© Flickr / Global Justice Now

Er is niets mis met globalisering en vrijhandel

    In de westerse wereld groeit de maatschappelijke onvrede over vrijhandel en globalisering, die niet de beloofde welvaart zouden hebben gebracht. Die onvrede is echter onterecht: de economische stagnatie van met name de middenklasse heeft een heel andere oorzaak.

    Als je tegenwoordig snel en efficiënt vijanden wilt maken, dan moet je vooral roepen dat je een voorstander van vrijhandelsverdragen zoals CETA of TTIP bent. De weerstand tegen die verdragen is namelijk groot. Ik merk echter steeds vaker dat niet alleen de weerstand tegen die akkoorden, maar ook tegen vrijhandel op zich groeiende is. Aangezien vrijhandel en de globalisering van de afgelopen decennia hand in hand gaan, verbaast het me niet dat globalisering tegenwoordig óók veel minder steun geniet onder de bevolking — dezelfde bevolking die globalisering vroeger wel prima vond, of er in elk geval niet tegen was.

    Waarom keren steeds meer mensen zich tegen deze trends? Een van de vaakst gehoorde antwoorden op die vraag luidt dat beide niet geleverd hebben wat ze hebben beloofd. Ik vind dat een onjuiste en gevaarlijke verklaring. Dat laatste element, het gevaar van de verklaring, zal ik in een volgend artikel aan de orde stellen. Hier wil ik me beperken tot de redenen dat de verklaring in mijn ogen onjuist is.

    Drie, nee, twee effecten

    Allereerst dit: het is kristalhelder dat globalisering en vrijhandel inderdaad per saldo negatief hebben uitgepakt voor dé cruciale groep in onze — en elke andere — maatschappij: de middenklasse. Die is cruciaal omdat de geschiedenis ons leert dat een sterke en groeiende middenklasse de belangrijkste voorwaarde is voor economische, politieke en maatschappelijke stabiliteit in een land. Als de middenklasse onder druk staat, is instabiliteit op al die gebieden geen kwestie van óf, maar wannéér.

    Het is kristalhelder dat globalisering en vrijhandel per saldo negatief hebben uitgepakt voor de middenklasse

    Waarom hebben globalisering en vrijhandel de middenklasse per saldo schade berokkend? Omdat van de drie effecten die ze hadden moeten hebben — zeker gezien de enorme technologische vooruitgang die we de afgelopen decennia hebben meegemaakt — er maar twee zijn opgetreden.

    Het eerste effect had conform de economische basisbeginselen een lage loonstijging moeten zijn. De wereldmarkt voor arbeid is stukken internationaler geworden — zie bijvoorbeeld de steeds grotere rol van China in de wereldeconomie — en het aanbod van arbeid is fors toegenomen. Honderden miljoenen werknemers hebben zich voor het eerst op de mondiale arbeidsmarkt gemeld en omdat de internationale handel steeds gemakkelijker en goedkoper is geworden, is er inderdaad sprake geweest van een mondiale arbeidsmarkt. Niet dat die gepaard hoefde te gaan met massale emigratie, want het constante gevaar van productieverplaatsing naar lagelonenlanden was daarvoor een prima substituut. Het was de arbeid die kon emigreren, niet zozeer de arbeiders.

    Die toenemende concurrentie op de arbeidsmarkt en het feit dat het aanbod van arbeid veel sterker toegenomen is dan de vraag ernaar, heeft geheel conform de basiswet van de economie — die van vraag en aanbod — tot neerwaartse druk op de lonen moeten leiden. Om na te gaan of die druk er gekomen is, kijken we naar de arbeidsinkomensquote (AIQ). Die geeft aan hoe groot het aandeel van de lonen in de totale economie is. In Nederland bereikte de AIQ begin jaren ’80 een hoogtepunt, toen lonen goed waren voor ongeveer 85 procent van het nationaal inkomen. Daarna is een daling ingezet die de AIQ in de jaren ’90 tot ver onder 80 procent bracht.

    December 1978 kan worden gezien als het beginpunt van de huidige periode van globalisering

    Het is overigens geen toeval dat de AIQ begin jaren ’80 begon aan een daling: december 1978 kan namelijk worden gezien als het beginpunt van de huidige periode van globalisering. In die maand begon China onder leiding van Deng Xiaoping met een grootscheepse economische hervorming én, belangrijker, opende het land zich naar de rest van de wereld — vooral wat handel betreft. Dat zette de globalisering, inclusief de genoemde concurrentie op de arbeidsmarkt, in gang. Het is daarom geen toeval dat de AIQ in Nederland vanaf dat moment begon te dalen. In de jaren vóór de huidige crisis lag die quote zelfs op circa 72 procent.

    Nederland is wat dit betreft overigens geen uitzondering. Hetzelfde patroon zien we in landen als Frankrijk, Duitsland, België, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Canada, Japan en Zweden. Ook in die landen zijn de lonen als percentage van het bbp gedaald. Bedrijfswinsten stegen tegelijkertijd juist behoorlijk.

    Want dat was het tweede gevolg van technologische vooruitgang, vrijhandel en globalisering: een behoorlijke stijging van bedrijfswinsten. Dat is ook niet zo vreemd, gezien de combinatie van loonmatiging, verplaatsing van productie naar lagelonenlanden en technologische innovatie die zich uit in toegenomen efficiëntie en hogere productiviteit.

    Omdat ook nog de handel met andere landen (denk aan invoer van grondstoffen voor eigen producten) de afgelopen decennia goedkoper werd doordat de handelsbelemmeringen zijn afgenomen terwijl de vraag naar producten jaar in jaar uit is gestegen (dankzij de hoge economische groei), is het niet meer dan logisch dat de bedrijfswinsten óók fors zijn gestegen. Het is de enige mogelijke uitkomst van een rekensommetje waarbij de inkomsten stijgen en de kosten dalen — of minder hard stijgen dan de inkomsten.

    Structurele prijsdalingen

    Het bovenstaande heeft vooral de middenklasse hard geraakt. Voor de klasse erboven geldt namelijk dat die zeer arbeidsmobiel is. Een chief executive officer pakt gewoon zijn boeltje als hij aan de andere kant van de wereld een mooie baan aangeboden krijgt, net als een hoogleraar die een mooie aanbieding krijgt van een universiteit aan de andere kant van de oceaan, ook in principe zonder enige moeite kan verkassen. Globalisering pakte voor die groep dus eigenlijk prima uit. De banen van de laag ónder de middenklasse, denk aan schoonmakers, zijn niet uit te besteden aan andere landen. En voor zover die groep nadeel ondervindt van globalisering en vrijhandel, is de politiek er doorgaans als de kippen bij om dat nadeel te compenseren omdat we het moreel juist vinden die groep te behoeden voor tegenslagen. Het zijn juist de middenklasse-banen — IT-functies, fabrieksbanen — die prima en makkelijk over te hevelen zijn naar verre oorden.

    Globalisering zou de middenklasse echter niet zo hebben geraakt, en zou haar juist een enorm voordeel hebben gebracht, als het derde effect van globalisering opgetreden was: dalende prijzen. De combinatie van globalisering en vrijhandel (die de internationale handel goedkoper, efficiënter en simpelere maakte) en een enorme technologische vooruitgang sinds het einde van de jaren zeventig, stuwde de arbeidsproductiviteit behoorlijk op. In die omgeving hadden de prijzen van heel veel spullen die we aanschaffen behoorlijk moeten dalen. Dát effect van globalisering hebben we echter niet gezien: sinds 1980 zijn de prijzen in het Westen doorgaans met 100 procent — en soms zelfs met (veel) meer — gestegen.

    "Sinds 1980 zijn de prijzen in het Westen doorgaans met 100 procent — en soms zelfs met (veel) meer — gestegen"

    Dat we met dalende prijzen — dus structurele deflatie — te maken hadden moeten hebben, leert niet alleen de economische theorie ons, maar ook de economische geschiedenis. De uitvinding van de computer was het begin van de Derde Industriële Revolutie, die ook wel de digitale revolutie wordt genoemd. De eerste industriële revolutie vond plaats tussen ongeveer 1760 en 1840. De tweede industriële revolutie, tussen circa 1870 en 1914, bracht ons bijvoorbeeld massaproductie — overigens in een periode van sterke globalisering. In Nederland stegen de prijzen tijdens de eerste industriële revolutie (die dus ongeveer 80 jaar duurde) met welgeteld 15 procent. In Engeland bedroeg de totale inflatie in die periode 88 procent. 

    De totale inflatie in Engeland tijdens de tweede industriële revolutie bedroeg ongeveer 4 procent, iets meer dan de 3,3 procent in Nederland. Let op: dit is dus de inflatie voor de hele periode tussen 1870 en 1914, niet de gemiddelde inflatie per jaar. In Duitsland, Frankrijk, de Verenigde Staten en elders zien we exact hetzelfde beeld. Binnen die periodes was er tientallen jaren achter elkaar sprake van deflatie. En nee, dat waren economisch gezien geen rampzalige jaren voor die landen. Integendeel: volgens onderzoek van het Internationaal Monetair Fonds gingen ze juist gepaard met een fors stijgende welvaart. En als we naar de digitale revolutie kijken tussen 1978 en nu? In Nederland liggen de prijzen 143 procent hoger dan eind 1978 en in Engeland komt de totale inflatie over die periode uit op 460 procent. Sinds 1978 zijn de prijzen in Nederland slechts in één jaar gedaald, 1987, en toen met nog niet eens een half procent. Er was dus geen sprake van deflatie, laat staan structurele.

    Het zijn dus niet de globalisering en vrijhandel die tekortgeschoten zijn. Nee, er is een kracht aan het werk geweest die hét grote voordeel van deze twee zaken voor met name de middenklasse de laatste decennia willens en wetens gefrustreerd heeft. Welke kracht dat is geweest, hoe deze de prijsdalingen voorkomen heeft, hoe dat gedurende zo’n lange periode kon gebeuren zonder dat de middenklasse in opstand is gekomen en welk gevaar er schuilt in de veelgehoorde verklaring dat globalisering en vrijhandel niet hebben geleverd wat ze beloofd hebben, zijn vragen die ik in een volgend artikel aan de orde zal stellen.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Edin Mujagic

    Gevolgd door 909 leden

    Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.

    Volg Edin Mujagic
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren