Biobrandstofbeleid EU blijkt een farce

2 Connecties
4 Bijdragen

De klimaatdoelstellingen zijn een flinke stok achter de deur om de CO2-uitstoot van het vrachtverkeer te beteugelen. Om dat doel te bereiken zet de EU zwaar in op het gebruik van biobrandstoffen, maar dat blijkt de motor achter ernstige misstanden in de productielanden. Is verduurzaming wel de belangrijkste doelstelling van dit beleid?

Dat het gebruik van ‘eerste generatie’ biobrandstoffen, deels geproduceerd uit het voedselgewas palmolie, allerhande wanpraktijken met zich meebrengt, dat wisten we al. Zo zette Follow the Money vorig jaar uiteen dat de productie van biodiesel en ethanol grootschalige ontbossing, milieuvervuiling, ‘landjepik’ en bovenal mensenrechtenschendingen met zich meebrengt in de landen waar de tropische gewassen worden gewonnen. Sinds de publicatie van het rapport The land use change impact of biofuels consumed in the EU, een nieuwe analyse in opdracht van de EU die afgelopen maart online verscheen, staat bovendien onomstotelijk vast dat het Europese biobrandstofbeleid de uitstoot van broeikasgassen helemaal niet reduceert en zelfs niet koolstofneutraal is. Als biobrandstoffen fossiele brandstoffen vervangen, kan de verandering in landgebruik door de aanleg van grootschalige plantages waarop de grondstoffen geproduceerd worden, een extra uitstoot van broeikasgassen met zich meebrengen. Van bossen of weilanden wordt landbouwgrond gemaakt, en bij het gereedmaken voor beplanting komt koolstof vrij die is opgeslagen in de bodem, hetgeen leidt tot een netto verhoging van de emissie van broeikasgassen. Bij de aanleg van grootschalige plantages kan deze extra emissie — naast een scala aan bijkomende nadelige effecten, waaronder verlies van biodiversiteit — zo groot zijn, dat het voordeel van biobrandstoffen wordt teniet gedaan. Het propageren van eerste generatie biobrandstoffen laat op deze manier ook zelf een carbon footprint achter. En toch blijft de EU biobrandstoffen uit voedselgewassen stimuleren binnen de transportsector.

Het propageren van eerste generatie biobrandstoffen laat ook zelf een carbon footprint achter

Rapport geeft duidelijkheid

Was het eerst nog gissen naar de omvang van de schade, nu zijn de resultaten duidelijk. Vooral biodiesel uit palmolie blijkt de boodsdoener: het is een stuk schadelijker voor het milieu dan fossiele brandstof en levert drie keer zoveel CO2-uitstoot op. Het consortium Ecofys, IIASA en E4tech, dat in opdracht van de Europese Commissie aan het werk ging, beschrijft dit in het bovengenoemde rapport. De conclusie: als Europa de verplichte bijmengpercentages voor brandstof met biodiesel blijft opvoeren, zal dat beleid niet leiden tot tot een vermindering van CO2-uitstoot ten opzichte van fossiele brandstoffen in het vrachtverkeer, maar juist tot 1,4 procent meer uitstoot. De onderzoekers raden de EU dan ook aan niet langer het gebruik van ‘eerste generatie’ biobrandstof te bevorderen als dé manier om de koolstofuitstoot door de transportsector te verminderen.


Nieuw EU-rapport

"Als Europa de verplichte bijmengpercentages voor brandstof met biodiesel blijft opvoeren, zal dat beleid niet leiden tot tot een vermindering van CO2-uitstoot ten opzichte van fossiele brandstoffen in het vrachtverkeer, maar juist tot 1,4 procent meer"

Het onderzoek meldt tevens dat het beleid van de Europese Unie leidt tot een exponentieel toenemende vraag naar beschikbare landbouwgrond om gewassen te verbouwen voor de productie van biobrandstof, zoals bioethanol. Gevolg: een gigantische gronduitbreiding, met een totale verandering in landgebruik van 8,8 miljoen hectare, een gebied ter grootte van Oostenrijk. 

Een analyse van 14 gewasspecifieke scenario’s voor biobrandstof brengt aan het licht dat van de veranderingen in landgebruik, 2,1 miljoen hectare betrekking heeft op plantage-uitbreiding in Zuidoost-Azië. Daar wordt voornamelijk palmolie gewonnen uit de vruchten van de oliepalm. Gaat dit proces in een onverminderd tempo door, dan zal, zo luidt de prognose van de Food & Agriculture Organisation van de Verenigde Naties (FAO), tegen 2022 vrijwel al het Indonesische regenwoud verdwenen zijn omwille van de aanleg van monoculturen als palmolieplantages. En dat allemaal vanwege de onstilbare honger van het Westen naar tropische gewassen voor de productie van biobrandstoffen voor transport en energie en de daarmee samenhangende wettelijke verplichtingen, in 2009 ingesteld om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

Koersverandering lastig

Het Europese biobrandstofbeleid slaat direct aan, zo blijkt in 2014. Dan is de import van palmolie in de EU voor de productie van biodiesel in de transportsector al zes keer zo groot als in 2010. Intussen ontwikkelt de Rotterdamse haven zich in rap tempo tot de grootste importeur van palmolie in Europa. Met de aanleg van de Bioport op de Maasvlakte II heeft de haven een positie verworven als grootste hub ter wereld voor de productie, opslag en doorvoer van de grondstoffen voor biobrandstof. 

De Nederlandse overheid erkent de problemen en heeft over het onderwerp ook al een motie aangenomen in de Tweede Kamer. Maar door de inmiddels verregaande samenwerking tussen de Rotterdamse haven en de grootste palmoliehandelaren ter wereld, IOI en Wilmar, zal veranderen van koers niet eenvoudig zijn.

De verregaande samenwerking tussen de Rotterdamse haven en de grootste palmoliehandelaren ter wereld staat verandering in de weg

Als onderdeel van het slotstuk van haar opdracht om de urgentie van duurzame biomassaketens te benadrukken heeft de Commissie Duurzaamheidsvraagstukken Biomassa de aanbeveling gedaan om due diligence in de agro-grondstoffenproductie en invoer wettelijk vast te leggen. Zo staat te lezen: ‘Vooral daar waar bedrijven weigeren om vrijwillige afspraken over Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (IMVO) te maken, zal de Nederlandse overheid juridische maatregelen moeten nemen om duurzaamheid te reguleren.’

Het verantwoordelijke ministerie van Lilianne Ploumen zegt te willen werken aan het bevorderen van duurzame handels- en productieketens. Afgelopen april ondertekende de Nederlandse regering daartoe de ‘Amsterdam Declaration,’ waarmee Nederland en vier andere EU-lidstaten verklaarden zich te committeren aan een 100 procent duurzame productieketen voor palmolie om ontbossing, vervuiling en mensenrechtenschendingen tegen te gaan.

EU-propaganda

Geen ‘schone’ taak, na ruim zes jaar intensieve propaganda voor biobrandstof. Waar kwam het enthousiasme voor deze oplossing voor het CO2-probleem ook alweer vandaan? Even wat geschiedenis. De voedingsbodem voor het propageren van biobrandstof werd gelegd in de jaren ’90. Omdat het transport in Europa, waaronder het auto- en vrachtverkeer, voor 98 procent afhankelijk was van olie uit Rusland, het Midden-Oosten en Centraal Azië, kregen Europese beleidsmakers belangstelling voor biobrandstoffen. Bovendien had Europa een afspraak na te komen: in 1997 was het Kyoto Protocol getekend, waarin 37 landen hadden beloofd de uitstoot van broeikasgassen terug te dringen.

Om deze doelen te halen, stelde de Europese Unie in 2009 dat 10 procent van alle energie in de transportsector afkomstig moest zijn uit hernieuwbare bronnen, voornamelijk door het inzetten van biobrandstoffen uit landbouwgewassen. Genoemd werden palmolie, raapzaadolie en soja, omdat deze gewassen de hoogste opbrengst per hectare leveren. Al gauw kwamen er maatregelen voor het inzetten van biomassa voor brandstofproductie. De bijmengverplichting van biobrandstoffen bij benzine of diesel werd de belangrijkste stimulans.

De Europese Unie geeft daarnaast jaarlijks 10 miljard euro overheidssteun aan biobrandstoffen voor het verkeer. Dit bedrag is bijna twee keer zo hoog als wat de biobrandstofindustrie zelf investeert, zo blijkt uit een kosten-batenanalyse van het Europese biobrandstoffenbeleid door het International Institute for Sustainable Development (IISD). 

De bijmengverplichting van biobrandstoffen bij benzine of diesel werd de belangrijkste stimulans

Palmolie is immers een lucratief goedje. Het is een interessante agro-grondstof in vergelijking tot andere olierijke grondstoffen. Omdat het eenvoudig te produceren is, zijn de winstmarges groot en de belangen dus ook. De productiekosten van ruwe palmolie kunnen zo laag zijn door de goedkope arbeidskrachten en doordat de opbrengst per hectare minstens vier tot vijf maal hoger is dan die van andere — wel voor voeding bestemde — olieproducten, zoals raapzaad en soja. 

De keuze van de biodieselproducenten en -financiers is dan ook snel gemaakt. ‘In totaal steeg de vraag naar palmolie ten behoeve van Europese biodiesel in 2014 naar 3220 miljoen ton,’ zo meldt de onderzoeksgroep Chain Reaction. ‘In 2010 was dit nog 456.000 ton. Een stijging van 2.764.000 ton dus. In deze periode daalde de “consumptie” van soja-olie voor de productie van biodiesel met 555.000 ton — van 995.000 ton in 2010 naar 440.000 ton in 2014.’ 

Om uit eigen ervaring de gevolgen van de grootschalige palmolie-industrie onder de aandacht te brengen, bezocht een delegatie van vier lokale leiders uit Indonesië, Colombia en Liberia eind mei het ministerie van Buitenlandse Zaken. De heftige getuigenissen uit hun regio, die zij aflegden ten overstaan van een gezelschap van beleidsmedewerkers, palmoliehandelaren en financiers, toonden hoe hardnekkig de misstanden in de productielanden blijken te zijn — ondanks certificering en initiatieven uit de palmoliesector zelf. 

‘Hoe goed bedoeld en positief ook, de initiatieven [van de Roundtable for Sustainable Palmoil (RSPO) en de International Sustainability & Carbon Certification (ISCC)] blijken niet voldoende om de rechten van mensen en de ecosystemen te beschermen,’ aldus Franky Samperante uit Indonesië. Samperante, een lokale leider uit Kalimantan, is oprichter van de organisatie Pusaka, die opkomt voor de inheemse bevolking in zijn regio. In 2014 publiceerde Pusaka een atlas waarin de landonteigeningen omwille van de niet te stuiten palmolie-expansie in kaart zijn gebracht.

Samperante: ‘Ik vraag mij af: wat bedoelen ze eigenlijk met het begrip duurzaamheid? Door de glorierijke ontwikkelingen in de agribusiness komt de palmolie-industrie al jaren weg met schendingen van de gemeenschapsrechten. Het is niet genoeg om vrijwillige certificeringregelingen te creëren. Er moet harde wetgeving komen, want de ongecontroleerde uitbreiding van palmolieplantages creëert conflicten over landrechten, wat leidt tot sociale en culturele ophef en ongekende schade aan het milieu.’


Franky Samperante

"Door de glorierijke ontwikkelingen in de agribusiness komt de palmolie-industrie al jaren weg met schendingen van de gemeenschapsrechten"

De armsten lijden het meest

Langzamerhand is wel duidelijk dat het Europese biobrandstofbeleid ten koste gaat van een aantal van de armste gemeenschappen ter wereld. Er is meer dan genoeg bewijs. Neem alleen al de diverse case studies van onafhankelijke onderzoeksteams van 197 ngo's en milieuorganisaties, opererend in landen als Indonesië, Maleisië, Columbia, Peru en landen in West- en Centraal-Afrika. Die onderstrepen allemaal dat de groeiende palmolieproductie verwoestende gevolgen heeft voor miljoenen mensen, diersoorten en de tropische regenwouden waarin zij leven.

De vele wetenschappelijke analyses, zoals bijvoorbeeld deze van de Universiteit van Sydney, onderschrijven de overtuiging dat de exponentiële groei van plantages lokale gemeenschappen vernietigt. Een VN-team dat toezicht houdt op de bescherming van de rechten van de mens concludeerde in 2007 al dat een inbreuk van deze omvang in hun levenswijze het voortbestaan van inheemse volkeren bedreigt. Het team schrijft:

Palmolieproductie vereist kaalslag van de bossen waar inheemse volkeren al gedurende millennia leven. Het bestaan en de uitbreiding van palmolieplantages toont onomstotelijk aan dat de rechten van deze mensen worden genegeerd. Hun recht op instemming wordt niet gerespecteerd, sommigen zijn ontheemd en er wordt deze mensen geen andere keus gelaten dan de facto dwangarbeiders te worden van de bedrijven die de plantages beheren.

Duistere rol palmolie

Het ‘duurzame’ biobrandstofbeleid van de Europese Unie lijkt het doel ver voorbij te schieten en de productie van palmolie speelt een steeds duisterder rol. Maar om de impact op milieu, maatschappij en de lokale economie te vermijden is wel degelijk een aantal andere opties voorhanden om de transportsector te verduurzamen. Het is allang bekend dat de productie van palmolie 54 procent meer uitstoot teweegbrengt dan die van sojaolie. In vergelijking met de andere biodieselgrondstoffen — zonnebloemolie en koolzaadolie — geeft palmolie zelfs 267 procent meer broeikasgasemissies. 

‘Het is mogelijk om voor biodieselproductie over te schakelen op andere soorten plantaardige olie, zoals koolzaad-, zonnebloem- of sojaolie,’ stelt Daan Peters, senior consultant van Ecofys. Hij werkte mee aan talloze onderzoeken op het gebied van bio-energiebeleid, in het bijzonder op het gebied van biomassa-duurzaamheidsbeleid in de EU-lidstaten. Peters: ‘Het probleem blijft echter dat alle bovengenoemde gewassen een vrij hoog risico op Indirect Land Use Change (ILUC) hebben.’ ILUC is, kort gezegd, het effect dat optreedt als bestaande landbouwgrond wordt gebruikt voor de productie van biobrandstoffen. Dat leidt tot het omzetten van bos of grasland in nieuwe landbouwgrond voor voedsel en diervoeders, veranderingen die verlies van biodiversiteit tot gevolg hebben, — naast extra uitstoot van broeikasgassen. 

De ILUC-gerelateerde broeikasgasemissies ter plaatse zijn minimaal van dezelfde omvang als de direct behaalde emissiereductie in de transportsector, hetgeen betekent dat de huidige ‘eerste generatie’-biobrandstoffen doorgaans een even grote of zelfs kleinere klimaatimpact hebben dan fossiele brandstoffen. 

Critici spreken dan ook liever over ‘negatieve landgebruiksveranderingen’ omdat met de gebiedsuitbreiding de illegale boskap en landroof in landen rond de evenaar drastisch toeneemt, met uitdrijving van inheemse volkeren tot gevolg. Daar komt tenslotte nog bij dat het gebruik van voedselgewassen om de Europese biobrandstof te produceren de mondiale voedselprijzen de afgelopen jaren behoorlijk heeft opgedreven en zodoende zelfs voedselschaarste teweeg heeft gebracht. 

Grondstoffen uit de EU

Er blijken echter wel heel duurzame biobrandstoffen beschikbaar te zijn op de markt, als we af moeten gaan op de aanbevelingen van het team van onderzoekers achter het EU-rapport. Zij doelen hiermee op grote hoeveelheden afval en reststromen die in de EU voorhanden zijn om biobrandstoffen te produceren. In een studie in opdracht van de Duitse, Nederlandse en Deense overheden komt bureau Ecofys tot een schatting van 17 Mtoe (miljoen ton olie-equivalent) aan ILUC-vrije biobrandstoffen die zouden kunnen worden gewonnen uit houtachtige reststoffen en graanstro uit de EU zelf. Deze hoeveelheid vertegenwoordigt 60 procent van de totale hoeveelheid biobrandstoffen in 2020.

Rotterdam is naar eigen zeggen al de grootste ‘bioport’ ter wereld

Kanttekening hierbij is wel dat het overmatig oogsten van primaire residuen zoals stro en bosbouwresiduen negatieve effecten heeft op de bodemkwaliteit. Bovendien is het produceren van biobrandstoffen uit grondstoffen anders dan palmolie ook weer afhankelijk van de beschikbaarheid van voldoende geavanceerde biobrandstoffabrieken. Rotterdam is naar eigen zeggen al de grootste ‘bioport’ ter wereld. Bedrijven in de haven produceren jaarlijks meer dan 1,2 miljoen ton biobrandstoffen, het merendeel daarvan is echter gericht op de verwerking van palmolie. De omschakeling naar andere gewassen voor de productie van biobrandstof zal met de invloed van de aanwezige palmoliehandelaren op de Maasvlakte in Nederland niet in de lijn der verwachting liggen. 

Nederland zal dan ook alles in het werk moeten stellen om ervoor te zorgen dat de ‘Amsterdam Declaration’ geen papieren tijger is. Toezeggingen moeten werkelijk worden vertaald naar de praktijk. De overheid zal tezamen met stakeholders uit de industrie moeten kijken naar écht duurzame alternatieven die ook echt zorgen voor minder uitstoot van broeikasgassen door de gehele productieketen. Europese overheden kunnen deze klimaatvriendelijkere alternatieven stimuleren door in de rekenregels voor de netto-emissies van biobrandstoffen een ‘ILUC-factor’ te introduceren. Het zou tot die tijd erg helpen als de EU-lidstaten de gestelde richtlijnen van 8,4 procent verplichte bijmenging van biobrandstof in fossiele brandstof mogen loslaten. Alleen zo kan de transportsector oprecht en daadwerkelijk verduurzamen. Door op deze voet verder te gaan, blijft het EU-beleid de drijvende kracht achter milieuvervuiling, landroof en mensenrechtenschendingen.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Annemarie van de Weert

Schrijft columns over de betrokkenheid van het bedrijfsleven bij de georganiseerde misdaad, oorlogsmisdaden en mensenrechten.