© CC0 (Publiek domein)

Ecomodernisme: goed bedoeld, maar slecht bedacht

Opinie
23

    Er is een nieuwe milieubeweging op handen: de ecomodernisten. Ze zien zichzelf als de dappere eenlingen die strijden tegen het grote onrecht dat de traditionele milieubeweging de wereld aandoet. In een nieuw boek presenteren ze deze week hun ideeën. Redacteur Bart Crezee nam het onder de loep; ondanks de ecomodernistische oproep tot wetenschap en de rede, constateert hij voornamelijk een slecht onderbouwde ideologie.

    In 2015 publiceerde een groep internationale onderzoekers en milieuactivisten met veel bombarie een groot pleidooi voor een vernieuwende kijk op de milieu-uitdagingen van deze tijd. In het ‘Ecomodernistisch Manifest,’ een initiatief van het Amerikaanse Breakthrough Institute, beschreven zij een nieuwe, pragmatische visie op de toekomst van de milieubeweging in het Antropoceen, het huidige tijdperk waarin de mens een geologische kracht op aarde is geworden.

    Het manifest beargumenteert dat de wereldwijde milieucrises het beste aangepakt kunnen worden door volop gebruik te maken van moderne technologie en ontwikkelingen, zoals kernenergie, verstedelijking, en intensieve landbouw met behulp van GMO's. Daarmee zou de menselijke samenleving losgekoppeld kunnen worden van de natuur, om zo de druk op natuurlijke systemen te verlagen. Dankzij technologie is economische ontwikkeling niet langer beperkt door de limieten van een ‘eindige planeet,' zo luidt de opgewekte boodschap die de ecomodernisten verkondigen.

    Kuznets en het milieu

    Deze week verschijnt de Nederlandse vertaling van het Ecomodernistisch Manifest in het boek Ecomodernisme: het nieuwe denken over groen en groei. Zeven Nederlandse onderzoekers en (wetenschaps)journalisten onderschrijven hierin het pleidooi en hebben daarnaast hun eigen argumenten voor ecomodernisme nog eens op een rij gezet.

    Het centrale idee van dit boek is eigenlijk één simpel grafiekje: een assenstelsel waarin de rijkdom van landen is afgezet tegen de mate van milieuvervuiling. Het levert een mooie kromme op: wanneer landen extreem arm zijn, is er weinig vervuiling. Vervolgens neemt de economische welvaart toe, en groeit ook de milieuvervuiling. En dan bereiken landen een Westers niveau, en neemt de vervuiling weer af.

    Het is het milieukundige equivalent van de beroemde Kuznetscurve voor economische ongelijkheid: inkomensongelijkheid zou eerst toenemen naarmate een land welvarender is, om daarna weer af te nemen.

    De schrijvers van Ecomodernisme beargumenteren dat om het milieu (of de natuur, daarover is men enigszins onduidelijk) te redden, arme landen zich eerst vooral economisch moeten ontwikkelen. Afrika zal eerst door een piek van vervuiling heen moeten voordat het rijk genoeg is om milieuvervuiling terug te kunnen dringen. Met andere woorden: het milieu is erbij gebaat als arme landen vol inzetten op kolencentrales om de economie te stimuleren, zodat het uiteindelijk weer schoner kan worden.

    Het probleem met deze theorie is dat het een grove simplificatie van de werkelijkheid is. Net als de originele Kuznetscurve voor inkomensongelijkheid de voorbije jaren door Thomas Piketty is weerlegd, zo gaat ook de milieukundige variant niet op.

    Verlies aan biodiversiteit is niet terug te draaien; ook de opwarming van de aarde neemt niet zomaar weer af

    Uiteraard klopt het dat de water- of luchtkwaliteit verbetert naarmate een land rijker is. Zie bijvoorbeeld China, dat momenteel midden in deze transitie zit. Maar voor andere milieuvariabelen geldt dit niet. Verlies aan biodiversiteit is niet terug te draaien als soorten eenmaal zijn uitgestorven. En ook de klimaatopwarming neemt niet zomaar weer af, nadat de piek in CO2-uitstoot is geweest.

    Integendeel, het klimaat reageert juist heel traag op de CO2 die we uitstoten: de opwarming van de aarde is pas decennia later merkbaar. Zelfs als de uitstoot nu zou stoppen, duurt het nog jaren voor de opwarming ophoudt. Terwijl door alle landen wereldwijd is afgesproken om de CO2-uitstoot daarom zo snel mogelijk te laten pieken, betoogt Ecomodernisme dat deze piek in uitstoot nog prima een paar decennia kan worden uitgesteld. 

    Wij zijn humanisten, zeggen de auteurs van dit boek dan als extra argument. Voor ons is het bestrijden van armoede belangrijker dan het bestrijden van klimaatverandering of het verlies aan biodiversiteit.

    Het is echter de vraag hoe humanistisch dat is. Vooropgesteld: extreme armoede is een groot probleem, en dat te willen bestrijden is een nobel streven. Maar het zijn juist de armste landen die het zwaarst onder klimaatverandering te lijden hebben. Hoe langer de ecomodernisten de piek in CO2-uitstoot vooruit schuiven, hoe zwaarder de allerarmsten het te verduren krijgen. Het is een gemiste kans dat deze – naar eigen zeggen – humanistische milieubeweging dat punt niet eens noemt in dit boek.

    Simplistisch of simpelweg onjuist

    Het is exemplarisch voor veel van Ecomodernisme. De auteurs zeggen aan onafhankelijke wetenschapsjournalistiek te doen, maar presenteren in werkelijkheid een gekleurde betoog dat ondersteund wordt met simplistische argumenten, halve waarheden, en soms ronduit hele leugens.

    "Een alternatief gedachtegoed willen neerzetten is geen excuus voor het inzetten van alternatieve feiten"

    Zeker in de eerste drie hoofdstukken – over klimaatveranderingen en het gebruik van fossiele brandstoffen – gaat er haast geen alinea voorbij of er staat wel een verdraaing van de feiten in. Je mag dan een alternatief gedachtegoed willen neerzetten, dat is nog altijd geen excuus voor het inzetten van alternatieve feiten.

    Zo zou olie of gas de druk op bossen (gebruikt voor brandhout) weg kunnen nemen, schrijven de auteurs. Het verminderen van ontbossing (‘meer ruimte creëren voor natuur’) wordt in het boek op dubieuze wijze gehanteerd als een algemene maatstaf voor ‘een beter milieu.’ Maar daarbij vergeten de auteurs voor het gemak te melden dat ontbossing in de tropen grotendeels veroorzaakt wordt door grootschalige landbouw, in plaats van houtkap voor brandstof. Of dat de teerzanden in Canada, de open kolenmijnen in de Appalachen, of olieboringen onder het tropisch regenwoud een even grote aanslag op deze definitie van 'milieu' vormen.

    Een andere drogreden: de auteurs schrijven dat kolen, olie en gas de meest goedkope energiebronnen zijn, en ontwikkelingslanden daar dus volop gebruik van zouden moeten maken. Maar er wordt niet vermeld dat juist zon en wind de afgelopen jaren sterk in prijs zijn gedaald, en soms zelfs goedkoper zijn geworden. Op basis van een omstreden onderzoek wordt vervolgens de suggestie gewekt dat zonnepanelen meer energie kosten dan ze opwekken: een argument waarvan meerdere studies al lang de onjuistheid hebben aangetoond.

    Juist de armere landen zijn momenteel leidend op het gebied van klimaatbeleid

    Als men werkelijk om economische ontwikkeling geeft, waarom wordt de impact van deze energierevolutie voor arme landen dan niet serieus genomen? Afrikaanse landen zelf willen namelijk volop inzetten op hernieuwbare energiebronnen om aan hun groeiende energievraag te voldoen, en zien daarvoor een gigantisch potentieel. Onvermeld blijft eveneens dat landen als India en China, vanwege het milieu, er zelf voor kiezen om de bouw van nieuwe kolencentrales te schrappen. Ironisch genoeg zijn het daarmee juist de armere landen die momenteel leidend zijn op het gebied van klimaatbeleid.

    Uit de context

    Klimaatverandering wordt niet ontkend, maar verschillende bekende klimaatsceptici schreven wel mee aan dit boek. Hierbij weten zij de opwarming van de aarde steeds opnieuw te framen als slechts een klein probleem waar ook goede kanten aan zitten. Zo wordt beweerd dat klimaatverandering positief is omdat het ook tot vergroening van de aarde leidt. Op Follow the Money heb ik dit argument eerder al als onjuist aangetoond: de bevindingen van de betreffende studie worden simpelweg uit hun context gerukt.

    Ook in de argumentatie voor intensieve landbouw, dat gebracht wordt als dé oplossing voor het voedselvraagstuk, zijn simplistische vooronderstellingen en halve waarheden eerder regel dan uitzondering. Het klopt dat intensieve landbouw per hectare meer voedsel oplevert dan biologische of kleinschalige landbouw. Maar in dat argument gaan de auteurs onder meer voorbij aan het feit dat een groot deel van het voedsel dat in bijvoorbeeld Brazilië verbouwd wordt, bedoeld is voor de export. Dat komt de armsten van Brazilië dus helemaal niet ten goede.

    Daarnaast is het ook nog maar zeer de vraag in hoeverre het mogelijk is om zowel de Braziliaanse boer van intensieve landbouw te laten profiteren (door meer werkgelegenheid, of een hoger salaris), als de druk op het regenwoud te doen afnemen. Hogere opbrengsten per hectare betekenen (naast meer voedsel) bijvoorbeeld ook dat het financieel aantrekkelijker wordt om meer bos te kappen. De oorzaken van ontbossing zijn zeer complex en niet één-op-één terug te brengen tot slechts het voedselvraagstuk. Dat intensiever landgebruik ook tot minder landgebruik zou leiden, is een hypothese waar slechts weinig bewijs voor is. Om nog maar te zwijgen over de impact van kunstmest en pesticiden op de uitgeputte gronden van Brazilië.

    Economische ongelijkheid

    Vergelijkbare simplistische argumenten worden aangehaald om aan te tonen dat verstedelijking het milieu wel zal redden en mensen uit de armoede haalt. De ecomodernisten omschrijven de trek naar de stad als één blije, vrijwillige keuze van mensen die uit de misère naar het paradijs trekken. Dit argument voor verstedelijking is evenzeer doorspekt van romantische noties als het heersende beeld van het ‘authentieke platteland’ waar de ecomodernisten zich zo tegen af willen zetten. Nergens staan de auteurs stil bij het feit dat de verhuizing naar de stad voor veel mensen in arme landen geen vrije keuze maar bittere noodzaak is, soms juist veroorzaakt door riviererosie, klimaatverandering, of land grabbing om die zo geprezen intensieve landbouw mogelijk te maken.

    De oproep van de ecomodernisten is puur ideologisch van aard

    Ecomodernisten vergeten daarmee structureel om sociaal-economische context mee te nemen. Wat Ecomodernisme presenteert zijn meta-argumenten. Dat intensieve landbouw meer opbrengt per hectare is leuk op papier, maar het houdt geen rekening met de politieke of sociale werkelijkheid van armoede. Armoede is niet zomaar opgelost door massaal kolencentrales te bouwen of overal monoculturen aan te leggen. Zowel de armoede waar men voor zegt op te komen als de klimaatverandering die men bagatelliseert, zijn uiteindelijk symptomen van hetzelfde probleem: structurele economische ongelijkheid.

    De historische verantwoordelijkheid voor klimaatverandering ligt bij het Westen. En nog steeds stoot de rijkste 10 procent van alle consumenten 45 procent van alle CO2 uit. De vraag die dit boek stelt — armoede oplossen of het milieu redden? — vormt dus een valse tegenstelling. Het heeft geen zin om over economische groei of klimaatverandering te praten, als je de onderliggende economische ongelijkheid niet onderkent.

    Het ecomodernistisch gedachtegoed gaat uit van een modernistisch, lineair ontwikkelingspatroon: zorg voor voldoende economische groei, ten koste van het milieu en bepaalde bevolkingsgroepen, en de welvaart sijpelt vanzelf door naar de armste mensen. Het is een idee waar al lang geleden in het denken over ontwikkelingsproblematiek afscheid van is genomen. De oproep van de ecomodernisten, is daarmee – net als die van de milieubeweging in veel opzichten – puur ideologisch van aard.

    Wat is milieu?

    Het ecomodernisme is ideologisch echter geen consistent gedachtegoed, zo blijkt na lezing van het boek. Dat begint al aan de basis: wat is natuur of milieu? De ecomodernisten zeggen voor het milieu op te komen door de druk op de natuur te willen verminderen. Door een deel van de auteurs wordt dit simpelweg gedefinieerd als natuurlijk bos: hoe meer verstedelijking en intensieve landbouw, hoe minder bos er hoeft te worden gekapt. Zij zien land als de meest schaarse grondstof van het moment. Even verderop wordt het idee dat het concept schaarste überhaupt nuttig is binnen het denken over milieubeleid door een andere auteur vervolgens volledig ontkent. In weer een ander hoofdstuk, over natuur in de moderne stad, wordt beargumenteerd dat het verlangen naar natuurlijk bos slechts een sociaal construct is. We zouden juist de mengvormen van natuur in de stad moeten vieren, valt er te lezen. Niks ontkoppelen van mens en natuur dus.

    "De auteurs hebben elkaar vooral gevonden in hun afkeer van de als karikatuur weggezette traditionele milieuactivist"

    Deze onderlinge tegenspraak is typerend voor dit boek: er wordt selectief gewinkeld in de wetenschapsliteratuur, om de eigen ideologische boodschap van elke auteur te kunnen onderstrepen. Voor de één betekent dit kernenergie, voor de ander verstedelijking, monoculturen of gentechnologie. De auteurs van Ecomodernisme hebben elkaar vooral gevonden in hun gezamenlijke afkeer van de als karikatuur weggezette traditionele milieuactivist met zijn dikke trui, biologisch voedsel en elektrische Tesla. 

    Zelf zien de ecomodernisten zichzelf graag als de kleinkinderen van grote Verlichtingsdenkers als Voltaire, Hume of Bacon. Durf te weten! roepen zij continu. Hoe frappant is het dan dat dit boek op een aantal basale wetenschappelijke punten de plank volledig mis slaat. Het is treurig dat een aantal gerespecteerde wetenschapsjournalisten — waaronder zelfs de voormalig voorzitter van de Vereniging van Wetenschapsjournalistiek- en Communicatie Nederland — aan dit boek meewerken.

    Klimaatoptimisme

    ‘Het debat dat nu ontstaat over wat de meest wenselijke weg is naar een groene toekomst is belangrijk en noodzakelijk,’ schrijven de auteurs. ‘En dat debat moet met een open vizier worden aangegaan.’ Het is een van de weinige zinnen in dit boek die werkelijk van waarde is. Want dat er een frisse wind nodig is in het denken over de mondiale milieuproblematiek, is volledig waar. De klimaatdoelstellingen zijn enorm, en dus ontkomt de milieubeweging er niet aan om na te denken over bijvoorbeeld een rol voor kernenergie (hoe erg men daar ook tegen gekant is). GMO's, kunstmest en andere moderne landbouwtechnieken moeten eveneens op waarde worden geschat, zodat we voldoende voedsel kunnen blijven produceren en boeren een beter inkomen kunnen krijgen. Dergelijke technieken bij voorbaat afdoen ten gunste van puur biologische landbouw is een gemiste kans van de traditionele 'groenen'.

    De auteurs van Ecomodernisme tonen zelf totaal geen open vizier te hebben

    Helaas verzandt deze (goedbedoelde) boodschap van het originele manifest in het Nederlandse betoog volledig. Het boek dat de Nederlandse auteurs bij het Ecologisch Manifest hebben geschreven zit vol van rancune ten opzichte van de traditionele ‘groenen’. De auteurs van Ecomodernisme tonen zelf ook geen open vizier te hebben, getuige het gebrek aan nuance in de argumentatie. 

    De ecomodernisten schrijven dat een tijd van optimisme is aangebroken. En het klopt, het originele Ecomodernistisch Manifest is een optimistisch pleidooi dat denkt in nieuwe mogelijkheden, in plaats van te treuren over ecologische rampen. Maar ook de zogenoemde ‘groenen’ kunnen optimistisch zijn: zie bijvoorbeeld het boek Climate of Hope over de steeds sneller gaande energierevolutie, dat Michael Bloomberg en Carl Pope praktisch gelijktijdig met Ecomodernisme uitbrengen.

    Uiteindelijk delen ecomodernisten hetzelfde doel als de traditionele milieubeweging. Over hoe daar te komen, verschillen de meningen echter. Door zich te positioneren binnen een alternatief framework, met een distantiërende polemiek, jagen de ecomodernisten juist degenen met wie ze zouden moeten samenwerken tegen zich in het harnas. Daarmee is Ecomodernisme: het nieuwe denken over groen en groei een goedbedoeld, maar helaas zeer slecht neergezet pleidooi voor een betere visie op een schone en welvarende toekomst.

    Ecomodernisme: het nieuwe denken over groen en groei. Marco Visscher, Ralf Bodelier (red.) Uitgeverij Nieuw Amsterdam.

    Dinsdagavond 2 mei om 20.00 uur vindt er een debatavond over ecomodernisme plaats in Pakhuis De Zwijger in Amsterdam.

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid