De diefjesmaten

    Inside Job is een fantastische documentaire over de grootste roof uit de geschiedenis, de kredietcrisis. Maar waar zijn de diefjesmaten? Ewald Engelen nagelt de advocatuur als medeplichtige aan de schandpaal.

    Alle loftuitingen en prijzen voor Charles Fergusons Inside Job – drie inmiddels, waaronder een Oscar -– zijn volkomen terecht. Met veel humor, grote snelheid, adembenemende precisie, een indrukwekkende reeks hoofdrolspelers – van Barney Frank tot Nouriel Roubini, van Christine Lagarde tot George Soros – en een forse dosis goed beheerste verontwaardiging ontleedt Ferguson de grootste diefstal uit de geschiedenis, die we (God mag weten waarom?) de financiële crisis van 2007 zijn gaan noemen.

     

    In een moeite door maakt Ferguson gehakt van de gelegenheidsargumenten waarmee bankiers zichzelf sindsdien vrijpleiten: dat ze het ook niet wisten, dat ze te goeder trouw waren of – nog hilarischer - dat ze ‘Gods werk’ deden, aldus de bestuursvoorzitter van Goldman Sachs Lloyd Blankfein. Drie gotspes, zo maakt Ferguson de kijker droogjes duidelijk: Heren, U hebt willens en wetens de klant een poot uitgedraaid om er zelf beter van te worden. En toen het mis ging, zocht U als de wiedeweerga steun bij Uw politieke vrindjes, terwijl U zelf fluitend wegliep met Uw zakken vol poen. Als dit ‘Gods werk’ is, ben ik aartsengel Michaël.

    Bancaire speeltuin
    Alle partijen krijgen onder uit de zak: hypotheekverstrekkers, banken, toezichthouders, politici en kredietwaardigheidbureaus – de laatste met een ritmische sequentie van citaten van bestuurders die de een na de ander beweren dat de beoordelingen slechts ‘opinies’ … ‘opinies’ … ‘opinies’ waren. En allemaal hebben ze duimendik boter op het hoofd. Soms door actief te hebben meegewerkt aan het verwijderen van de wettelijke hekken rond de bancaire speeltuin. Soms uit pure domheid of – nog erger – desinteresse. Veel hiervan was al bekend uit de uitmuntende journalistieke reconstructies van Andrew Ross Sorkin, Joe Nocera en Bethy McLean, William Cohan en Suzanne McGee, en veel van de hoofdpersonen kenden we al van gezicht en stem uit eerdere documentaires van Frontline en – vooral – de uitmuntende driedelige serie van de BBC over de val van Lehman Brothers, The Love of Money.

    Grootschalige roofzucht
    Inside Job voegt aan dit verhaal niet alleen fraaie beeldtaal en humor toe en is daardoor (pace Michael ‘de drammer’ Moore) des te effectiever in het wekken van verontwaardiging, maar besteedt voor het eerst ook uitvoerig aandacht aan de rol van economen. Dat resulteert in het laatste deel van Inside Job in een viertal hilarische interviews met economen van het kaliber Martin Feldstein, Glenn Hubbard en Frederic Mishkin.

     

    De een na de ander wordt ontmaskerd als zakenvullende makelaar in wetenschappelijke sprookjes die zijn academische status gebruikt om de grootschalige roofzucht van zijn bancaire vriendjes met wat imponerende algebra toe te dekken. Met uitgestreken smoel en kinderlijk eenvoudige vragen laat Ferguson de heren op onthutsend naïeve wijze in het zwaard lopen dat hij, bij wijze van spreken, alleen maar hoeft op te houden.

     

    Met name Mishkin maakt er een potje van. Een rapport geschreven voor de IJslandse toezichthouder over de financiële stabiliteit van IJsland a raison van 120 duizend dollar (niets aan het handje schrijft Mishkin op basis van bureau onderzoek twee maanden voor de IJslandse banken over de bananenschil van Lehman Brothers uitglijden) verschijnt een jaar later op zijn cv onder de geretoucheerde titel ‘Financial Instability in Iceland’. Typefoutje, aldus de econoom, die tijdens het interview steeds meer gaat hakkelen en steeds verder onder tafel kruipt. Multimiljonair kun je ermee worden, zo laat Ferguson aan de hand van de belastingaangiftes van de heren economen zien.

    Frederic Mishkin is een draaikont

    Draaikont Frederic Mishkin ontloopt straf


    Zegen voor de mensheid
    Hoe lachwekkend ook, de interviews hadden naar mijn smaak teveel weg van een freakshow. De combinatie van schuchtere onhandigheid en agressieve arrogantie die Mishkin en consorten in Inside Job ten toon spreidden, is zo potsierlijk dat de kijker gemakkelijk de indruk zou kunnen krijgen dat het hier om neoconservatieve excentriekelingen zou gaan.

     

    Niets is minder waar. De overtuiging dat de markt altijd beter weet; dat regulering marktverstoring is; dat financiële innovatie een zegen voor de mensheid is; dat met de verdere perfectionering van financiële markten oude wetmatigheden niet meer gelden; dat zelfregulering de beste vorm van regulering is; dat securitisatie tot een robuuster financieel stelsel leidt; dat risicospreiding toezicht overbodig heeft gemaakt – die hele santenkraam van economische tegeltjeswijsheden werd voor de crisis door vrijwel iedere econoom – of hij nu academicus was, voor een bank werkte of bij een toezichthouder zijn hand ophield – als het Woord Gods gezien en tot vervelens toe, als was het een Gregoriaanse liturgie, herhaald.

    Ben Bernanke van de Federal Reserve beweert nog in augustus 2007 toen iedereen allang kon zien dat het verpakken van ondermaatse hypotheken de VS in een diepe recessie zou storten, dat securitisatie – Halleluja! - de Amerikaanse onderklasse deelgenoot had gemaakt van het Amerikaanse huizenwonder. Business Week publiceerde in december 2007 zijn jaarlijkse overzicht van de groeiverwachtingen voor de Amerikaanse economie aan de hand van een survey onder 54 vooraanstaande economen. Alle 54 voorspelden een robuuste groei met weinig verrassingen. Niet een voorzag dat de VS een zwaar jaar tegemoet zou gaan, terwijl de aanstaande crisis zich toen wel degelijk aan het aftekenen was.

     

    Jean-Philippe Cotis en Adrian Blundell-Wignall van de OESO, de economen van het IMF en de hoofdeconomen van alle grote banken prevelden tot diep in de crisis dezelfde quasi-religeuze flauwekul: financiële innovatie is een zegen; securitisatie is een gift van Jezus; de markt weet het beter; de staat verstoort, et cetera. De enkele tegensprekers – die niet toevallig in Inside Job allemaal een kleurtje hebben of van buiten de VS komen (Raghu Rajan, Nouriel Roubini, Gillian Tett en onze eigen Willem Buiter (met ondertiteling!)) – kregen voor de crisis geen poot aan de grond en worden na de crisis misbruikt om het eigen falen te verhullen en de economische discipline te redden.

    Muurvast op het pluche
    Denk niet dat deze praatjesmakers inmiddels met pek en veren de universiteit zijn uitgeschopt. Mishkin, Feldstein en Hubbard mogen nog altijd studenten bederven met hun academische kulpraatjes, vangen nog altijd riante honoraria voor hun handboeken die volstaan met de sprookjes van gisteren en verkopen nog altijd hun naam voor veel geld aan bancaire instellingen voor advies, optredens of papers. En datzelfde geldt voor die Hogepriesters van de economie die het voor de crisis zo vreselijk mis hadden. Na de crisis zitten ze nog altijd muurvast op het pluche, zoals Bernanke, of zijn ze gepromoveerd naar ijlere hoogtes, zoals Cotis, die nu hoofd van het Franse CBS is. Als Bernanke of Cotis bij de Kinderbescherming hadden gewerkt, zouden zulke kolossale inschattingsfouten onherroepelijk zijn afgestraft met ontslag of strafrechtelijke vervolging. Voor economen gelden kennelijk andere regels, ook al zijn de maatschappelijke gevolgen ervan vele malen groter.

    "Net als de wetten van de natuurkunde..."
    En denk ook niet dat er in de economische wetenschap veel is veranderd. Een scheutje psychologie hier en wat neurologie daar, veel verder gaat het niet. Het onderliggende probleem, namelijk de ongefundeerde maatschappelijke reputatie van een discipline die zich in de loop van haar geschiedenis heeft getooid met de witte jas van de ingenieur en zodoende een monopolie heeft weten te verwerven op het formuleren van economisch beleid hoe rampzalig dat beleid vaak ook is, is daarmee niet opgelost. Zie de verzuchting van de hoofdredacteur van Economic Journal dat afgaand op de voortdurende dominantie van mathematische economie in de stukken die het blad krijgt toegestuurd, de ‘crisis of niet is gebeurd of is gemist door de professie’.


    Of zie de uitlating van Alfamannetje Larry Summers (die zich wijselijk onthield van commentaar op de forse aantijgingen van Ferguson jegens zijn persoon in Inside Job) tijdens het laatste World Economic Forum in Davos over de eurocrisis: ‘De EU zoekt de grenzen op van een incrementele strategie… Maar de wetten van de economie, net als de wetten van de natuurkunde, trekken zich van politieke variabelen niets aan’. En dat twee jaar nadat die zogenaamde ‘economische wetten’ een financiële puinhoop hebben veroorzaakt die volgens Summers en de zijnen helemaal niet kon gebeuren en die alleen met behulp van diezelfde vermaledijde ‘politieke variabelen’ tot staan kon worden gebracht. Niets geleerd, deze man, en dus terecht door Obama afgeserveerd.

    Terecht afgeserveerd: Larry Summers

     

    Boefjesmaten
    Alle partijen worden dus door Ferguson op de pijnbank gelegd, maar eentje heeft nog altijd de dans weten te ontspringen: de advocatuur. De gladjakkers die de advocatenkantoren in Manhattan, de City en de Zuidas bevolken, hebben tot nog toe alle kogels weten te ontwijken. Dit is dan ook geen verwijt aan het adres van Ferguson, want ook de BBC, HBO, Sorkin, Nocera en al die anderen die de crisis hebben ontrafeld en op zoek zijn naar boeven, boefjes en boefjesmaten, hebben de rol van de advocatuur gemist. Terwijl zij cruciaal is geweest. Ga maar na: gesecuritiseerde hypotheken worden aan de belegger gebracht met prospectussen van minstens 300 pagina’s die vol staan met juridische tangconstructies om banken te beschermen, toezichthouders te frustreren en kopers te verwarren. Daar zitten honderden uren juridisch werk in tegen uurtarieven van 300 tot 600 euro. Om maar te zwijgen van de prospectussen van beursgangen, fusies en overnames, en ontvlechtingen.

     

    Alle financiële transacties hebben een juridisch spoor dat advocaten werk oplevert. Ongeacht of het nu gaat om het in elkaar zetten van contracten of het weer uit elkaar halen ervan, of de economie nu groeit of krimpt, voor advocaten is er, net als voor doodgravers, altijd werk. Alleen leeft de advocaat er wel heel wat beter van, zoals hun kantoorpanden aan de Zuidas en hun oververtegenwoordiging aan de Amsterdamse goudkust mag illustreren.


    Baker & McKenzie aan de Zuidas

    Juridische draden trekken is nog tot daar aan toe. Veel erger is dat advocaten zich de afgelopen jaren meer en meer hebben ontpopt tot de juridische diefjesmaten van banken, die uitblonken in het verzinnen van financiële constructies die ofwel de toezichthouder om de tuin moesten leiden, ofwel de fiscus het bos in moest sturen, ofwel de klant een rad voor ogen moest draaien of alle drie tegelijk. Daarbij is de eigen portemonnee leidend geworden.

     

    Dat er ook nog zoiets bestaat als integriteit of de rechtsstaat is van secundair belang. De synthetische producten waarmee Goldman Sachs en Deutsche Bank in 2007 in het geniep konden wedden op een daling van de Amerikaanse huizenmarkt zonder dat de kopers ervan te vertellen, zijn mede mogelijk gemaakt door de juridische creativiteit van cynische advocaten die zich niets gelegen lieten liggen aan de eigen beroepsethiek. Lees de onthutsende reconstructie van de Commissie Levin er maar op na.


    Hetzelfde amorele cynisme van bankiers dat Ferguson met zoveel satanisch genoegen in Inside Job aan de kaak stelt, is in toenemende mate ook die in en in keurige beroepsgroep van de advocatuur gaan domineren.

    Verdoezelen, ontduiken
    In Nederland spelen advocaten een buitengewoon suspecte rol in de buitenproportionele trustindustrie die ondernemingen en rijke particulieren in staat stelt miljarden te onttrekken aan de fiscus in het land van herkomst. Met glimmende brochures, ronkende teksten en ingewikkelde ketens van financieel-juridische constructies (wel eens gehoord van de ‘double Dutch’ of de ‘Dutch sandwich’?) proberen Nederlandse advocatenkantoren hun clientèle te verleiden hun smerige zaakjes toch vooral via het brievenbusparadijsje Nederland te laten lopen.

    Copyright: Dilbert

     

    De laatste jaren worden deze trustkantoren steeds vaker ook door buitenlandse banken gebruikt om hun activa buiten de boeken en daarmee uit het zicht van de toezichthouder te houden. Amsterdam huisvest meer dan twintigduizend van dit soort brievenbusmaatschappijtjes, die zijn bedoeld om te verdoezelen en te ontduiken en tegen een riante beloning worden beheerd door keurige Nederlandse advocaten met jaarinkomens van boven een half miljoen. Een schijntje voor een beetje bankier, maar een Gods vermogen voor een niet al te slimme rechtenstudent van goede komaf die met een door de staat gecertificeerd monopolie op juridische schoonschrijverij op zak geen enkel ondernemersrisico loopt. Denk niet dat het om smoezelige advocaten van schemerige firma’s in duistere steegjes gaat. O nee, gerenommeerde, respectabele kantoren als Allen & Overy, Loyens & Loeff en Baker & McKenzie zijn met juristen als Gerard Kastelein, Mariëtte van ’t Westeinde en Marco van Bladel de grootste partijen in de markt voor ontduiking, verdoezeling en verdraaiing geworden.

     

    Deken van de Orde van Advocaten Willem Bekkers stelde zich in een interview met het NRC Handelsblad voorzichtig de vraag op of de advocatuur niet te dienstbaar was geweest aan haar bancaire clientèle. Hoon was zijn deel en sindsdien is van een verontschuldiging niets meer vernomen. Terwijl haar medeplichtigheid aan de grootste financiële roof aller tijden toch zo evident is. Ieder contract is immers pas rechtsgeldig als het een stempel heeft gekregen van een gecertificeerde advocaat - dat heeft de staat zo bepaalt.

     

    Dankzij Inside Job weten we dat er voor de crisis willens en wetens gesjoemeld is met financiële contracten, dat banken bewust de letter van de wet zodanig hebben opgerekt en gemanipuleerd dat de uitkomst het exacte tegendeel van de geest ervan was. Zonder de actieve, weloverwogen medewerking van hun juridische diefjesmaten zou dat niet hebben kunnen gebeuren.

    Ethisch besef
    Schuld door nalatigheid, moet het oordeel luiden. Is een welgemeende spijtbetuiging voor de aangerichte schade jegens de samenleving dan teveel gevraagd voor deze verwende, beschermde beroepsgroep? En in het verlengde daarvan: is het niet hoog tijd om het morele oordeelsvermogen van advocaten, dat voor de crisis duidelijk tekortschoot en – afgaand op de omvang van de belastingontduiking via Nederlandse trustkantoren – nog altijd tekortschiet eens flink aan te scherpen? En tenslotte: wordt het niet eens tijd dat in het professionele tuchtrecht inbreuken op de geest van de wet net zo verwijtbaar worden als het overtreden van expliciete regels?


    Advocaten hebben namelijk niet alleen verplichtingen jegens hun clientèle maar ook, of misschien wel juist, jegens de rechtsstaat waaraan zij hun geprivilegieerde maatschappelijke positie danken. Met het rechtsgevoel van advocaten is het net als met het ethisch besef van bankiers bedroevend gesteld. Inside Job gaat vooral over het laatste. Waar blijft de aanklacht tegen hun diefjesmaten?

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Ewald Engelen

    Gevolgd door 1940 leden

    FTM-columnist van het eerste uur, financieel geograaf aan de UvA en actief voor de Partij voor de Dieren.

    Volg Ewald Engelen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren