Een eed voor journalisten lost niets op

4 Connecties

In het Parool stelt onderzoeksjournalist en hoogleraar Jeroen Smit voor om een eed voor journalisten in te stellen. Een slecht idee, oordeelt collega Eric Smit. En legt uit waarom.

Zouden journalisten net als bankiers een soort eed moeten afleggen waarin ze onder meer beloven te streven naar waarheidsvinding? Ik stel de vraag omdat mijn gewaardeerde collega Jeroen Smit dit afgelopen weekeinde opperde in een interview in het Parool. Enige tijd geleden werd de journalistieke wereld opgeschrikt door een pijnlijke rel rond journalist Perdiep Ramesar van dagblad Trouw die zijn bronnen verzon. Fraude in de journalistiek!

Mediamelanoom

Smit deed samen met rechter Egbert Myer in opdracht van Trouw onderzoek naar deze kwestie en schreef er een rapport over dat de hoofdredactie van krant integraal publiceerde. Smit kwam dus ook met het genoemde voorstel. De hierboven gebezigde omschrijving ‘net als bankiers’ kwam van hem. Er is klaarblijkelijk slechts één malverserende figuur nodig om als journalist gelijkgeschakeld te worden met generaties graaiende bankiers. Lekker is dat! Ik snap dat mijn zeer gewaardeerde naamgenoot veelvuldig over bankiers nadenkt, maar hij had er beter aan gedaan om in de artsenij op zoek te gaan een passende vergelijking. Zo'n idee voor een journalisten-eed opperde in 2011 de Britse journalist George Monbiot ook al eens. Hij stelde destijds voor om de journalistieke versie van de eed van Hippocrates in te voeren. Dit naar aanleiding van het ontluisterende phone hacking scandal, een tragisch dieptepunt in de geschiedenis van de Britse journalistiek waarin het corrupte News International, een dochter van het mediaconcern van mediamelanoom Rupert Murdoch, een hoofdrol speelde.
Een eed voor bankiers is al een zinloos gebruik, laat staan dat er één voor journalisten moet komen
Die kwam er niet, maar belangrijker is dat ik het geen goed voorstel vind. Ik vind een eed voor bankiers al een zinloos gebruik, laat staan dat er één voor journalisten moet komen. Ik zal dat toelichten. Ik denk om te beginnen dat bestaande instituties – de rechter, de Raad voor de Journalistiek – sterk genoeg zijn om ondeugdelijk werk van journalisten aan te pakken. Dit standpunt slaat de discussie echter in een vroeg stadium dood, dus laat ik eerst even meedenken. Smit stelt dat een korte verklaring – vastgelegd in een register - waarin de journalist belooft te streven naar waarheidsvinding, zorgvuldig werken en het beter maken van de samenleving moet kunnen volstaan.

Bij de les

Die eed heeft volgens Smit twee functies. Ten eerste: de journalist realiseert zich de betekenis van het vak als hij een eed aflegt. De tweede is dat een nieuwsconsument met behulp van een eed kan controleren wie de journalist is. Wat de eerste functie aangaat: ik meen dat een journalist sowieso de betekenis van het vak dient te kennen en zich die dagelijks bij elke stap van zijn journalistieke werk moet realiseren. Wanneer hij of zij in de greep is gekomen van een intrinsieke, motivatie ondermijnende sleur, dan dient regelmatig contact met geïnspireerde collega’s die persoon op gepaste wijze weer bij de les te brengen. Daarnaast dient natuurlijk een wakkere hoofdredactie bij het beoordelen van het werk van de journalist telkenmale die waarden te onderstrepen en eventueel de betreffende persoon op andere loopbaanmogelijkheden te wijzen. Dan punt twee. Een willekeurige lezer of kijker moet op elk gewenst moment kunnen nagaan wie de journalist is. Ook nu al. Journalisten zijn merken en hun werk moet goed vindbaar zijn. Op de website van het medium, via social media of via een eigen website van de journalist. Als dat niet het geval is, dan hebben het medium en de journalist nog wat werk te verrichten. Dan even iets over de praktische uitvoerbaarheid. Wie gaat het register onderhouden? Wie gaat de eed afnemen? Wie gaat controleren of de eed ook serieus wordt genomen? U snapt waar ik heen wil: dit is vragen om bureaucratie. Moeten we niet willen. Mijn voornaamste argument tegen luidt als volgt: een echte bedrieger – of die nou bankier is, journalist of Wereldtijdschriftverkoper - laat zich niet door een officiële eed afschrikken. Integendeel. Een eed vormt eerder een façade van schijnbetrouwbaarheid, waarachter fraudeurs schuil kunnen gaan. Dan tot slot: journalisten controleren de macht, maar ze hebben zelf ook macht. Journalisten moeten elkaar dan ook niet sparen, maar het aandurven om elkaar scherper te controleren dan nu gebeurt. Dog eat dog. Daar kan het alleen maar beter van worden.