• Dat lijkt me een onmogelijke opgave. 1) Over wetenschap kan niet op democratische wijze worden beslist. 2) Het levert slechts utopieën op.

Niko Roorda is terug van vakantie en begint 2019 met een belangrijke aankondiging over zijn boekproject.

Beste lezers van Follow the Money,

Het nieuwe jaar is begonnen. Ik wens jullie allemaal een uitstekend 2019 toe. Met het nieuwe jaar begint voor mij een nieuwe start met het dossier Duurzame Economie. Want ik ga het wat anders aanpakken dan voorheen.

Dat is mede te danken aan jullie uiterst waardevolle inzet. Met behulp van de feedback van tal van mensen in het forum van Follow the Money heb ik in het afgelopen ruime jaar allerlei nieuwe inzichten opgedaan. Dank daarvoor, heel veel dank.

Te uitgebreid, te veel bijzaken

Een van de nieuwe inzichten, geleidelijk gegroeid in de loop van het vorige jaar, is dat ik veel beter dan voorheen een onderscheid moet maken tussen hoofd- en bijzaken. Door goed te kijken naar de discussies die in het FtM-forum ontstonden naar aanleiding van mijn publicaties, is me duidelijk geworden dat ik in mijn stukken op bepaalde onderwerpen veel te diep in ben gegaan. Op zichzelf leverde dat teksten op die – getuige jullie reacties – interessant genoeg waren. Een voorbeeld is het over meerdere afleveringen verspreide betoog over de kernenergie: een tekst waar ik nog steeds voluit achter sta, net als achter mijn andere publicaties, al is uit jullie reacties duidelijk geworden dat ik zo nu en dan de plank wel eens missloeg: een waardevolle les voor mij, en precies wat ik hoopte te krijgen. Maar zo’n betoog over de kernenergie, hoe terecht ook (volgens mij), leidt af van mijn kernboodschap. Ik wilde het te goed doen, te zorgvuldig en te uitgebreid, en deed het daardoor minder dan goed.

In gesprekken met de redactie en de uitgever van FtM hebben we onderzocht wat de consequenties van mijn te uitgebreide aanpak waren. Zoals je (misschien) weet, is het doel van mijn project niet slechts een reeks afleveringen, maar uiteindelijk een compleet boek. Welnu, een rekensommetje gebaseerd op mijn plannen leverde een resultaat op dat duidelijk niet acceptabel was: het zou uiteindelijk een boek opleveren dat minstens uit negenhonderd tot duizend pagina’s zou gaan bestaan. Dat is natuurlijk veel te gek: wie leest zo’n boek? Niemand, vermoedelijk.

Bovendien werd mij meer en meer duidelijk dat ik niet snel genoeg tot de kern van mijn betoog doordrong. Daarmee stelde ik het geduld van de lezers op de proef, die daardoor konden gaan denken: waar wil hij nu eigenlijk naar toe? Kortom: het moest sneller, effectiever, direct to the point

Mogelijke oplossingen

In de afgelopen maanden heb ik gezocht naar oplossingen. Ik heb gesprekken gevoerd met tal van mensen en groepen die mij adviseren en mijn werk van commentaar voorzien. Want feedback krijg ik niet alleen van jullie, FtM-ers, maar ook van studenten, economen, ondernemers, consultants, hoogleraren, familieleden en anderen. En steeds als eerste van mijn vrouw. 

De gesprekken maakten duidelijk: mijn verhaal moest korter, en daarvoor moest ik ontdekken wat de kern is van mijn verhaal en wat bijzaken zijn die ik moet wegsnijden. Begrijp me niet verkeerd: als ik het heb over bijzaken, bedoel ik niet onbelangrijke kwesties. Zo’n onderwerp als de kernenergie is uiterst belangrijk. Maar voor wat ik naar voren wil brengen is het een zijtak die, om de omvang te beheersen, weg moet. En dus ontstaat vanzelf de vraag: wat is nu precies de kern van mijn verhaal? Wat moet er per se in, wat kan weg?

De gesprekken hielpen mij. Dat deden ook verschillende presentaties die ik verzorgde voor zalen: ik dank degenen die mij daartoe de gelegenheid boden door mij uit te nodigen. (Ik sta open voor nieuwe uitnodigingen!) Tijdens die presentaties lette ik goed op mijzelf: wat bracht ik naar voren, waar legde ik de nadruk? Welke delen van mijn verhaal ‘pakten’ in de zaal, wat sprak de toehoorders aan? Welke vragen stelden ze om meer duidelijkheid te krijgen, en welke antwoorden gaf ik dan?

Langzaam maar zeker kreeg ik meer inzicht. De essentie van mijn betoog veranderde er niet door, hij werd alleen steeds helderder en kernachtiger geformuleerd, en dat was goed. Maar daardoor ontstond er wel een logische volgende vraag. En dus? Doorgaan met het huidige boek, of…?

Met de redactie en de uitgever van FtM heb ik erover gesproken. Samen hebben we diverse opties verkend. Zo werd de mogelijkheid besproken om twee versies van het boek te maken: de ‘dikke’ en de ‘dunne’. De ‘dikke’ versie is dan degene die al volop op FtM aan het verschijnen is. Daarvan zou dan een uitgeklede ‘dunne’ versie geschikt gemaakt kunnen worden om als boek uit te geven, door alle zijtakken weg te snijden. Die weggesneden delen hoefden dan niet per se weggegooid te worden, ze zouden bijvoorbeeld als verdiepingsstof in de vorm van pdf-bestanden op een website geplaatst kunnen worden. Eventueel hoefde ik misschien die ‘dunne’ versie niet zelf te maken, zo overwogen we: snijden in eigen werk doet best wel zeer. Later concludeerde ik echter dat het door een coauteur laten afslanken van mijn werk een manier is om voor mijn verantwoordelijkheid weg te lopen. Die weg ging ik niet bewandelen.

Ik heb het geprobeerd. Ik heb een oprechte poging gedaan om te snijden. Maar het werkte niet, want ik merkte dat wat ik overhield, geen samenhangend verhaal kon worden. Het werd voelbaar een verhaal waaruit dingen weggesneden waren: een boek met gaten. En dus restte mij uiteindelijk maar één conclusie.

Ik moest helemaal opnieuw beginnen.

Zo’n conclusie is niet leuk, geloof me. Het boek dat ik had geschreven was gevorderd tot zo’n 180 pagina’s A4, wat in pagina’s van een gedrukt boek zou neerkomen op zeker 240 pagina’s: rond 90.000 woorden. Het resultaat van zo’n twee jaar keihard werken, vaak zeven dagen per week. Zoiets gooi je niet licht weg. Maar het moest, want ik was op de verkeerde weg.

Natuurlijk: het werk was heus niet voor niets. Ik heb er heel veel van geleerd. Door mijn bronnenonderzoek, de gesprekken en de presentaties. Door het opschrijven van de teksten en door jullie feedback. Het pad naar het uiteindelijk gewenste boek liep, zo bleek mij, eenvoudig niet langs een rechte weg maar langs een kronkel. Zoals ook rivieren meanderen. Dat is niet erg, het is gewoon zo. Bovendien kan ik sommige stukken van het oorspronkelijke boek, al dan niet ingekort of geredigeerd, opnieuw gebruiken, want het is allemaal heus geen onzin.

Een nieuw plan

En dus heb ik een nieuw plan gemaakt: dat gebeurde zo’n beetje rond oktober vorig jaar. Ik ben begonnen met een nieuwe opzet in de vorm van een inhoudsopgave: dat is een aanpak die ik bij al mijn boeken heb gebruikt en die me prima bevalt. Dat leidde tot een indeling in acht hoofdstukken.

Vervolgens heb ik mezelf een keiharde randvoorwaarde opgelegd. Eerst keek ik naar een aantal succesvolle boeken van andere auteurs in mijn boekenkast: hoe dik waren die? Ik vertaalde mijn conclusie in een getal. Mijn boek mag (afgezien van alfabetisch register, titelpagina etc.) niet meer dan 320 pagina’s tekst + afbeeldingen bevatten. Vertaald naar het grotere A4-formaat waarin ik het boek schrijf, komt dat neer op slechts 240 pagina’s. Deel dat door acht hoofdstukken, en je krijgt mijn absolute grens: per hoofdstuk mag ik niet meer dan 30 pagina’s gebruiken.

Zo ben ik van start gegaan, een paar maanden geleden. Dat betekent, dat ik een tijdlang parallel werkte aan twee projecten: het oude en het nieuwe boek. Met het oude boek moest nog een tijd door, omdat ik toezeggingen gedaan had aan FtM en dus aan jullie, mijn lezers. Maar intussen groeide het nieuwe boek, want het ging goed! Gemakkelijk was het niet, want wat ik ’s avonds en ’s nachts schreef (zo werk ik nu eenmaal graag), moest ik de volgende ochtend vaak deels weer schrappen, als ik mezelf de scherpe vraag stelde: was dat-en-dat nu eigenlijk wel absoluut noodzakelijk voor de kern van mijn verhaal? Iedere keer als het antwoord ‘nee’ was, werd de Delete-knop gebruikt. ‘Schrijven is schrappen’, zegt men, en ik kan je verzekeren: dat schrappen is niet leuk, maar je tekst knapt er wel van op.

En nu heb ik twee van de acht hoofdstukken klaar. Allebei in exact 30 pagina’s. Samen vormen die het bewijs dat het lukt! Ik krijg het voor elkaar om het boek te schrijven volgens de harde randvoorwaarde die ik mezelf opgelegd heb. Ik verwacht de rest van het boek in de komende maanden te schrijven: als het meezit is het boek kort na de zomer van dit jaar klaar.

Daarmee is, tegelijk met de start van 2019, ook een passend moment gekomen voor de start van het nieuwe boek. Waarin ik veel sneller tot de kern kom van wat ik nu eigenlijk wil zeggen. Ik leg vandaag het eerste stukje van het resultaat aan jullie voor, en ik ben benieuwd naar de reacties.

Bericht aan nieuwe instappers

Een bijkomend voordeel is, dat mensen die het onderwerp interessant vinden en nieuw willen instappen, nu een prachtige gelegenheid krijgen om dat te doen. Als je vandaag wilt beginnen in dit forum over Duurzame Economie, hoef je niet eerst de voorafgaande 35 afleveringen te lezen. Je begint eenvoudig hier, en je maakt alles mee.

En dus is hier het begin. Ik bied je vandaag nog niet hoofdstuk 1: dat start volgende week. Voorafgaand aan hoofdstuk 1 heb ik een Inleiding geschreven die in het kort vertelt waar het boek over gaat. Die inleiding bied ik je aan.

Hartelijke groet, Niko Roorda


Inleiding: het Plan

We snappen gewoon nog niet goed wat we doen. We denken vaak dat we een goed doordacht economisch systeem in elkaar hebben gezet, maar in werkelijkheid is de wereldwijde economie gewoon maar zo’n beetje spontaan ontstaan. Zonder doel, zonder ontwerp, zonder inzicht. De economie is een knutselwerkje waarvan we zelf niet eens begrijpen hoe het werkt. Dat is het probleem. Daarom gaat er in de wereld zo verschrikkelijk veel fout.

Dat kan anders. Beter. Een plan daarvoor beschrijf ik in dit boek.

We begrijpen de fundamentele verbanden in de economie nog niet. Omdat er van alles verkeerd gaat, sleutelen we en draaien aan alle knoppen, maar het helpt niet. Want we weten niet wat we moeten doen om een stabiele, veilige en duurzame wereld te creëren. Die economie, die krijgen we maar niet in de vingers. Economie is nog lang geen wetenschap, en dus komt ieder economisch beleid neer op aanmodderen. Op tasten in het duister.

De economische theoretici zouden dolgraag hun vakgebied met evenveel succes opbouwen als de natuurwetenschappen, die in de afgelopen eeuwen grandioze resultaten behaalden. Natuurkunde, scheikunde en biologie hebben grootse theoretische bouwwerken geconstrueerd die onze inzichten in de fysieke werkelijkheid enorm hebben vergroot. Dat levert geweldige successen op. Moderne technologie is in staat om robots op andere planeten te laten landen. Om alle mensen online met elkaar te verbinden, om tal van ziekten te genezen of zelfs voorkomen, en om voldoende voedsel te produceren voor wel tien miljard mensen.

Tegelijkertijd slaagt de economie er niet in om zelfs maar de meest elementaire zaken voor elkaar te krijgen. Als gevolg van onze economische bedrijvigheid wordt de natuurlijke leefomgeving systematisch verwoest. Dier- en plantensoorten sterven massaal uit. In oceanen groeien de dode zones. Het klimaat verandert, land- en poolijs smelt, zeeën rijzen, nog in deze eeuw gaan wereldsteden onderlopen. Vluchtelingenstromen van honderden miljoenen mensen lijken onafwendbaar. Terwijl een minderheid van de mensheid een nooit eerder geziene welvaart kent, en terwijl er meer dan genoeg voedsel is om alle monden te vullen, verkeren honderden miljoenen mensen in de meest schrille omstandigheden van armoede, ondervoeding en gebrek aan veiligheid, gezondheidszorg en onderwijs. Rijken worden in hoog tempo rijker, de exploderende ongelijkheid ondermijnt de solidariteit in de samenleving. En nog steeds stort de wereldwijde economie van tijd tot tijd op chaotische wijze in elkaar als zeepbellen klappen en beurzen instorten.

Terwijl de technologie in de 21e eeuw is beland, verkeert de economie nog in het Stenen Tijdperk.

Oplossingen om de economie meer succesvol te maken worden van alle kanten aangeboden. Meer dan vijfentwintig economische scholen vechten met elkaar over de meest elementaire onderwerpen. Als de natuur- en sterrenkunde nog in datzelfde primitieve stadium was, zouden de astronomen vandaag twisten over de vraag hoe je de toekomst kunt afleiden uit de stand van de planeten.

Tegelijk wordt er, met enig succes, gewerkt aan het duurzamer maken van de wereld. Maar de duurzaamheid die we thans realiseren verandert de wereld niet op een fundamentele manier, omdat we nog niet weten hoe dat zou kunnen. Omdat we onze eigen economische en politieke processen niet begrijpen en ze dus ook niet kunnen verbeteren. Als gevolg daarvan leidt de huidige duurzame ontwikkeling tot ‘aangekleefde’ duurzaamheid: dat is duurzaamheid waarbij wij – dat wil zeggen: de toekomstige generaties – voortdurend moeite zullen moeten blijven doen om hem in stand te houden. Dat soort duurzaamheid is instabiel, hij valt omver zodra je stopt met je inspanningen, omdat hij niet fundamenteel in het wereldwijde systeem in geïntegreerd. En dat is niet goed genoeg: wat we nodig hebben is een vorm van duurzaamheid die van zichzelf stabiel is. Zodat hij overeind blijft, zelfs als we er niet op letten. Ik noem dat: ‘intrinsieke duurzaamheid’. Het is het doel van mijn plan en van dit boek, en het moet het doel worden van duurzame ontwikkeling en in feite van de gehele samenleving.

En dus is de eerste, noodzakelijke stap van het plan: erkennen dat de economie als vakgebied nog in de verste verte geen wetenschap is. Ons onvermogen toegeven. Economie is niet meer dan een ‘protowetenschap’, die een aantal kenmerken van beginnende wetenschap vermengt met eigenschappen die eerder behoren bij religie, bij filosofie, bij magisch denken en bij plat bijgeloof. In het eerste gedeelte van dit boek bewijs ik keihard dat de economie nog echt zo’n protowetenschap is. Waarna ik laat zien hoe ongelooflijk schadelijk en gevaarlijk dat is, aangezien tal van regeringen, bestuurders en directies niet beseffen dat de ‘wetenschappelijke feiten’ die ze als basis hanteren voor hun beslissingen en hun strategisch beleid in werkelijkheid sprookjes zijn. Mythen. Verhalen die verteld worden met behulp van woorden die niet deugen omdat ze onze gedachten verkeerde kanten op sturen.

De logische volgende stap van mijn plan is: het aanwijzen van een weg waarlangs een echte, volwassen wetenschap ontwikkeld kan worden. Ik zal duidelijk maken dat zo’n wetenschap niet alleen over economie kan gaan, net zoals – pakweg – autotechnologie niet alleen maar over het chassis mag gaan maar over de gehele auto en zelfs over de wegen en de verkeerswetten. Zo ook moet de nieuw te ontwikkelen volwassen wetenschap niet alleen gaan over economie, maar ook over sociologie, psychologie, politiek, milieu, natuur, zon en wind en nog veel meer. Deze nieuwe wetenschap, die nog niet bestaat, moet een naam hebben: ik noem hem ‘omniconomie’, een woord dat begint met ‘omni’: ‘alles’.

Ik hoop dat je niet verwacht dat ik in mijn eentje die omniconomie even ga ontwerpen. Dat kan natuurlijk helemaal niet: die wetenschap kan alleen ontwikkeld worden als wetenschappers van allerlei vakgebieden intensief interdisciplinair met elkaar samenwerken. Beter nog: als daarbij bovendien de brede samenleving betrokken wordt, zodat wetenschap en maatschappij samen besluiten wat voor wereld, wat voor samenleving, de nieuwe omniconomische modellen dienen op te leveren.

Hoewel ik niet in mijn eentje de omniconomische wetenschap kan ontwikkelen, kan ik wel laten zien welke wegen we kunnen bewandelen om dat te laten gebeuren. Dat is de kern van mijn plan, waarvoor ik nauwkeurig de ontwikkelingen bestudeer die in voorbije eeuwen hebben geleid tot de thans zo succesvolle wetenschapsgebieden. Ik zal laten zien dat belangrijke elementen voor de totstandkoming van nieuwe wetenschappen waren: het beschikbaar komen van nieuwe instrumenten, van nieuwe wiskundige of logische technieken en denkmodellen en zelfs van nieuwe woorden. Voorbeelden uit het verleden waren: de telescoop, de klok en de kansrekening.

Ook nu, in de 21e eeuw, is er een geweldige hoeveelheid van zulke innovatieve elementen beschikbaar. Deze keer zijn dat: computers, internet, big data, complexiteit, zelflerende systemen, kunstmatige intelligentie, virtual reality, artificial life en nog veel meer. Samen gaan die ons in staat stellen om de zo hard nodige omniconomische wetenschap te creëren. 

Zodat we snappen wat we doen. Zodat we doelgericht een wereldwijd menselijk systeem kunnen opbouwen waarin duurzaamheid een intrinsieke eigenschap is van de menselijke samenleving, vanzelfsprekend harmonieus ingebed in de natuurlijke samenleving van onze planeet.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 658 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1090 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier