Franc Weerwind, minister voor rechtsbescherming

Gemeenten zouden de jeugdzorg goedkoper en beter regelen. Het tegenovergestelde is gebeurd. Wat ging er mis? Lees meer

De gemeenten zouden jeugdzorg dichterbij, efficiënter en uiteindelijk ook goedkoper gaan regelen. Het tegenovergestelde gebeurde: het aantal zorgaanbieders is gestegen van 120 in 2014, naar zo’n 6.000 nu. En inmiddels ontvangt één op de tien Nederlandse kinderen een vorm van jeugdzorg.

 

In de zomer van 2020 was voor veel gemeenten de maat vol. Ze gaven zoveel geld aan jeugdzorg uit, dat zij het financieel niet meer konden bolwerken. Den Haag moet met meer budget over de brug komen, luidde de boodschap.

Maar is geld het enige probleem? Onder de werktitel "Jeugdzorg in het Rood” doet Follow the Money onderzoek naar de geldstromen in de jeugdzorg. In deze gids loodsen we je langs de belangrijkste bevindingen.

82 artikelen

Franc Weerwind, minister voor rechtsbescherming © Fenna Jensma

Minister Franc Weerwind: ‘Herwinnen van vertrouwen, dat is mijn belangrijkste opdracht’

Als burgemeester van Almere zette hij zich in tegen ondermijnende criminaliteit, en zag hij met eigen ogen de problemen van ouders en kinderen in de jeugdzorg. Nu moet hij als minister voor Rechtsbescherming zorgen voor een veiliger land. ‘Ik wil het vertrouwen terug gaan winnen.’

‘Ik ambieer niets in het Haagse,’ klonk het twee jaar geleden nog. Inmiddels zit Franc Weerwind (58, D66) tien maanden op de achtste verdieping van het ministerie van Justitie en Veiligheid, als minister voor Rechtsbescherming. Toch ja gezegd, hoewel hij net voor een tweede termijn was benoemd als burgemeester van Almere. 

Met criminaliteit en ondermijning van de democratische rechtsstaat was hij al bezig, legt hij uit. ‘Allemaal binnen de lokale grenzen. Nu zet ik me in voor de rechtszekerheid van heel Nederland, soms zelfs voor heel Europa.’

Hij is, na Sander Dekker (VVD) in het kabinet-Rutte III, pas de tweede minister voor Rechtsbescherming en van plan de nog relatief onbekende post verder uit te diepen, zegt hij. Niet door bij decreet verandering door te drukken. Dat is zijn stijl niet.

‘Hier zit een sociaal-liberaal, het gaat mij erom Nederland daadwerkelijk veiliger te maken’

Weerwind zegt zich door zoveel mogelijk mensen te willen laten informeren, als een spons alle standpunten opzuigen. Om dan pas een koers te kiezen, liefst een die de tand des tijds doorstaat en die leidt tot verandering van binnenuit.

‘Ad-hocbeleid wil ik niet,’ zal hij tijdens het vraaggesprek een paar keer zeggen, vooral als het gaat over het beroep dat op hem wordt gedaan: om direct handelen in de jeugdzorgcrisis. ‘Bij mijn aantreden heb ik mezelf de opdracht gegeven een paar focuspunten duurzaam te veranderen, de jeugdbescherming, de toegang tot het recht. Want ik kan geen twintig dingen tegelijk doen.’ 

Hoe wilt u die opdracht reliëf geven?
‘Vanuit het begrip rechtsbescherming. Waar staat het voor, wat betekent het?’

Wat betekent het in uw woorden?
‘Dat elke Nederlander toegang tot het recht krijgt, en ook ziet wanneer hij bij een conflict richting de rechter kan. Recht is de basis, een fundament. Van alles. Ik kan heel direct ingrijpen, bijvoorbeeld door de griffierechten te verlagen. Of door de sociale advocatuur te stutten en versterken.’

Uw voorganger had een iets andere visie: hij heeft de sociale advocatuur juist afgebroken.
‘Ja, maar hier zit een sociaal-liberaal. Het gaat mij erom Nederland daadwerkelijk veiliger te maken. Het gros van gedetineerden zit niet langer vast dan drie maanden. Hoe zorg je ervoor dat een gedetineerde daarna verder bouwt aan de samenleving en niet opnieuw kiest voor een criminele carrière? Dat vind ik een heel essentiële vraag.’ 

Vanuit de gevangenis verder

Als minister voor Rechtsbescherming werkt Weerwind samen met Dilan Yeşilgöz (VVD), minister van Justitie en Veiligheid. Beiden staan voor de taak het excessieve geweld van de georganiseerde misdaad een halt toe te roepen. Weerwind richt zich vooral op het gevangeniswezen, omdat politie en justitie grote zorgen hebben over misdaadkopstukken die van daaruit hun criminele organisatie voortzetten.

Daarom toog hij onlangs met Yeşilgöz naar Italië, om er de aanpak tegen de maffia te bekijken. Hij bezocht onder meer een speciale gevangenis, te vergelijken met onze Extra Beveiligde Inrichting (EBI) in Vught. ‘Wat een aftands gebouw. Ik zag daar een bedompte sportruimte met een hometrainer uit de jaren zeventig. Een wereld van verschil met Nederland.’ De omstandigheden in Vught zijn zo slecht nog niet, wil hij maar zeggen.

U wilt de penitentiaire beginselenwet aanpassen om het criminelen moeilijker te maken hun praktijken voort te zetten vanuit met name de EBI. Wat bent u precies van plan?
‘Ik versober het contact met de buitenwereld. Dat wil ik transparanter hebben. Ik wil zicht hebben op de juridische ondersteuning binnen de muren, letterlijk.’

Hoe gaat u dat doen?
‘Met de uitwerking ben ik bezig, maar ik geef nu aan: het onderwerp “visueel toezicht” schuw ik niet. Het is plus-plus hè, het beschermt de gedetineerden én de advocaten die hen bijstaan. Zo kunnen zij op een integere en heldere manier hun werk doen.’

Maar wat is visueel toezicht? Hangt er een camera, wordt er meegeluisterd met gesprekken? 
‘Dat u dit zo concreet mogelijk wilt hebben, snap ik, maar met die uitwerking ben ik nog bezig. Voor die grote groep gedetineerden, die de samenleving weer ingaat, wil ik een humaan detentiebeleid, verantwoord en veilig.’

Kunt u één puntje van uw plannen eruit lichten…?
‘Gedetineerden in de EBI mogen nu drie keer per week telefoneren. Ik wil dat terugbrengen, naar één keer in de week.’

…en als het gaat om visueel toezicht?
‘Nee. Dat werk ik eerst uit tot het haalbaar en uitvoerbaar is. Van allerlei ballonnetjes oplaten ben ik niet. Ik wil structurele bouwstenen leveren.’

Eerder sprak Weerwind over de introductie van het ‘vierogenprincipe’ als methode om het toezicht in de EBI te verbeteren. Om excessen als met de advocaat/neef van Ridouan Taghi te voorkomen, zouden advocaten niet langer in hun eentje een cliënt in de EBI mogen bezoeken. Een tweede advocaat zou erop moeten toezien dat er geen onoorbare dingen gebeuren. Maar, zegt de minister, dat is in strijd met het recht op vrije advocaatkeuze. ‘Daarom kan het niet. Maar ik ga wel – met open vizier – het gesprek aan hoe dan wel toezicht uit te oefenen.’ 

Uw plannen staan nog niet vast?
‘Nee, ik heb slechts het kader geschetst. Ik wil het toezicht bespreekbaar maken. Dat ik in de Tweede Kamer van links tot rechts commentaar krijg, weet ik. Toch ga ik kijken of ik dit praktisch kan invullen, en of ik er dan ondersteuning voor krijg.’

Intussen ervaart Weerwind voornamelijk kritiek vanuit de Tweede Kamer. ‘Advocaten lopen de EBI in en uit en iemand als Taghi heeft veel advocaten,’ zei Ulysse Ellian (VVD) deze week. Volgens hem levert dat grote risico’s op. Ellians motie om EBI-gedetineerden maximaal twee advocaten toe te staan, werd met een ruime meerderheid aangenomen. De minister zegt dat voor het inperken van de vrije advocaatkeuze een goede juridische grondslag nodig is, maar hij beloofde de Kamer de motie te zullen bestuderen.

Follow the Money publiceerde recent een artikel over Youssef Taghi, de advocaat die fungeerde als boodschappenjongen voor zijn neef Ridouan in de EBI. Daarin werd duidelijk dat bepaalde informatie  – over het mogelijk niet zuiver op de graat zijn van Youssef Taghi – niet was gedeeld. Moet u deze zaak niet eerst evalueren voordat u de penitentiaire beginselenwet strenger maakt?
‘Ik ben continu met evaluatie bezig, ik trek dat breder dan deze ene zaak. De samenleving verhardt, het criminele milieu verhardt, dat zie je overal. Daar hoef ik maar een paar gevangenismedewerkers en -directeuren over te spreken. Je kan van mij een consistente lijn verwachten. Anders ga ik van links naar rechts. Dan ben ik aan het meanderen.’

Er is veel kritiek op uw plannen voor het vernieuwen van het toezicht op de advocatuur. U zou uw oren te veel hebben laten hangen naar de belangenorganisatie van de beroepsgroep, de Nederlandse Orde van Advocaten. Daarom zou de nieuwe toezichthouder niet onafhankelijk zijn. Hoe ziet u dat? 
‘Die kritiek neem ik ter harte, want de advocaat speelt een te belangrijke rol in onze rechtsstaat. Ik wil goed, onafhankelijk toezicht, geen papieren tijger. We hebben in het verleden … onvolkomenheden gezien, laat ik maar het zachte woord gebruiken. Dat moet anders. Ook de Kamer is niet overtuigd van het toezichtstelsel dat ik voorleg. De brief van Kremers cum suis houd ik nu heel scherp tegen het licht. Voor punten van kritiek houd ik mij niet Oost-Indisch doof. Heb ik zoveel wijsheid in pacht? Nee. Het is arrogant om te denken dat je het begrepen hebt. Elke dag leer ik, zie ik dingen en denk ik: verdraaid, dat moeten we goed bekijken.’ 

Wanneer had u dat voor het laatst?
‘Deze week, toen ik in NRC een artikel las over zedendelinquenten die terugkeren naar Nederland en hier een VOG (Verklaring Omtrent het Gedrag, red.) kunnen krijgen. Dan vraag ik me af: verdorie, is dat zo? Als die lacune bestaat, moeten we daar wat aan doen. Dan wil ik niet een half jaar nemen voor verbetervoorstellen, want in die tijd kunnen heel wat zedendelinquenten het land in komen en een VOG aanvragen. Daar moet je niet aan denken.’

Code gitzwart

Over de jeugdbescherming krijgt de minister juist geregeld te horen dat hij niet snel genoeg in actie komt. In de hele jeugdbeschermingsketen gaat het mis: de wachtlijsten bij de Raad voor de Kinderbescherming lopen op naar meer dan een half jaar, bij de gecertificeerde instellingen staan de jeugdbeschermers met de rug tegen de muur, en ook de zorgverleners die kinderen en gezinnen moeten helpen, zitten vol. 

Als de overheid ingrijpt omdat de ontwikkeling van een kind gevaar loopt, dan moet er hulp beschikbaar zijn. Die is er nu vaak niet. Intussen staken de jeugdbeschermers, gooide de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd de handdoek in de ring en zijn vriend en vijand het eens: het is code gitzwart. 

Te midden van deze uitslaande brand richt Weerwind de blik op de horizon. ‘Hoorde je de jeugdbescherming vroeger alleen maar over “het kind, het kind, het kind”, ik leg de nadruk op het hele gezin. Daar zitten de sleutels tot verandering. Ja, dat gaat langzaam en ik wil sommige dingen ook gisteren gerealiseerd hebben. Maar als we samen kijken hoe het anders kan, leidt het van binnenuit tot grote veranderingen.’

De woorden die u gebruikt in de debatten met de Tweede Kamer – ‘toekomstscenario’, ‘proeftuinen’ en ‘evaluaties’ – stralen weinig urgentie uit. Terwijl de Kamer, kinderrechters en jeugdbeschermers vinden dat er nú iets moet gebeuren. 
‘Dat is zo, en het gebeurt ook nu. Op dit moment werken medewerkers van de gecertificeerde instellingen in de jeugdbescherming en de wijkteams al schouder aan schouder om helder te krijgen waar in een probleemgezin de spanning ligt. Hulpverleners zitten niet een maand op een gezin in crisis, eerder acht à negen maanden.’

U kunt als minister besluiten de jeugdbescherming landelijk te organiseren. Waarom gebeurt dat niet?
‘Omdat we het zo niet geregeld hebben. De staatssecretaris van VWS en ik zijn stelselverantwoordelijk. Dat houdt in dat wij het met eenduidige tarieven mogelijk moeten maken dat de gemeenten op een centrale, verantwoorde manier zorg voor kinderen en jongeren kunnen inkopen. Maar de gemeenten zijn zelf verantwoordelijk voor de uitvoering en omdat ze financieel klem zitten, acteren gemeenten budgetgestuurd. Terwijl kinderen en gezinnen centraal moeten staan. Écht centraal.’

Sinds november vorig jaar experimenteren wijkteams, de Raad voor de Kinderbescherming, gecertificeerde instellingen en Veilig Thuis met wat wel en niet werkt. ‘Dat doen we, en kom ik weer met dat vreselijke woord, in proeftuinen. Grosso modo heb ik een derde van de gemeenten daarmee bereikt. Die versterken hun regionale veiligheidsteams en werken met allerlei disciplines rondom het gezin. Een gemeente als Oudewater bracht op die manier het aantal complexe casussen terug van 25 naar vijf. Het kan dus wél. Zo’n verandering van binnenuit zie ik als een stelselwijziging.’

Maar dat gaat nogal langzaam zo.
‘Het is taai, ja. In gesprek gaan met mensen die je niet vertrouwen, vergt eerst een brug te slaan.’

Dat doet hij soms met de telefoon in de hand, zegt hij. ‘Omdat ik minister ben, komt de meeste informatie door een zeef tot mij, dat weet ik heel goed.’ 

Vorige week nog, vertelt hij, had hij door een ‘mailbom’ van de vakorganisatie FNV ineens 1100 berichten van jeugdbeschermers in zijn inbox. ‘Daar pluk ik er een aantal uit en die bel ik dan gewoon, om feeling te houden met wat er op de vloer gebeurt.’

Wat vertellen ze u?
‘Dat ze door het ijs zakken. Dat zie ik ook gebeuren. Ze vertellen bijvoorbeeld hoe complexe scheidingen zorgen voor een ongelooflijke zwaarte in de jeugdbeschermingsketen.’ 

Dat zeggen meer mensen. Maar harde cijfers zijn er nauwelijks. Op schattingen valt toch geen beleid te maken?
‘Eens. Daar ga ik niet omheen draaien. Ik wil ook weten: waar staan we? Dus ik vraag ook aan de jeugdbeschermingsregio’s: waar hebben we het over? Wat zijn de aantallen? Ik wil het ook concreter hebben.’

En wat hoort u dan?
‘Dat ze het in kaart willen brengen en dat ze de urgentie zien. Maar dat we ook personeel tekortkomen. Het piept en kraakt.’

Waarover maakt u zich de meeste zorgen?
‘Over de kinderen, en de ouders. En de relatie daartussen. Wat goed is, is dat we nu eindelijk ouders bereiken.’ 

Weerwind doelt hier onder andere op stichting Number Five van prinses Laurentien, die gesprekken voert met gedupeerden van de toeslagenaffaire. En op de gesprekken met ouders binnen het zogeheten toekomstscenario kind- en gezinsbescherming: hét plan om de jeugdbescherming slimmer in te richten, zodat er ruimte ontstaat om gezinnen effectiever te helpen – iets dat overigens al jaren onderwerp van discussie is. 

Borduurt u ook voort op de al beschikbare kennis? Voor verbetering van het feitenonderzoek, waarop kinderrechters hun beslissingen baseren, wordt al vanaf 2008 geijverd. Is het wel nodig om telkens nieuwe ouders te vragen mee te denken?
‘Ik vind het nodig. De voorwaarde die ik heb gesteld, is dat we de ouders die het aangaat, betrekken in zoeken naar hoe het anders kan. Verder gaat mijn bemoeienis niet. Te veel sturing door de overheid, zonder dat we aansluiting zoeken bij de mensen om wie het gaat, werkt altijd averechts, is mijn ervaring tot nu toe. Zeker in dit dossier. Dat staat los van dat ik soms ouders aan tafel heb om feeling te houden met wat er echt leeft.’ 

Lukt dat?
‘Ja, ze leggen hun leed echt hier op tafel. In hun verhalen hoor ik hoe de schijven langs elkaar werken en niet met elkaar.’

Wat treft u het meest in uw gesprekken met ouders?
‘Het menselijk leed. Dat ouders geen contact hebben met de kinderen. Sommige ouders begrijpen best dat hun kind uit huis is geplaatst, ze erkennen dat ze er niet voor konden zorgen. Maar ze willen wel contact houden en bouwen aan bestaanszekerheid. Ze daarbij helpen, is onze taak en dat doen we via het ondersteuningsteam, dat elk gezin apart bekijkt. In deze discussie is het nooit one size fits all. Iedere casus die hier voorbij komt is zo verschillend.’ 

Veel ouders zijn het vertrouwen in de overheid kwijt. Hoe moeilijk is het om dat terug te winnen?
‘Vertrouwen winnen kost tijd, een relatie opbouwen idem. Als een ouder eenmaal het stempel “onveilig” heeft gekregen, komt die daar niet meer vanaf. Dat is een punt dat ik uit mijn gesprekken abstraheer. Want het is niet voor het eerst dat ik dit hoor, en het is niet één ouder die dit zegt.’

Is het terecht dat ouders niet meer van een etiket af komen?
‘Nee, dat is niet juist. Het staat in je dossier en het wordt door iedereen geëchood zonder na te gaan of het nog klopt.’ 

Wat vindt u van de nieuwe CBS-cijfers, die aantonen dat er geen directe relatie was tussen gedupeerd zijn in de toeslagenaffaire en het uit huis plaatsen van de kinderen?
‘Ik voel me enigszins gesteund door deze cijfers, maar we zijn er nog niet. Ik voel me ook gesteund door de onderzoeken van Steketee en Bruning, die zeggen: de feitenonderzoeken [zoals onder andere de Raad voor de Kinderbescherming die uitvoert, red.] zijn niet 100 procent tiptop, maar we zijn geen onterechte uithuisplaatsingen tegengekomen.’ 

Over elk onderzoek dat u nu noemt, is veel discussie: over wie betaalt, over de methode, de uitkomsten. Wat vindt u daarvan?
‘Met alle respect: zullen we het kind een keer centraal stellen? En niet de methode, of de structuur? En de ouders centraal stellen, en van daaruit redeneren? Ik begrijp dat men nu naar mij kijkt: wat gaat u doen? Nou, je hoort het me net zeggen. De stappen die ik maak in de mij gegeven periode, moeten leiden tot structurele verbeteringen voor gezinnen en kinderen. Maar de keten moet de klappen maken.’ 

Wanneer bent u tevreden? 
‘Als we inderdaad hebben laten zien dat het stelsel er is voor de ouders en de kinderen.’

Is dat uw belangrijkste opdracht als het gaat over uw hele portefeuille?
‘Dat is het herwinnen van vertrouwen. Wanneer een kind in een onveilige situatie verkeert, laten we zien dat we er zijn. Niet om het kind weg te plukken, maar om te kijken hoe we het voor dat kind kunnen verbeteren. Dat geldt voor gedetineerde net zo: hoe maken we de situatie beter als hij vrijkomt?’ 

Vindt u het nog leuk, minister zijn? Ook als het hard-tegen-hard gaat? 
‘Op lokaal niveau is het niet anders, daar gaat het er ook hard aan toe. In Velsen (Weerwind was er burgemeester van 2009 tot 2015, red.) had ik een groot probleem met criminaliteit, in Almere met een groepje jongens dat stenen gooide op het verkeer. Daar ga ik zichtbaar en onzichtbaar op zitten. Mijn gemeenteraad gaf me toen een gele kaart. Was het nog één keer gebeurd, dan had ik mijn dozen kunnen pakken. Lokale politiek is niet lief. Maar dat geeft niet, want ik ben ingeschakeld om een klus te klaren. Of ik daar in slaag…’

En zo niet en u bent klaar met de politiek, dan opent u een kunstgalerie, toch? 
‘Of het een galerie wordt, weet ik niet. Het klopt dat ik dol ben op cultuur en kunst. Mijn specialiteit is Nederlands keramiek en glas van 1890 tot 1940. Die tijd, die kunststroming, hoe er werd gewerkt, wat er werd gemaakt, vind ik schitterend. Omdat het niet alleen voor de elite was, het werd voor de gewone man en vrouw gerealiseerd. Maar nu klink ik als een socialist.’