'Een eenzijdige frame van het generatieconflict'

1 Connectie

Onderwerpen

Pensioen
8 Bijdragen

David Hollanders heeft kritiek op wat hij een 'eenzijdig pensioenartikel' noemt. 'Yvonne Hofs laat de rol van werkgevers en vermogensbeheerders ten onrechte ongenoemd.'

In de Volkskrant van 21 september jongstleden schreef journalist Yvonne Hofs een artikel over pensioenen dat enig stof heeft doen opwaaien. Hofs zoekt haar kracht niet in de nuance: zo neemt zij bij 'boze' zestigers 'schaamteloos egoïsme' waar en ze schrikt van hun 'onwetendheid'. Evenmin zoekt zij haar kracht in originaliteit, zij hanteert het vaak gebruikte frame van de intergenerationele conflict. Het is opvallend dat een onafhankelijke journalist pagina's lang frontaal politiek stelling neemt tegen een politieke partij (50Plus), nota bene in haar eigen krant en op haar eigen onderwerp. Dat staat de Volkskrant vrij, maar ongebruikelijk is het wel. Waar het werkelijk omgaat, is of het artikel hout snijdt. Nu, dat doet het volgens mij niet. Dat heeft alles te maken met het eenzijdige frame van generatieconflict. Hofs laat de rol van werkgevers en vermogensbeheerders ten onrechte ongenoemd.  

In bijzonder is het volgende van belang:

1) Yvonne Hofs gaat er aan voorbij dat de werkgever een pensioen-overeenkomst heeft gesloten met werknemers. Deze pensioenovereenkomst is onderdeel van de arbeidsovereenkomst. Deze pensioenovereenkomst is veelal een uitkeringsovereenkomst. Toezichthouder DNB kwalificeert de meeste uitkeringen ook als zodanig. In een uitkeringsovereenkomst - het woord zegt het al - zegt de werkgever een (geïndexeerde) uitkering toe. (Terzijde: naast een uitkeringsovereenkomst onderscheidt de Pensioenwet een kapitaalovereenkomst en een premieovereenkomst. Deze vormen een minderheid en daarover rep ik hier niet.) 2) Krachtens de uitkeringsovereenkomst heeft het fonds tot uitkering te komen aan pensioengerechtigden. Dit heeft niets te maken met een 'generatieconflict'. (Terzijde: het staat werkgevers vrij te stoppen met aanbieden van uitkeringsovereenkomsten. Dit ontslaat hen uiteraard niet van de plicht in het verleden gedane toezeggingen na te komen.) 3) Dat de uitvoeringsovereenkomst tussen fondsen en werkgevers -niet te verwarren met de pensioenovereenkomst- soms een vaste premie bevat, maakt dit niet anders. 4) Om wanbetaling te voorkomen, dienen werkgevers de toezegging voor te financieren in een pensioenfonds. 5) Een uitzondering op de betalingsverplichting is de figuur van afstempelen, welke krachtens de Pensioenwet ingezet worden mag als ultimum remedium, of te wel als laatste middel. Evenwel: 6) Gelijk bekend, is de (reële) dekkingsgraad van veel pensioenfondsen te laag. Dit is een direct gevolg van te lage premies. Te laag in de volgende zin: lager dan het kostendekkende niveau, zoals bepaald door toezichthouder DNB. Van Praag en Smith schatten dat er sinds 1995 in totaal 100 miljard euro te weinig premie betaald is (het werkgeversdeel is meestal 2/3 van de premie). Ook voor 1995 waren de premies te laag, zoals toenmalig minister van SzW Kamp onderkende: 'In de periode 1984 tot 1992 is de pensioenpremie voor overheidswerknemers bij wet verlaagd tot onder het kostendekkend niveau.' Hofs noemt de premiekortingen wel, maar veronderstelt zonder enige theoretische motivatie of empirisch bewijs dat de premiekortingen ten voordele van het netto-loon van werknemers zijn gegaan. Dit behoeft nader onderzoek, dat er evenwel maar niet komt. En zelfs als het zo was, maakt het de toezegging van werkgevers niet anders.
'Dit heeft niets uit te staan met een zogenaamd generatieconflict'
7) Vijf onderzochte ondernemingspensioenfondsen hebben - zo blijkt uit onderzoek van PWC - netto 1 miljard euro onttrokken aan het eigen pensioenfonds in in de periode 1985-2011. Staatssecretaris Klijnsma wil evenwel geen nader onderzoek. (Terzijde: de premierestitutie was deels een reactie op voorgenomen wetgeving (Wet Brede Herwaardering), die in afroming van pensioenbuffers voorzag. De wetgeving is uiteindelijk niet doorgegaan.) 8) Die werkgevers zijn in staat om in het verleden te weinig betaalde premies te voldoen, die ook dividend en bonussen uitkeren. Premies staan - althans: behoren te staan - in de zogenoemde senioriteitsladder boven dividend en bonussen. 9) Vermogensbeheerders maken hoge kosten; jaarlijks 6 miljard euro (Dit is een schatting, daar fondsen zelf niet weten wat hun kosten zijn). Zelfs in de ramp-periode 2008-2013 zijn er prestatie-vergoedingen uitgekeerd. Zo keerden in 2012 ABP 674 miljoen 'prestatie-vergoedingen' uit en PFZW 193 miljoen euro. 10) Zolang werkgevers premieverhogingen kunnen financieren en kosten van vermogensbeheerders hoog zijn, is van een ultimum remedium geen sprake. Dit heeft al weer niets uit te staan met een zogenaamd generatieconflict. Verder zij vermeld: 11) In 2007 was de gemiddelde dekkingsgraad 144, waarmee de reële dekkingsgraad 100 was. Dat is: fondsen konden aan alle verplichtingen voldoen. Pensioenfondsen hebben evenwel niet besloten het risico af te bouwen, zoals in belang was van pensioengerechtigden. Dit staat fondsen vrij, maar: 12) pensioengerechtigden worden niet vertegenwoordigd in het bestuur van bedrijfstakpensioenfondsen (wel somtijds in ondernemingspensioenfondsen). Het kan hen dus niet aangewreven worden. 13) Bovenstaande is niet enkel werkgevers en vermogensbeheerders aan te wrijven, vakbonden zijn ermee akkoord gegaan en doen dat nog altijd. Het staat Yvonne Hofs vrij deze zaken onbenoemd te laten, maar ik vind het lastig te begrijpen dat zij dat doet. Voor een zinvolle discussie komen zij mij namelijk als essentieel voor.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

David Hollanders

Gevolgd door 179 leden

Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.