© CC0 (via Unsplash)

Een duurzame economie

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws is dat dat mogelijk is, als de economie een echte wetenschap wordt. Maar daar is nogal wat voor nodig. Een omslag in denken, om te beginnen. En een boek. Lees meer

Onze wereld wordt geteisterd door grote structurele problemen. Klimaatverandering, armoede, instortende economieën, om er een paar te noemen. We beschikken over tal van middelen om deze op te lossen. Dat de problemen desondanks blijven bestaan, is volgens wetenschapper Niko Roorda een kwestie van economie. Vrijwel alle grote tragedies in de wereld, meent hij, zijn er doordat we economisch gezien niet begrijpen wat we doen. We moeten toe naar een economisch systeem dat intrinsiek duurzaam is, en hebben een economische wetenschap nodig die dat ontwerpt en invoert. Hierover schrijft Niko Roorda zijn nieuwste boek, en dat wil hij samen met de lezers van FTM doen.

55 Artikelen

Een andere economie begint met anders denken over geld

Voor de laatste paar artikelen in het dossier over een duurzame economie focust Niko Roorda zich op enkele onderwerpen die hem bijzonder aan het hart gaan. Deze keer: een paar voorbeelden om daadwerkelijk anders na te denken. Over geld, om precies te zijn

Dag FTM-leden en -lezers, in de vorige aflevering die ik schreef voor FTM in het dossier Duurzame Economie, die van 23 juni, kondigde ik het al aan: de verkorte afronding van het project waarin het boek dat ik over omniconomie schrijf en dat op FTM gepubliceerd wordt.

Na 23 juni werd het even stil van mijn kant, afgezien van een losse inzending – buiten het dossier – op 8 juli over de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI. Mocht je die gemist hebben, dan weet je nu waar die te vinden is. Het werd stil, enerzijds omdat ik mezelf een paar broodnodige weken vakantie gunde, anderzijds omdat ik heel hard heb gewerkt aan het halen van een deadline: het inleveren van de vierde, wederom grondig herziene editie van mijn Basisboek Duurzame Ontwikkeling. Ik had Uitgeverij Noordhoff beloofd het manuscript voor 1 oktober in te leveren omdat het rond 1 april volgend jaar in de winkels moet liggen. (Ja, dat traject kost zes maanden.) Ik heb het gehaald, maar moest daar erg hard voor werken, 7 dagen per week, 12 uur per dag: het leven van een schrijver kan zwaar zijn. Daardoor moesten jullie langer wachten dan ik hoopte: ook het leven van een lezer kan zwaar zijn.

Omdat ik nog slechts een paar afleveringen in het dossier Duurzame Economie ga plaatsen, kies ik een paar bijzondere onderwerpen, die me na aan het hart liggen en die jullie volgens mij erg boeiend zullen vinden. Samen zijn ze tamelijk kenmerkend voor wat ik met het boek beoog.

Anders denken

Zoals je weet, indien je mijn afleveringen gevolgd hebt, gaat mijn boek over anders denken in de economie. In feite zelfs over het compleet herontwerpen van het economisch denken, aangezien economie nog in de verste verte geen wetenschap is, hetgeen zeer grote schadelijke gevolgen heeft: van klimaatverandering tot en met economische crises en armoede. Ik heb het je in de loop van het dossier allemaal laten zien.

In deze aflevering geef ik een paar voorbeelden van hoe je daadwerkelijk anders kunt denken. Over geld, om precies te zijn, op een paar manieren die je als verrassend zult ervaren. 

Denk nu alsjeblieft niet dat, als we de ideeën die ik hier aanbied maar gewoon gaan invoeren, we de economie direct duurzaam maken. Zo eenvoudig ligt het echt niet. De voorstellen die ik hier ga doen zijn vooral bedoeld om je los te schudden uit het vastgeroeste denken over economie en geld. De werkelijk belangrijke ideeën, die de wereld in een omniconomisch duurzame staat kunnen brengen, zullen moeten voortkomen uit een grondig vernieuwde economische wetenschap, die tot stand zal moeten komen door bijdragen van velen: wetenschappers, beleidsmakers, bestuurders, ‘gewone’ mensen. Wat je hier gaat lezen is bedoeld om je creativiteit op te wekken (en wellicht hier en daar een lach).

Geld, anders (nummer 1): Het gemiddeld inkomen

In het eerste voorbeeld gaat het over het bbp, het bruto binnenlands product. Ik begin met een verhaaltje.

Het hoe en waarom daarvan ontgaat de regering. Jou ook, lieve lezer? Om het risico te vermijden dat je weldra gaat afhaken vanwege rekenangst of wiskundevrees, sla ik de rest van het betoog van de geleerde buurlander over. In plaats daarvan vat ik zijn woorden samen en vertel je dat er zelfs nog een derde wiskundige methode bestaat om een gemiddelde uit te rekenen, en die wordt het ‘harmonisch’ gemiddelde genoemd. In dit pdf-bestand kun je de wiskundige details allemaal vinden. Ik geef je hier alleen de resultaten.

Terzijde: de drie gemiddelden bestonden in de wiskunde al jaren, maar de toepassing ervan op inkomens met als uitkomst de begrippen AMI, GMI en HMI is aan mijn fantasie ontsproten. Je zult ze niet in de literatuur vinden, sorry.

Het rekenvoorbeeld laat zien dat het in het beginjaar 948 nauwelijks uitmaakt welk gemiddelde je hanteert. De inkomens liggen redelijk dicht bij elkaar, met als gevolg dat het AMI, het rekenkundig gemiddelde inkomen, bijna gelijk is aan het GMI en het HMI, de beide andere gemiddelden.

Maar kijk nu naar het jaar 949, waarin veel grotere inkomensverschillen zijn ontstaan. Het AMI gaat fors omhoog dankzij het succes van inwoner 1, waarbij de tragische omstandigheden van de overigen nagenoeg geheel irrelevant zijn. Maar het GMI daalt flink ten opzichte van vorig jaar en het HMI nog veel meer: zij zijn zichtbaar gevoeliger voor ongelijkheid dan het AMI.

In het jaar dat daarop volgt vindt een ontwikkeling plaats die in de wereld buiten Friesmark natuurlijk te absurd is om echt voor te komen: inwoner 1 voegt meer dan een miljoen aan zijn inkomen toe, terwijl zijn landgenoten niet voor- of achteruitgaan, kun je het je voorstellen? Het traditionele AMI, dat keurig in het nationaal jaarverslag wordt gebruikt, gaat evenredig omhoog met (bijna) een factor 100 en de regering constateert dat het fantastisch gaat. Maar het GMI wordt niet 100 maar slechts 10 maal zo hoog, terwijl het HMI niets stijgt. Dat betekent:

De hoogte van het AMI wordt vooral bepaald door de rijksten in een land en negeert de ongelijkheid en de aanwezige armoede vrijwel geheel. De AMI-methode wordt in het echte leven door alle landen gebruikt.

Het GMI weegt armen en rijken ongeveer in gelijke mate.

Het HMI wordt grotendeels bepaald door de armen en is ongevoelig voor de toename van de rijkdom van de absurd rijken.

Het GMI is altijd lager dan het AMI, terwijl het HMI de laagste van alle drie is. Dat is een wiskundige noodzaak, met één uitzondering: als alle bedragen gelijk zijn. Dat blijkt, want in het jaar 951 pikt de armoedige onderklasse van ons kleine Friesmark het niet langer en besluit met een tweederde meerderheid van de stemmen tot een herverdeling van de inkomsten: voortaan krijgt iedereen hetzelfde. Het gevolg is dat de drie gemiddelden nu eveneens allemaal hetzelfde zijn, zoals de tabel laat zien.

De logische vraag is nu: welk gemiddelde is nu het ware gemiddelde? Het juiste, het beste?

Het antwoord is: er is geen beste antwoord. Elk van de drie gemiddelden is bruikbaar, maar voor verschillende doeleinden. Een regering die vooral belang hecht aan de welvaart van de rijkere burgers kiest voor het AMI, dat wil zeggen: voor het traditionele bruto binnenlands product (bbp). Een regeringsbeleid waarin alle mensen meetellen kan met het GMI werken, maar voor zover mij bekend gebeurt dat nergens. Dat geldt ook voor het HMI, waar een regering voor zou kunnen kiezen om het beleid vooral te richten op het opheffen van de armoede.

In eerdere afleveringen op Follow the Money, die van 3 februari en 10 februari van dit jaar, schreef ik over de Vier Sferen: die van Woorden, Verhalen, Beleid en Effecten. De figuren die je daar zag, heb ik nu ingevuld voor HMI, GMI en AMI: zie de onderstaande figuur.

Je ziet hier een helder voorbeeld van hoe de keuze van een woord (AMI, GMI of HMI) bepalend is voor welk verhaal verteld wordt (‘wat is vooruitgang?’), waarna dat verhaal bepaalt welk politiek beleid gevoerd wordt en dus welke effecten er bereikt worden, zoals toename van de ongelijkheid of juist verlaging van de armoede. 

Dat is althans de theorie, want in de praktijk is er helemaal geen keuze, worden de woorden gekozen door de rijkste en machtigste mensen en ondernemingen en is de door hen gewenste uitkomst dus bepalend voor het verhaal en het beleid. Dat is de reden waarom ieder land het AMI gebruikt.

Nogal wat economen en politici zullen vermoedelijk de schouders hierover ophalen, omdat ze ervan overtuigd zijn dat het AMI de enige juiste, logische, ware methode is om de welvaart van een land te meten. Ik kan hier niet verwijzen naar een literatuurbron die dat onderzocht heeft, want voor zover ik weet is zo’n onderzoek nooit uitgevoerd. (Mocht je wel zo’n onderzoek kennen, wil je me dat dan vertellen?) Maar als dat inderdaad zo is, illustreert dat een belangrijk feit, namelijk dat de meeste economen onbewust veronderstellen dat hun economische wetten noodzakelijk zijn en niet veranderd kunnen worden. Dat is natuurlijk niet waar, want de economische wetten zijn door mensen gemaakt en kunnen dus door mensen veranderd worden. De economische wetten verschillen daarmee fundamenteel van de natuurkundige wetten, zoals het volgende experiment laat zien.

Natuurwetten zijn niet vrij te kiezen: ze zijn ontdekt (zoals de bronnen van de Nijl ontdekt zijn).

Politieke en juridische wetten zijn bedacht, dus ze zijn vrij te kiezen. Sinds ze zijn vastgesteld bestaan ze echt (zoals televisies echt bestaan sinds we ze bedacht hebben). We kunnen ze naar wens veranderen, en dat gebeurt ook: tv’s worden steeds beter. Politieke en juridische wetten ook?

Economische wetten zijn ook bedacht, maar veel ervan zijn mythen of sprookjes (zoals Sneeuwwitje bedacht is maar nog steeds niet echt bestaat). Ik heb daarover uitvoerig geschreven in de aflevering van 24 maart van dit jaar. Drie van die mythen tref je aan in de afbeelding: de ‘Perfecte Markt’, het ‘Opkomend Tij’ en het ‘Trickle Down Effect’.

De keuze voor bepaalde economische wetten, zoals de schijnbare ‘waarheid’ van het AMI, wordt bepaald door de waarden die je koestert. Waardenvrije economie bestaat derhalve niet.

Geld, anders (nummer 2): Behoudswetten

Laat ik nu een ander voorbeeld bekijken van hoe je op een verrassende alternatieve manier kunt kijken naar ‘geld’.

Als ik jou een tientje betaal, ben jij tien euro rijker en ik tien euro armer. Opgeteld bezitten we dus nog evenveel. Dat suggereert dat er een soort Wet van Behoud van Geld is. Zo vreemd is dat niet, want het is een voor de hand liggend idee dat geld de materie is waaruit de economie is opgebouwd, net zoals energie (of massa, wat hetzelfde is) de materie is waaruit het universum is opgebouwd. Energie is een behouden grootheid: het kan niet meer of minder worden, want energie is ‘spul’. Geld is ook spul, en alle spul is, zoals we in onze peutertijd allemaal ontdekt hebben, behouden: het ontstaat niet vanzelf en het verdwijnt niet vanzelf.

En toch is dat niet waar. Geld kan wel degelijk verdwijnen, en dat kun je helemaal zelf doen. Opdracht: neem een tientje uit je portemonnee; je mag het tientje gebruiken dat ik je zojuist betaalde. Pak een aansteker en verbrand het tientje. Helemaal. En kijk: de hoeveelheid geld in de wereld is zojuist met tien euro afgenomen. Géén behoudswet dus.

De geldhoeveelheid kan ook spontaan toenemen. Als jij of ik dat doen worden we valsemunters genoemd en gestraft. Het verbranden van het tientje is overigens niet strafbaar, althans in de Europese Unie, maar we mogen het niet te gek maken, want dan zijn we volgens de Europese Commissie de sigaar:

“Lidstaten mogen de totale vernietiging van kleine hoeveelheden eurobankbiljetten of -munten door particulieren verbieden noch bestraffen. Zij dienen evenwel de ongeoorloofde vernietiging van grote hoeveelheden eurobankbiljetten of -munten te verbieden.”

Particulieren mogen dus de Wet van Behoud van Geld een beetje overtreden in neerwaartse richting, voor de rest moeten we het hoofd in nederigheid buigen en het geld eerbiedigen. Dat geldt echter niet voor de banken. Banken mogen bijna onbeperkt geld creëren, en dat telt dan niet als valsemunterij. Ze doen dat iedere keer als ze een lening uitschrijven, bijvoorbeeld een hypotheek of een investeringslening. Bijna al het geld dat in omloop is, is gecreëerd door commerciële banken. Dat mag, ze overtreden er geen wet mee. Wordt een lening afgelost, dan verdwijnt het geleende geld weer. Niet in een kluis: in het niets.

Als dit misschien vreemd voelt en een beetje ongemakkelijk: ik had het in de aflevering van 20 januari al gezegd; geld is namelijk helemaal geen spul. Geld kun je niet eten en je kunt er geen huis mee bouwen. Geld is een sprookje. Geld is Sneeuwwitje.

Niet alleen in banken wordt geldwaarde gecreëerd of vernietigd, het gebeurt ook voortdurend op de effectenbeurzen. Soms op een heftige wijze, zoals op 23 april 2013. Op die dag werd het Twitteraccount van Associated Press gehackt, waarna een nepbericht de wereld werd ingestuurd dat het Witte Huis was aangevallen en dat President Obama gewond was. Prompt brak een flash crash uit, een flitskrach, waardoor binnen twee minuten in de S&P 500 Index een waarde van 136 miljard dollar ‘verdampte’ doordat zomaar ineens de koersen van veel aandelen instortten. Een vermogen verdween in het niets. Gewoon: weg…! 

Het grootste deel daarvan kwam later overigens spontaan terug uit niet-zijn.

Toch zou het misschien zo gek nog niet zijn als we wat meer regels zouden invoeren die in de buurt komen van een behoudswet, zo niet van geld, dan toch van geldstromen. Hier zijn een paar nieuwe, leuke regels waar je aan zou kunnen denken:

(1) De totale loonsom in een land staat vast. Als iemand meer gaat verdienen, gaan anderen dus minder verdienen. Welke politieke gevolgen zou dat hebben? 

(2) Het minimuminkomen is een vast percentage van het maximale inkomen. Kies zelf of dat geldt binnen bedrijven en/of in een land. Of de hele wereld.

Je kunt er ook voor kiezen om juist het hele idee van een behoudswet aan de kant te schuiven. Dat kun je bijvoorbeeld doen door geld eenzelfde status te geven als tegoedbonnen: het verliest na verloop van tijd vanzelf, wettelijk bepaald, zijn waarde. Dat kan in één keer na een jaar, of na tien jaar, maar het kan ook geleidelijk, bijvoorbeeld doordat alle geld vanaf het jaar van uitgifte een vast percentage van zijn waarde afschrijft. Tien procent per jaar bijvoorbeeld: als dat briefje van tien euro van zojuist is gedrukt in 2015 (en daarna niet is verbrand), dan is het in 2016 nog 9 euro waard, in 2017 8,10 euro enzovoorts. Het zal even wennen zijn, maar er is geen technisch bezwaar om zoiets te realiseren. Het lost direct een probleem op waarmee de banken momenteel worstelen: de inflatie wil maar niet komen. 

Inflatie is belangrijk, melden economen, omdat anders de mensen hun geld te lang oppotten en te weinig kopen waardoor de economie stagneert. Journalist Peter de Waard vroeg tijdens een interview in 2019: “Waarom lukt het niet om meer inflatie te bewerkstelligen?” Het antwoord kwam van de Groningse hoogleraar en voormalig directeur van de Nederlandsche Bank Lex Hoogduin. “De economische wetenschap weet dat eigenlijk zelf niet.” Waarna de interviewer nuchter toevoegde: “Daar worden door economen – en inmiddels ook psychologen – veel redenen voor genoemd.” Met onze talrijke economische scholen hoeft dat niemand te verbazen: zie de aflevering van 10 maart. En dat hoeft dus allemaal niet meer indien je de waardevermindering bij voorbaat in de definitie van ‘geld’ opneemt. Die vrijheid hebben we, want geld is immers een sprookje dat we zelf schrijven. 

Geld, anders (nummer 3): Relativistische vermogensgroei

Als Bill Gates gisteren 80 miljard dollar bezat, en hij maakt vandaag 10 miljard dollar winst, hoeveel bezit hij dan vanavond? 90 miljard dollar, vanzelfsprekend.

Waarom is dat vanzelfsprekend? Omdat anders de Wet van Behoud van Geld wordt overtreden (zullen sommige mensen vermoeden). Dan raakt Bill zomaar ergens geld kwijt waar hij recht op heeft.

Echter. Als Bill vanavond in een ruimteschip stapt dat prompt door de kosmos gaat bewegen met een snelheid van 200 duizend kilometer per seconde, en dat ruimteschip zet morgen zijn raketmotoren aan en voegt nog eens 200 duizend km/s aan zijn snelheid toe, hoeveel snelheid bezit Bill dan morgenavond? Je zou verwachten: 400 duizend. Maar dat is het niet: het is slechts 277 duizend km/s.

Vreemd? Dankzij Albert Einstein weten we sinds 1905 dat je snelheden niet zomaar bij elkaar mag optellen. Want er is een maximumsnelheid. Die snelheid bedraagt ongeveer 300 duizend kilometer per seconde, en het is de snelheid waarmee lichtstralen door vacuüm bewegen. Geen enkel voorwerp kan harder bewegen dan het licht. Sterker: alle dingen die massa hebben, dus onder meer jij en Bill en ik, moeten onder die snelheid blijven. Dat is een natuurkundige wet, dus die mogen we niet zelf kiezen of veranderen.

Als je twee snelheden optelt, zoals Bill deed in zijn ruimteschip, dan mag je niet de normale optelsom maken. In plaats daarvan moet je een ingewikkelder formule gebruiken, die de liefhebbers kunnen vinden in dit pdf-bestand. Die formule levert Bill een resulterende snelheid op van bijna 277 duizend km/s, dus ruim onder de lichtsnelheid. 

Nu beweegt het licht nogal snel. Daarom merk je pas duidelijk effecten van de maximumsnelheid als je zelf ook erg hard beweegt. Ga je met alledaagse tempo’s door het leven, dan merk je er niets van, en dat is ook de reden waarom het tot 1905 duurde voordat iemand in de gaten kreeg dat er iets niet klopte. Als jij morgen een trein in stapt die over het spoor gaat rijden met een snelheid van 144 km/u, dat is 40 meter per seconde, en je loopt tijdens het rijden door de trein in voorwaartse richting met een snelheid van 7,2 km/u oftewel 2 meter per seconde, hoe hard ga je dan ten opzichte van de buitenwereld? Minder dan 42 m/s, maar het scheelt niet veel: 41,999999999999963 m/s. (Voor wie zelf hogeprecisie berekeningen wil maken: ik heb ze gedaan met de online calculator van Casio.)

Hoe dichter je snelheid bij het maximum komt, hoe meer je van dit relativistische effect merkt. Ik geef een paar rekenvoorbeelden. Het bovenste en het onderste voorbeeld heb je zojuist in de tekst gezien. Let op het verschil tussen m/s en km/s.

Terug nu naar de inkomsten van Bill Gates. En die van jou en mij. Als de natuur geregeld heeft dat er een universele maximumsnelheid is, waarom zou de mens, die zelf zijn economische wetten kiest, dan niet een maximumvermogen vaststellen? Laten we de waarde daarvan gemakshalve gelijkstellen aan de lichtsnelheid (300 miljoen meters per seconde), maar dan uitgedrukt in dollars. Dat wil zeggen: niemand kan meer bezitten dan 300 miljoen dollar. Een mooi bedrag, toch? Als je van dat geld 80 jaren zou willen leven zonder te werken, kun je tienduizend dollar per dag uitgeven – als ik gemakshalve inflatie, vermogensbelasting, rente en dividenden tegen elkaar wegstreep. Dat is toch voldoende voor wie dan ook? 

Door de handige keuze van het maximumvermogen kun je de getallen van het rekenvoorbeeld mooi recyclen. Wie op 1 januari een bedrag van 200 miljoen dollar bezit, dus 200.000 kilodollars, en er in de loop van het jaar nog eens zo’n zelfde bedrag bij ontvangt, heeft aan het eind van het jaar 276.923 kilodollars, afgerond: 277 miljoen dollar. Ik noem dat: relativistische vermogensgroei. Die is voelbaar voor de zeer rijke mensen maar niet voor de armen, want wie slechts 40 dollar bezit en er 2 bijkrijgt, heeft 41,999999999999963 dollar. Zou jij van dat gemis wakker liggen?

Natuurlijk kun je je afvragen: kan dat dan? Het antwoord is verrassend simpel. Natuurlijk kan dat! Overheden kunnen eenvoudig de banken instrueren dat ze bij het bijboeken van geld op het account van een rekeninghouder niet de gewone maar de relativistische optelling hanteren. De wiskundige formule kunnen de bankklerken zoals gezegd vinden in de genoemde uitklapper; indien nodig help ik wel even. Goed, het wordt wat ingewikkelder als iemand geld op meerdere banken heeft staan, wellicht in verschillende landen. Het wordt nog wat lastiger als je andere soorten vermogen gaat meetellen, bijvoorbeeld de financiële waarde van aandelen, onroerende goederen en patenten. Fraudebestrijding zal ook niet zo eenvoudig zijn. Maar dat zijn allemaal slechts technische problemen, die moeten de financieel economen maar oplossen: dat moet in een tijd van big data en internetverbondenheid te doen zijn. Het gaat om het idee: waarom zouden we het goed moeten vinden dat er mensen zijn die zomaar onbeperkt vermogen op vermogen stapelen en dus ook macht op macht?

Een andere tegenwerping tegen mijn voorstel zou kunnen zijn: Het kan niet, want: waar blijft het ontbrekende geld? Maar nu stel je eerlijk gezegd geen slimme vraag, want de Wet van Behoud van Geld is immers maar schijn.

Ter illustratie is het aardig om te kijken wat er gebeurt als een snelheid of een financieel vermogen met een vaste regelmaat aangroeit. In een tempo van, laat ik zeggen, 10 miljoen per jaar. (Meters per seconde of dollars.) Je krijgt dan een grafiek zoals in de volgende afbeelding.

Als deze regel niet alleen geldt voor individuen maar ook voor ondernemingen, heeft dat consequenties voor fusies. Stel: een bedrijf met een waarde van 250 miljoen dollar koopt een bedrijf van 140 miljoen. De opgetelde waarde is dan niet 390 miljoen maar slechts 280,8 miljoen dollar. Dat is zo’n 72% van de klassiek opgetelde waarde. Dat betekent, dat de aandelenkoers automatisch naar 72% van de oorspronkelijke waarde gaat. Aandeelhouders zullen dat wellicht niet zo prettig vinden, en dus heb je daarmee vanzelf een middel dat de vorming van al te grote en dominante multinationale ondernemingen tegengaat. Een antiklonteringsmiddel, een emulgator.

Anders, maar niet voldoende

Ik sluit het anders over geld denken af met een herhaling van de opmerking die ik aan het begin maakte. Want het zijn misschien best aardige ideeën die je hier gezien hebt. (Of ze realistisch zijn mag je zelf bepalen.) Maar ik zei het aan het begin al: denk alsjeblieft niet dat deze en vergelijkbare voorstellen voldoende zijn om het wereldwijde economische systeem intrinsiek duurzaam te maken. Ik heb geen voorstellen gedaan voor complete oplossingen, het zijn slechts voorbeelden om je geest te openen. Voor een grondig herontwerp van de economie is veel meer nodig.

Wat er nodig is, heb ik verteld in de aflevering van 10 februari, waarin ik het woord ‘omniconomie’ introduceerde. De nieuwe omniconomische wetenschap dient ontwikkeld te worden als een vervanging van de huidige economische protowetenschap, een term die ik op 3 maart voor het eerst gebruikte. 

In de volgende (en laatste) aflevering vertel ik hoe dat gaat: de ontwikkeling van een gloednieuw wetenschapsgebied. Ik doe dat aan de hand van historische en huidige voorbeelden, waaronder de natuurkunde, de medische wetenschap en de neuropsychologie. Daarna laat ik zien wat dat betekent voor het economisch denken en de economische werkelijkheid. Samen vormen die onderwerpen een waardig slot van mijn verhaal op Follow the Money in het dossier Duurzame Economie.

Binnenkort verschijnt die slotaflevering. Hou de berichten in de gaten, of kijk zo nu en dan even in dit forum. Tot gauw!

Niko Roorda
Niko Roorda
Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.
Gevolgd door 782 leden