of om de waarde te schatten van de kansen op een fatsoenlijk leven die deze kinderen mislopen doordat ze niet naar school kunnen. Zijn die duizenden levens samen echt gelijk in waarde aan de paar extra doelpunten die PSG wellicht scoort dit seizoen? Nee, luidt het logische antwoord: het leed van deze kinderen —door hun ouders verkocht om hun andere kinderen te kunnen voeden — is niet in geld uit te drukken.

Noot

Kun jij garanderen dat alle kleren die bij jou in de kast hangen ‘kindslaafvrij’ zijn? Ik niet. Ben ik daarom een slecht mens? Ik hoop van niet; je kunt niet alles weten.

Lees verder Inklappen

Een ander soort falen van ‘geld’ blijkt uit het bedrag dat de economische crisis van 2008 (thans de Great Recession genoemd, in navolging van de Great Depression van de jaren 1930) heeft gekost: het onvoorstelbare bedrag van 22 biljoen dollar, volgens een schatting van het US Government Accountability Office (GAO) in 2013. Dat bedrag betreft overigens uitsluitend de kosten binnen de Verenigde Staten. Het feit dat een crisis mogelijk is die zo’n reusachtige schade toebrengt, is evident een zwakte van het financiële systeem.

Nee, niet alles wat van waarde is, is in geld uit te drukken. Wanneer je probeert om de glimlach van een geliefde ergens in case 2.2 een plekje te geven, is het twijfelachtig of je dat gaat lukken. Hetzelfde geldt voor de geur van vers brood, een herinnering uit je jeugd, of je pasgeboren kind.

Nu ja: case 2.2 bevat onder meer de prijs van ‘2 kinderen’ — evenveel als 97 vakanties. Maar dat betreft een schatting van het bedrag dat iemand gemiddeld kwijt zal zijn aan voeding, kleding en huisvesting en dergelijke, als gevolg van de keuze om kinderen te krijgen. Volgens het US Department of Agriculture (Lino et al, 2017) is dit in een Amerikaans middenklassegezin circa 230 duizend dollar per kind, in de periode tussen geboorte en meerderjarigheid.

Het geluk en plezier dat je door die keuze beleeft, maar ook de zorgen en het verdriet die waarschijnlijk op je pad zullen komen, zijn evenwel niet in geld uit te drukken. Dat geldt zeker ook voor het geluk en het verdriet dat je kinderen gaan meemaken als gevolg van jouw beslissing om ze te laten bestaan.

Kun je de waarde in geld uitdrukken van de neushoorn als soort? Hoeveel zou de schade zijn, in dollars uitgedrukt, als die zou uitsterven? Ja, er zal wellicht een economische schade zijn, bijvoorbeeld door verlies aan toerisme of zelfs door het kwijtraken van de mogelijkheid om betaalde jachtvergunningen uit te geven. Maar zulke verliezen vallen in het niet in vergelijking met het werkelijke verlies als gevolg van een prachtige diersoort.

Over diersoort gesproken: Hoe groot is de financiële strop als de mensheid uitsterft?

Noot

Opmerkelijk is in dit verband de televisieserie van SBS6: Hoeveel ben je waard? De programma’s vind ik fascinerend, maar ze geven uitsluitend antwoord op de vraag hoeveel geldwaarde een gezin vertegenwoordigt in de vorm van huis, goederen, schulden. De uitkomst mag boeiend zijn, maar geeft geen antwoord op de vraag. Daarom een uitdaging aan de lezer (en aan SBS6 en aan andere zenders of omroepen): hoe zou je de vraag echt kunnen beantwoorden?

Lees verder Inklappen

De waarden die je probleemloos in geld kunt uitdrukken zijn economische waarden. Daar zijn diverse soorten van, zoals de marktwaarde, de exploitatiewaarde en de boekwaarde. En de utiliteitswaarde, oftewel het ‘nut’ van een object. 

Bij waarden die niet of hooguit zeer subjectief in geld uit te drukken zijn, kun je denken aan de emotionele waarde van die glimlach of geur van zo-even. Of aan de historische of de culturele waarde van de Piramide van Cheops of het Vrijheidsbeeld. De morele waarde van een oprecht mens. De zeldzaamheidswaarde van een verkeerd afgedrukte postzegel uit 1930. De biologische of de ecologische waarde van de oerbossen in Brazilië, die – hoewel onschatbaar – vele malen groter is dan de economische waarde bij verkoop van het hout. (Helaas wordt het hout desondanks met een duizelingwekkende snelheid verkocht, want dat levert ‘winst’ op: opnieuw een falen van onze uitvinding ‘geld’.)

En mensen, wat voor waarde hebben die? Je vader of je moeder bijvoorbeeld? Net als bij de neushoorn als soort kun je spreken van een intrinsieke waarde: de waarde die van binnen zit, inhet object (of de persoon, of de soort) zelf, en die niet bepaald wordt door het nut of de betekenis voor anderen. Voor zover dat mogelijk is, natuurlijk — het zijn immers altijd mensen die inschattingen maken van die intrinsieke waarde van diersoorten, van kinderen, ouders en voorouders, van bekenden en vreemdelingen, van mensen en van goden.

Verschillende mensen doen dat echter op heel verschillende manieren, zoals de waardenschema’s in figuur 2.2 laten zien. Elk daarvan geeft weer hoe een bepaalde groep mensen naar de wereld kijkt. (De volgorde is willekeurig; toelichtingen staan onder de afbeelding).

Toelichting:

(a) toont een typisch middeleeuws schema behorend bij een klassenmaatschappij. Een soortgelijk schema is toepasbaar op het kastenstelsel in India, met de paria’s onderaan.

(b) laat het wereldbeeld zien van een ‘primitieve’ stam, bijvoorbeeld in Afrika of Nieuw Guinea, met een sterke voorouderverering.

(c) geeft het beeld zoals dat in verschillende grote godsdiensten heerst, bijvoorbeeld het christendom en de islam.

(d) Is te beschouwen als een variant van (b), want in beide gevallen wordt de groep belangrijker geacht dan het individu. Dit beeld is te vinden in autoritair geleide landen zoals China en de voormalige Sovjet-Unie. Maar het is ook te vinden in de op individuele vrijheid gerichte Verenigde Staten. Kenmerkend is de uitspraak van president Kennedy (1961): ‘Ask not what your country can do for you. Ask what you can do for your country.’

(e) is het standaardmodel van het ‘ik-tijdperk’, waarin bepaalde mensen zichzelf het belangrijkste vinden.

(f) geeft de machtsverhoudingen in de wereld aardig weer, niet gelet op ethische theorieën maar op de feitelijke situatie.

(g) is de situatie in nogal wat culturen. Ook in de westerse wereld hebben mannen veelal nog steeds een stapje voor op vrouwen, bijvoorbeeld ten aanzien van macht (landsbestuur, grote ondernemingen) en bij salarissen.

(h) toont een racistisch wereldbeeld. Voor mensen met dit beeld was het in de 17e eeuw niet vreemd of slecht om zwarte mensen als handelswaar te verschepen, of om in de 19e eeuw vanuit rijdende treinen op willekeurige indianen te schieten.

(i) laat een andere economische werkelijkheid zien. Neem bijvoorbeeld de kosten voor voeding, medische zorg of begraafkosten: een gemiddelde begraafplaats voor westerse huisdieren (zoals in fig. 2.3) is fraaier dan die voor arme mensen in derdewereldlanden.

(j) is het wereldbeeld vanuit een oogpunt van evolutie, althans voor mensen die evolutie graag zien als een proces van voortdurende vooruitgang met de mens aan de top.

Natuurlijk zijn dit allemaal maar modellen. De werkelijkheid in zijn geheel is ingewikkelder dan welk model dan ook. Veel mensen zullen een wereldbeeld hebben dat bestaat uit combinaties van de schema’s van figuur 2.2. Sterker: heel wat mensen houden er tegelijkertijd meerdere van zulke schema’s op na, zelfs als die met elkaar in strijd zijn. Heel rationeel zijn de meesten van ons niet.

Noot

Kun jij jouw wereldbeeld samenstellen uit een combinatie van schema’s uit figuur 2.2? Of heb je daarvoor ook andere schema’s nodig? Ik lees het graag in de reacties.

Lees verder Inklappen

Het grappige is natuurlijk, dat zo ongeveer geen enkel element in elk van de tien waardenschema’s een waarde bezit die in geld uit te drukken is. Welke wel, naar jouw oordeel? Bij wijze van illustratie: het valt te vermoeden dat velen het als beledigend zouden ervaren wanneer hen verzocht wordt om te schatten hoeveel dollar de waarde van hun God bedraagt.

Hygiënefactoren

Kortom: zo ongeveer alles wat van écht grote waarde voor ons is, kan niet in geld uitgedrukt worden. Daarmee laat figuur 2.2 zien hoe merkwaardig het is dat het kapitalistische systeem — het dominante systeem in onze hedendaagse wereld — waarden uitsluitend in geld uitdrukt.

Ons economische systeem houdt zich dus voornamelijk bezig met zaken die relatief van gering belang zijn. En toch baseren alle ondernemingen, alle regeringen, en alle overige machtsdragers er vrijwel hun complete beleid op — met enorme gevolgen voor alle mensen op de planeet en voor hun leefomgeving. De economistische theorieën en modellen ondersteunen dat volledig.

Nu kun je natuurlijk tegenwerpen (en ik reken erop dat dat ook wel gaat gebeuren): hoezo gaat de economie over zaken met een relatief gering belang? Het is de taak van de economie om te zorgen dat mensen gevoed, gekleed en gehuisvest moeten worden. Dat mensen naar school kunnen, medisch en sociaal verzorgd worden en voorzien van een pensioen. Dat is niet bepaald onbelangrijk!

Inderdaad. Maar al dat soort zaken zorgen er niet zozeer voor dat mensen gelukkig worden, of het gevoel hebben dat hun bestaan zinvol is. Ze zorgen er voornamelijk voor dat mensen niet ongelukkig zijn: het zijn hygiënefactoren.

"Handen wassen is goed, maar twee keer handen wassen is niet extra goed"

De term ‘hygiënefactor’ is (zoals het woord suggereert) afkomstig uit de gezondheidszorg. Hij duidt erop dat de gezondheid weliswaar bedreigd kan worden door een gebrek aan hygiëne, bijvoorbeeld door de handen niet te wassen of door besmette naalden; maar dat de gezondheid niet willekeurig vergroot kan worden door de hygiëne onbeperkt op te schroeven. Te weinig hygiëne is slecht, maar extra hygiëne is vanaf een bepaald minimumniveau niet beter: handen wassen is goed, maar twee keer handen wassen is niet extra goed. 

Het woord ‘hygiënefactor’ is ingevoerd door de psycholoog en onderzoeker Frederick Herzberg, die in zijn motivatietheorie (Herzberg et al, 1959) twee soorten factoren onderscheidt: motiverende factoren en hygiënefactoren. Toegepast op een werkomgeving zijn hygiënefactoren bijvoorbeeld salaris, werkomstandigheden en bedrijfsbeleid, aldus Herzberg.

Voedsel, kleding en huisvesting zijn ook hygiënefactoren. Mist men ze, dan veroorzaakt dat een gebrek aan geluk of tevredenheid — en in sommige gevallen zelfs ziekte of de dood. Verkrijgt men ze, dan zal dat gedurende een beperkte periode een gevoel van geluk oproepen. Heeft men ze een tijdje, dan wordt het al snel ‘normaal’ en draagt het niet bij aan extra geluk — ook niet bij de verkrijging van steeds meer voedsel, schoenen of woningen. Hetzelfde geldt voor vrijwel alles wat met geld te koop is.

Feitelijk is geld zelf een typische hygiënefactor. ‘Geld maakt niet gelukkig’, zegt het spreekwoord. Of dat zo is, is diverse keren wetenschappelijk onderzocht. Een recent voorbeeld is het onderzoek van Kahneman en Deaton (2010), waarvan het resultaat is weergegeven in figuur 2.4 (let op de horizontale as, waarop de waarden van links naar rechts steeds verdubbelen — het is een logaritmische schaal):

Deze onderzoekers stelden vast dat er twee kanten zijn aan het beleven van geluk. Enerzijds onderscheiden zij ‘emotioneel welbevinden’, dat vooral met geluk op korte termijn te maken heeft. De facetten: een positief gevoel; de afwezigheid of een laag niveau van zorgen en neerslachtigheid, en de afwezigheid of een laag niveau van stress. Elk daarvan heeft een eigen curve in figuur 2.4. Anderzijds is er het geluk dat is verbonden aan de lange termijn, dat omschreven wordt als ‘levenswaardering’ (‘life evaluation’). Op de verticale as van figuur 2.4 is een maat gehanteerd voor het geluk dat de proefpersonen ervaren.

Tijdens hun onderzoek stelden de heren vast dat het emotioneel welbevinden weliswaar toeneemt naarmate het inkomen hoger is, maar blijft steken rond de 75.000 tot 90.000 dollar per jaar. Méér geld verhoogt het welbevinden niet. 

De hoogte waarop het welbevinden blijft steken is opmerkelijk hoog. Dat hangt vermoedelijk samen met het feit dat de proefpersonen burgers waren van de Verenigde Staten in 2008 en 2009. In andere landen, waar het gemiddeld inkomen lager is, zouden de bedragen wellicht lager geweest zijn: lokale afgunst zal een rol gespeeld hebben. Hoe dan ook: het principe is duidelijk, er komt voor iedereen een punt waar voorbij extra geld het welbevinden niet doet toenemen.

De levenswaardering, gekoppeld aan de lange termijn, stijgt door tot minstens 200.000 dollar, maar is dan wel aan het afvlakken. 

De conclusie: geld maakt gelukkig, maar niet gelukkiger wanneer men er meer dan voldoende van heeft.

Anderzijds behoren geluk, liefde, vriendschap, gezin, levensvervulling, avontuur, mooie herinneringen, vrede, vrijheid, geloof, vertrouwen, waardigheid en waardering tot de meest waardevolle dingen die we kennen. Sommige daarvan zijn met geld te koop, de meeste niet.

Een van de uitdagingen van een echte economistische wetenschap is om een wereldwijd systeem te ontwerpen waarin al die dingen een logische plek hebben; een systeem dat er bovendien voor zorgt dat alle mensen hun rechtmatige portie ervan kunnen bezitten. Zo’n systeem kan niet uitsluitend op geld gebaseerd zijn. Althans, niet op geld zoals we dat momenteel kennen.

Daarmee is het nu tijd voor de vraag: wat ís geld eigenlijk?

Tot slot

Die vraag is mijn cliffhanger. In de volgende aflevering, over twee weken, ga ik een begin maken met het beschrijven van mijn visie daarop. Het is waar: over dat onderwerp is al veel geschreven, onder meer in dossiers op Follow the Money, zoals het dossier Van wie is ons geld?, Met verhelderende artikelen van bijvoorbeeld Thomas Bollen en Edin Mujagic. Toch ga ik er ook over schrijven, omdat dat voor de opbouw van mijn verhaal noodzakelijk is en ook omdat ik meen dat ik hier en daar nog wat kan toevoegen.

Zoals je weet: op de website die bij dit boek hoort kun je diverse documenten downloaden. Naast de alweer gegroeide voorlopige literatuurlijst en de voorlopige inhoudsopgave van het boek, is dat vanaf vandaag ook de spreadsheet ‘What’s it worth.xlsx’.

Lees verder Inklappen