Economisch herstel voor wie?

    Afgelopen week kwam adviesbureau McKinsey met een rapport over nieuwe sociale ongelijkheid. Ewald Engelen bespeurt intellectuele kwaadwillendheid in een onoverzichtelijke wereld waar McKinsey rapporten schrijft die zo uit de koker van de SP hadden kunnen komen.

    De cognitieve dissonantie tussen volk en elite is angstaanjagend groot geworden. Terwijl er in Brussel en Den Haag economisch herstel wordt gekraaid, komt uit de ommelanden niets dan gejammer en gemor. De voor de hand liggende verklaring is uiteraard dat het herstel niet bij alle bevolkingsgroepen gelijk is neergeslagen: het herstel is een golfje dat niet alle boten optilt. Oftewel, wat er op geaggregeerd niveau (Bruto Binnenlands Product, BBP) behoorlijk uitziet, zou bij nadere beschouwing weleens aan grote delen van het electoraat voorbij kunnen zijn gegaan.

    Twee weken geleden liet de huisintellectueel van de Bank of England, Andy Haldane, dat voor het Verenigd Koninkrijk zien. De — veel betere — economische prestaties van het Verenigd Koninkrijk sinds de crisis zijn vooral terechtgekomen bij ouderen, hoger opgeleiden, huiseigenaren en de bewoners van Londen en het Zuidoosten van Engeland. De rest — van jongeren tot periferen, van huurders tot lager opgeleiden — heeft niet of nauwelijks geprofiteerd van het herstel. Sterker, velen van hen hebben een krap decennium later nog altijd lagere inkomens dan zij voor de crisis hadden. Haldane liet er geen twijfel over bestaan dat dit selectieve herstel mede had bijgedragen aan de onverwachte Brexit. Sociaaleconomische onzekerheid is nu eenmaal een vruchtbare voedingsbodem voor populisme.

    Armer dan hun ouders

    Afgelopen week deed McKinsey daar in de vorm van een dik rapport over nieuwe sociale ongelijkheden een schep boven op. Onder de titel Poorer than their parents ('Armer dan hun ouders'), presenteerde het adviesbureau een gedetailleerde vergelijking van de groeiprestaties van 22 ontwikkelde economieën over de periode 1993-2005 met de periode 2005-2014. De conclusies zijn onthutsend. Volgens McKinsey heeft rond de 65 tot 70 procent van de huishoudens tussen 2005 en 2014 het reële inkomen zien stagneren of zelfs dalen, vergeleken met minder dan 2 procent in de periode 1993-2005. We hebben het dan al snel over 540 tot 580 miljoen burgers die bijna tien jaar na de crisis nog altijd minder verdienen dan ervoor.

    Bij ongewijzigd beleid voorziet McKinsey een tweede verloren decennium voor 70 tot 80 procent van de huishoudens

    En ook al zien de cijfers er na belasting en overdrachten (subsidies en heffingskortingen) beter uit — slechts 20 tot 25 procent van de huishoudens is er dan op achteruit gegaan — McKinsey laat er geen twijfel over bestaan dat het alle hens aan dek is. Bij ongewijzigd beleid voorziet het adviesbureau een tweede verloren decennium voor 70 tot 80 procent van de huishoudens — met alle politieke gevolgen van dien.

    Verplicht leesvoer

    Interessant is dat de studie ook gedetailleerd naar Nederland kijkt. Het is verplicht leesvoer voor de verzamelde oppositie die tijdens de aanstaande verkiezingen iedere munitie kan gebruiken om de vrolijke herstelboodschap van premier Mark Rutte en vicepremier Lodewijk Asscher onschadelijk te maken. Net als Haldane voor het Verenigd Koninkrijk, produceert McKinsey voor Nederland een veel preciezer beeld van de winnaars en verliezers van de crisis.Terwijl de 20 procent armsten hun marktinkomens met 8 procent hebben zien stijgen, tegen 2 procent stijging voor de 20 procent rijksten, heeft iedereen daartussenin — 'de hardwerkende Nederlander' van Rutte — zijn inkomen met tussen de 2 tot 15 (!) procent zien dalen.

    Maar liefst 70 procent van de Nederlandse huishoudens is er sinds 2005 op achteruit gegaan

    In termen van besteedbaar inkomen, dus na belasting en overdrachten, is het beeld minder somber, maar nog steeds gaat iedereen — de 20 procent rijksten uitgezonderd (!) — erop achteruit, inclusief de 20 procent armsten – met dank aan de regressieve BTW-verhogingen onder Rutte 1 en 2. Vandaar dat in Nederland, na Italië, het verschil tussen het aandeel van de huishoudens die hun marktinkomen hebben zien krimpen, en dat van de huishoudens die hun besteedbaar inkomen hebben zien krimpen, van alle onderzochte landen het kleinst is. Zowel in termen van marktinkomen als in termen van besteedbaar inkomen is maar liefst 70 procent van de Nederlandse huishoudens er sinds 2005 op achteruit gegaan.


    Ewald Engelen

    "Globalisering is de uitkomst van een massieve lobby door het grootbedrijf, die van de Europese democratieën een parodie heeft gemaakt en de onderkant van Europese arbeidsmarkten vogelvrij heeft verklaard"

    Beroerd crisismanagement

    McKinsey wijt dit vooral aan de Grote Financiële Crisis, de eurocrisis en het daaropvolgende trage herstel, met name in de eurozone. Beroerd crisismanagement — onnodig ruwe bezuinigingen en kortzichtige lastenverzwaringen, 21 miljard euro sinds 2010 — heeft de sociaaleconomische positie van Nederlandse huishoudens nodeloos geschaad. Let wel, dit zijn mijn conclusies — McKinsey spreekt over de 'Grote Recessie', alsof het een weerkundig fenomeen was: niemand heeft het veroorzaakt, niemand is verantwoordelijk en dus treft niemand blaam.

    Het rapport kijkt dan ook uitvoeriger naar mogelijk andere oorzaken, zoals ontwikkelingen op de arbeidsmarkt (organisatiegraad, flexibilisering), demografische factoren (ontgroening, vergrijzing), macro-economische condities (groei, krimp), ontwikkelingen op de kapitaalmarkten (pensioenen en huizen) en beleidswijzigingen op het gebied van belastingen en overdrachten.

    In Nederland zijn de macro-economische gevolgen van de crisis op het marktinkomen veruit het grootste geweest

    Over Nederland maakt het adviesbureau twee interessante observaties. Ten eerste dat in Nederland de macro-economische gevolgen van de crisis op het marktinkomen veruit het grootste zijn geweest van alle onderzochte landen. Leverde tussen 1993 en 2005 economische groei nog een bijdrage van 29 procentpunt aan de stijging van het gemiddelde marktinkomen, tussen 2005 en 2014 was dat een schamele 6 procentpunt.

    Het tekent de doorgeschoten flexibilisering van de Nederlandse arbeidsmarkt en de dominantie van het aandeelhoudersdenken in Nederlandse bestuurskamers. Dankzij de groeiende schil van werknemers met afwijkende arbeidscontracten (oproep- en uitzendkrachten, flexwerkers en zzp-ers) hebben werkgevers dalende winsten door tegenvallende groei moeiteloos op Nederlandse huishoudens kunnen afwentelen zonder zelf aan winst, dividenden en bonussen te hebben hoeven inboeten.

    Ten tweede dat geen van de onderzochte landen zulke meegaande vakbonden heeft als Nederland — of het moeten uitgesproken anti-vakbondslanden als het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten zijn. Loonmatiging drukte ook in de vergelijkingsperiode (1993-2005) de groei van het marktinkomen met maar liefst 12 procentpunt; tussen 2005 en 2014, toen Nederland zuchtte onder een onderbestedingscrisis die werd veroorzaakt door private schuldafbouw (dankzij een gespatte huizenzeepbel), was dat maar liefst 15 (!) procentpunt — met dank aan het Crisisakkoord van het voorjaar 2009, dat een gemiddelde looneis van 2,7 procent reduceerde tot 1,3 procent — ruim onder de inflatie — en het Mondriaanakkoord uit 2013, dat onderhandelaars nog eens fijntjes opriep om,gezien het precaire herstel, toch vooral terughoudend te zijn met looneisen.

    Verzwakte onderhandelingsmacht

    Ik heb het hier uiteraard over de arbeidsinkomensquote (AIQ), die, volgens een recente herziening door De Nederlandsche Bank, sinds begin jaren '80 geleidelijk is gedaald van bijna 90 procent van de toegevoegde waarde toen naar 73/74 procent nu. Alleen in het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten heeft zich iets vergelijkbaars voorgedaan. Maar dat zijn economieën waar sinds respectievelijk de Thatcher- en Reagan-revoluties van de late jaren '70 vakbondsrechten systematisch zijn afgebroken. Bovendien is het effect van uitgeholde onderhandelsmacht op het gemiddelde marktinkomen daar volgens McKinsey minder geprononceerd dan in Nederland. Tegen de -15 procentpunt die Nederland boekt, staan -8 voor het Verenigd Koninkrijk en -7 voor de Verenigde Staten.

    Voor de managementconsultant was dit aanleiding om in een aantal pagina's uit te wijden over de mogelijke oorzaken. En dan gebeurt er iets opmerkelijks. De verklaring die namelijk wordt gegeven voor de dalende AIQ is dat technologische innovatie de prijs voor hooggeschoolde arbeid heeft verhoogd, en die voor laaggeschoolde arbeid heeft verlaagd. Plat gezegd: in kenniseconomieën staat er nu eenmaal een premie op een universitaire graad, terwijl laaggeschoolde arbeid wordt weggeautomatiseerd. Skill-biased technological change luidt het in de literatuur.

    "De inkomensgroei zit niet bij beroepsgroepen met technologische expertise, maar bij werknemers die over financiële, boekhoudkundige en juridische expertise beschikken"

    In de economie ligt deze ooit breed geaccepteerde hypothese echter steeds meer onder vuur. Ten eerste omdat het lastig te begrijpen valt hoe een daling van het inkomen van laaggeschoolden bij een gelijktijdige stijging van het inkomen van hoogopgeleiden zou kunnen leiden tot een structureel lager aandeel voor de factor arbeid als geheel van de op jaarbasis geproduceerde toegevoegde waarde. Suggereert de hypothese niet veel eerder een herverdeling binnen het geaggregeerde aandeel dat naar de factor arbeid gaat tussen laag- en hoogopgeleiden?

    Ten tweede is de hypothese lastig te rijmen met de empirische waarneming dat de beloningen van vrijwel alle werknemers — laag- en hoogopgeleid, hand- en hoofdarbeider — nu al twee decennia achterblijven bij de productiviteitsgroei. De inkomensgroei zit bovendien niet bij beroepsgroepen met technologische expertise, maar juist bij werknemers (managers) die over financiële, boekhoudkundige en juridische expertise beschikken. Dit suggereert dat er iets anders aan de hand is dan een herverdeling binnen de arbeidende klasse door automatisering.

    De auteurs van het rapport beseffen dit tegelijk wel en niet. Op pagina 49 schrijven zij dat '[automatisering] een van de belangrijkste verklaringen' is en dus niet de enige. Maar zij geven tevens geen tegenargumenten waarom dat zo zou zijn. De empirische studies waarnaar de auteurs vervolgens in een voetnoot verwijzen, leren, aldus de begeleidende tekst, dat ook 'financialisering' — oftewel het toenemend belang van financiële en fiscale arbitrage als winstbron voor ondernemingen — een oorzaak zou kunnen zijn. Dit wordt in de hoofdtekst echter niet genoemd, laat staan verder onderzocht.

    Manipulatie

    Wat mij betreft riekt dit naar intellectuele kwaadwillendheid. De geciteerde literatuur — het jaarverslag van de Internationale Arbeids Organistie (ILO) van 2012/2013, dat zelf stoelt op econometrisch onderzoek van (onder andere) de Oostenrijkse econoom Engelbert Stockhammer — toont namelijk uitdrukkelijk aan dat het verklarende aandeel van technologische verandering bij de daling van de AIQ verwaarloosbaar is. Het aandeel van globalisering, flexibilisering van de arbeidsmarkt en financialisering is respectievelijk twee, drie en vijf keer zo groot. Ruim negentig procent van de daling van de aiq sinds 1980 wordt verklaard door andere factoren dan automatisering.

    Waarom McKinsey deze factoren onder het tapijt veegt is niet moeilijk te raden. Terwijl technologische verandering is zoals het weer, en dus de eigen clientèle ontslaat van medeplichtigheid en McKinsey in staat stelt om de bal voor de zoveelste keer bij de overheid te leggen, die meer zou moeten investeren in kennis en vaardigheden, geldt het tegenovergestelde voor de andere drie verklaringen.

    Het verklarende aandeel van globalisering, flexibilisering van de arbeidsmarkt en financialisering is veel groter 

    Globalisering is namelijk de uitkomst van een massieve lobby door het grootbedrijf, die van de Europese democratieën willens en wetens een parodie heeft gemaakt en de onderkant van Europese arbeidsmarkten vogelvrij heeft verklaard. Hetzelfde geldt voor de flexibilisering van de arbeidsmarkt: gezwicht voor de chantage van bedrijfsverplaatsingen rest overheden niets anders dan de arbeidskosten voor werkgevers steeds verder te verlagen.

    Intussen is de bijdrage van financiële en fiscale arbitrage het spreekwoordelijke rokende pistool dat onmiskenbaar naar de dominante rol van multinationals wijst bij de constructie van een voor henzelf optimaal fiscaal speelveld. Waar het grootbedrijf niet of nauwelijks belasting betaalt voor het gebruik van een publieke infrastructuur waarvan het zwaar afhankelijk is, teneinde de eigen winsten, dividenden en bonussen te kunnen maximaliseren.

    "Door belastingontwijking is de Nederlandse overheid over 15 jaar een slordige 45 miljard euro aan belastinginkomsten misgelopen"

    In Nederland is tussen 2000 en 2015 de bijdrage van de vennootschapsbelasting aan de schatkist gedaald van pakweg  8 procent toen naar 5,6 procent nu. Dat komt niet door tariefverlagingen, maar uitsluitend door agressieve belastingplanning: het verschil tussen nominale en reële belastingtarieven is voor bedrijven alleen maar groter geworden. In gewoon Nederlands: het komt door belastingontwijking — mede mogelijk gemaakt door juristen en fiscalisten die hun opleiding te danken hebben aan dezelfde belastingbetaler die ze, in opdracht van hun grootzakelijke klanten, zo ingenieus een poot uitdraaien.

    Ga maar na: op een begroting van pakweg 250 miljard euro is 8 procent al snel 20 miljard euro, en 5,6 procent 14 miljard euro. Ervan uitgaand dat de daling geleidelijk is gegaan, leert een simpele rekensom (de helft van het verschil tussen 300 miljard euro (15 x 8 procent van 250 miljard euro) en 210 miljard euro (15 x 5,6 procent van 250 miljard euro)) dat de Nederlandse overheid over 15 jaar een slordige 45 miljard euro aan belastinginkomsten is misgelopen. En dat is al gauw eenderde van de 135 miljard euro die de Nederlandse staat op tafel heeft moeten leggen om in 2008 (en 2013) de banken te redden

    Parasitair grootbedrijf

    Hoe zou de ontwikkeling van ons besteedbaar inkomen eruit hebben gezien als de overheid zich niet genoodzaakt had gezien het resulterende belastinggat te vullen met hogere inkomens- en consumptiebelastingen (BTW) voor huishoudens? De rekening voor wegen, kabels, leidingen, zorg, onderwijs, veiligheid moet wel worden betaald. Oftewel, het parasitisme van het grootbedrijf staat mede aan de wieg van de zorgelijke sociaaleconomische ontwikkelingen die McKinsey zo indringend schildert.

    Dat het adviesbureau de rol van de eigen clientèle en, indirect, van de eigen adviezen in dit brisante rapport zo opzichtig wegretoucheert, verraadt dat McKinsey de 'organische intellectueel' van de factor kapitaal is. Zo overzichtelijk is de wereld gelukkig nog wel.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ewald Engelen

    Gevolgd door 1486 leden

    FTM-columnist van het eerste uur, financieel geograaf aan de UvA en actief voor de Partij voor de Dieren.

    Volg Ewald Engelen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren