Beeld door Shane Rounce (via Unsplash)
© CC0 (Publiek domein)

Goedkoper dan windmolens: hoe bedrijven miljoenen tonnen CO2 kunnen besparen

    Energiebesparende maatregelen zijn goedkoop, verdienen zichzelf terug en zorgen ook nog eens voor een beter milieu. Vaak zijn de maatregelen zelfs wettelijk verplicht. Toch doen Nederlandse bedrijven maar weinig met de technologie. Hoe zit dat?

    Op het bureau van Reidar Koolen staat een gitzwarte magnetische as. Het ding is ongeveer 50 centimeter hoog, heeft een diameter van zo'n 20 centimeter en is loodzwaar.

    ‘Dit is het hart van onze SteamExpander-turbine,’ vertelt Koolen. ‘Hiermee kan je de Amsterdam ArenA verlichten.’

    Koolen is directeur van Innecs, een bedrijf dat betaalbare energiebesparingsoplossingen voor de industrie wil realiseren. Het bedrijf zet daartoe producten op de markt die efficiënt met stoom omgaan. De SteamExpander is zo'n product: het apparaat kan tot 250 kilowatt elektriciteit winnen uit de verlaging van de druk waarmee stoom door leidingen gepompt wordt.

    Dat klinkt niet heel spannend, maar is technisch best vernuftig. Een korte uitleg: bij veel industriële processen is stoom nodig. Vaak wordt die door andere bedrijven onder hoge druk aangeleverd, terwijl de afnemers de stoom onder een lagere druk nodig hebben. Door middel van een zogeheten ‘smoorklep’ wordt de druk verminderd. ‘Pure waardevernietiging,’ noemt Koolen dat: je kunt namelijk ook een elektriciteitsgenerator gebruiken om de druk te verlagen, zoals zijn SteamExpander doet. De stroom die hiermee gewonnen wordt, zou anders verloren gaan en is in feite dus gratis. Koolen: ‘Eén zo'n apparaatje bespaart 1000 ton CO2 per jaar.’

    De techniek is bovendien goedkoop: de complete installatie kost volgens Koolen rond de 250 duizend euro. Een fabriek kan dankzij de uitvinding 50 tot 150 duizend euro per jaar aan energiekosten besparen. Binnen een paar jaar zijn de investeringskosten dus terugverdiend, waarna de eigenaar zwarte cijfers schrijft op deze investering. 

    Toch krijgt Koolen zijn SteamExpander in Nederland moeilijk aan de man. In Nederland staat er welgeteld eentje, bij Emmtec, een bedrijventerrein in Emmen. Daar zijn ze vol lof: ‘Hij is veilig en efficiënt,’ zegt directeur Hendrik van der Ploeg. ‘We hebben hem gekoppeld aan een aanpalende gelatinefabriek. Als de stoomvraag bij hen maximaal is, dan haalt de SteamExpander probleemloos zijn maximale vermogen.’

    In het buitenland slaat de SteamExpander veel beter aan. Daarom concentreert Innecs zich sinds een jaar of twee op de export: ‘De vraag vanuit Azië is enorm en in Europa hebben we commercieel succes in Italië, Duitsland en België.’

    Besparing is goedkoper dan opwekken

    Dat gebrek aan interesse is vreemd, zeker als je bedenkt hoe belangrijk energiebesparing is in de strijd tegen klimaatverandering. Volgens het Internationaal Energieagentschap (IEA) moet maar liefst 35 procent van de totale CO2-besparing in 2050 komen uit energiebesparende maatregelen. Niet één factor levert een grotere bijdrage in de strijd tegen de uitstoot van broeikasgassen.

    Het IEA noemt energie-efficiëntie zelfs ‘de eerste brandstof' in het wereldwijde energiesysteem en stelt dat het belangrijker is voor het halen van de klimaatdoelen van Parijs dan het bouwen van windmolens of zonneparken. Logisch ook: het is nu eenmaal makkelijker, goedkoper en sneller om een gloeilamp te vervangen door een spaarlamp, dan in je tuin een windmolen neer te zetten en daar je gloeilamp op te laten branden. 

    Energiebesparing is bovendien enorm kostenefficiënt. Een besparing van een petajoule energie kost gemiddeld 7,2 miljoen euro, terwijl het gemiddeld 29,2 miljoen euro kost om diezelfde petajoule op te wekken door middel van windenergie. Slimmer met energie omgaan is dus veel goedkoper dan energie opwekken. 

    Als we energie besparen, hebben we simpelweg minder energie nodig, wat de energietransitie behapbaarder maakt. De Europese Unie is zich daarvan bewust. Daarom is energie-efficiëntie een integraal onderdeel van de zogeheten ‘20-20-20 doelstellingen’: 20 procent minder CO2-uitstoot, 20 procent meer duurzame energie en 20 procent minder energiegebruik in 2020 ten opzichte van 1990. Nederland heeft dat vertaald in een doelstelling waarbij het totale energiegebruik in 2020 met 482 petajoule (PJ, 1015 Joule) moet zijn teruggedrongen, een besparing van 1,5 procent per jaar.

    Omdat de Nederlandse industrie een derde van alle energie in Nederland gebruikt, moet een belangrijk deel van de energiebesparing dus uit die sector komen. De overheid heeft daarom een serie afspraken, subsidies en wetten in het leven geroepen. Eén van de belangrijkste daarvan: een wet die Nederlandse bedrijven sinds 2013 verplicht om álle energiebesparende investeringen door te voeren die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Met andere woorden: als de SteamExpander zich in een bedrijf binnen vijf jaar terugverdient, dan is dat bedrijf verplicht om die SteamExpander te installeren of in ieder geval een andere, vergelijkbare maatregel te nemen. 

    20.000 projecten

    Toch voldoen veel zogeheten MJA3-bedrijven, die een speciale afspraak met de overheid hebben gemaakt over energiebesparing, niet aan deze wettelijke verplichting. Dat blijkt onder meer uit een onderzoek (2016) van Kimberley Tjon-Ka-Jie, die dat deed onder auspiciën van de FME, een grote organisatie met ruim tweeduizend leden uit de metaal- en elektrotechnische industrie. Tjon-Ka-Jie ontdekte dat energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van meer dan 3 jaar zelden worden uitgevoerd en dat zelfs energiebesparende maatregelen met een terugverdientijd van amper anderhalf jaar soms op de plank blijven liggen. 

    Onlangs heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) een onderzoek gepubliceerd naar de kansen die in Nederland blijven liggen op het gebied van energiebesparing. De cijfers spreken boekdelen: de Nederlandse industrie zou maar liefst 13 miljoen ton CO2 kunnen besparen door energiebesparendemaatregelen te nemen, die zich gemiddeld binnen 5,2 jaar terugverdienen.

    Volgens de geïnterviewden wordt de Wet Milieubeheer nauwelijks afgedwongen

    Aan de basis van het onderzoek staat een grote database waar bedrijven hun voorgenomen energiebesparende projecten voor de periode 2017-2020 opgeven. Er wordt echter nauwelijks gecontroleerd of bedrijven alle maatregelen die ze kúnnen nemen, ook daadwerkelijk uitvoeren. Het valt dus onmogelijk te zeggen of (en in hoeverre) deze database representatief is voor het totale besparingspotentieel in Nederland.

    Niettemin is de database omvangrijk: er staan ruim 20.000 energiebesparende projecten in, van meer dan duizend bedrijven. De onderzoekers hebben uit de database een steekproef genomen van 17 procent van het totaal aantal projecten. Wederom valt niet goed te zeggen hoe representatief die steekproef is, want de projectgegevens zijn vanwege concurrentiegevoelige informatie geanonimiseerd. 

    Daarom hebben de onderzoekers bij het uitrekenen van het totale potentieel telkens erg conservatieve schattingen aangehouden. Zo is bijvoorbeeld gerekend met een relatief lage gasprijs van 18 euro per MWh: dat was de marktprijs zonder energiebelasting ten tijde van het schrijven van het rapport. In de jaren daarvoor, toen bedrijven hun plannen indienden, was de gasprijs echter lager. Bovendien is deze marktprijs een gemiddelde: grote, energie-intensieve bedrijven betalen in Nederland veel minder voor hun energie dan kleine bedrijven en consumenten. Een identieke energiebesparende maatregel verdient zich bij kleine bedrijven dus sneller terug, want het uitgespaarde gas is naar verhouding duurder. Als met een hogere energieprijs was gerekend, was de terugverdientijd dus korter geweest. Volgens hoofdonderzoeker Stijn Santen mag je het besparingspotentieel van 13 miljoen ton CO2 zien als ‘een ondergrens’.

    Nauwelijks handhaving

    Tjon-Ka-Jie vroeg aan bedrijven waarom ze deze energiebesparende maatregelen niet nemen. Vreemd genoeg blijkt gebrek aan geld om de investeringen te doen, niet het enige probleem: de rentestand is momenteel zó laag, dat grote bedrijven relatief eenvoudig op de kapitaalmarkt aan geld kunnen komen. Tjon-Ka-Jie concludeert dat bedrijven soms een interne terugverdientijd van maximaal drie jaar hanteren en dat er geen toezicht is op de financiële verslaglegging. Bovendien nemen industriën de wettelijke verplichting om te besparen nauwelijks serieus, zo blijkt uit haar onderzoek. Volgens de geïnterviewden wordt de Wet Milieubeheer nauwelijks afgedwongen, en als er al eens een ambtenaar langskomt om mee te kijken, dan heeft die onvoldoende kennis en expertise om over al dan niet te nemen maatregelen te oordelen. Ook dat draagt eraan bij dat bedrijven onvoldoende investeren in energiebesparing. 

    "Het lijkt het erop dat investeringsfondsen en industrie elkaar nog maar weinig weten te vinden"

    De handhaving van de Wet Milieubeheer is in Nederland een taak van 29 Omgevingsdiensten; in de regio Rotterdam is dat de Dienst Centraal Milieubeheer Rijnmond (DCMR). De woordvoerder van die dienst zegt zich niet te herkennen in het beeld van inspecteurs met te weinig kennis, zoals door de respondenten in de studie van Tjon-Ka-Jie wordt geschets. Wel vertelt hij dat de ongeveer 150 inspecteurs die DCMR in dienst heeft, verantwoordelijk zijn voor de controle op zo'n 26.000 bedrijven in de regio. Het takenpakket van die inspecteurs is daarbij tamelijk breed: ze controleren onder meer op veiligheid, stank, energie en stofvorming. Soms worden er ook specifieke energiecontroles uitgevoerd. Daarbij zijn in 2017 in totaal 26 overtredingen geconstateerd (waarbij een overtreding overigens niet direct tot een boete leidt).   

    Voorts is financiering voor de duizenden kleinere bedrijven in Nederland wel degelijk een punt van zorg. Zij zijn afhankelijk van de bank en kunnen zich niet zomaar financieren op de kapitaalmarkt. Dat blijkt ook uit het onderzoek in opdracht van de RVO.

    Volgens onderzoeker Stijn Santen liggen hier kansen voor verschillende investeringsfondsen: het te verwachten rendement is immers hoger dan dat op de meeste beleggingen (laat staan het rendement op spaarrekeningen). Het uitblijven van de energiebesparende maatregelen heeft dus niet zozeer alleen een financiële grondslag. In ieder geval lijkt het erop dat investeringsfondsen en industrie elkaar maar moeilijk weten te vinden. 

    De onderzoekers hebben in Italië gekeken naar zogenaamde Energy Service Companies (ESCo's): bedrijven die energiebesparende maatregelen voor andere bedrijven realiseren en daar geld aan verdienen. Dergelijke bedrijven leveren een belangrijke bijdrage aan energie-efficiëntie, maar anders dan Italië komen ze in Nederland niet echt van de grond. Uit het vergelijkende onderzoek blijkt dat dit komt omdat de Nederlandse overheid kiest voor lange termijn-afspraken met de industrie op basis van vrijwilligheid, terwijl de Italianen kiezen voor verplichtingen, betrouwbare certificaten en stevige controles. 

    In Nederland blijven kansen om energie te besparen dus onbenut. Miljoenen tonnen CO2-uitstoot kunnen worden vermeden, door de wettelijke verplichting om energiebesparende maatregelen te nemen die zichzelf weer terugverdienen, daadwerkelijk na te leven. Het uitblijven hiervan heeft bij kleinere bedrijven onder meer te maken met een financieringsvraag, maar tegelijk vertellen verschillende bedrijven dat ze geconfronteerd worden met met onvoldoende en onkundige inspecties. Directeur Koolen van Innecs is het een doorn in het oog: ‘Energiebesparing is gewoon nog niet belangrijk genoeg.’

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ties Joosten

    Gevolgd door 287 leden

    Journalist. Schrijver. Haven. Klimaat. Feyenoord. Soms wat hiphop. Voorheen hoofdredacteur van Blendle.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg Ties Joosten
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren