Fraude en witwassen

Witteboordencriminaliteit wordt veronachtzaamd, terwijl daar absurd veel geld in omgaat. Lees meer

Dankzij de talloze belastingverdragen met andere landen is Nederland in de afgelopen decennia uitgegroeid tot een van de voornaamste belastingparadijzen op aarde.

 

Niet alleen lopen de geldstromen van de grootste bedrijven op aarde langs de Amsterdamse Zuidas, ook is de Nederlandse wet- en regelgeving zeer geschikt voor fraudeurs en witwassers. Tegelijkertijd is door onderbezetting in het opsporingsapparaat de pakkans voor deze financiële misdaden minimaal. FTM gaat op zoek naar de witteboorden die hun diensten verlenen aan criminelen, onderzoekt waarom de politiek geen hardere maatregelen neemt en hoe het ‘woud’ aan onderzoeksinstanties beter zou kunnen functioneren.

9 Artikelen

Beeld © Gijs Kast

Het bord voor de kop van de Nederlandse politiek: fraude en witwassen

3 Connecties
15 Bijdragen

Voor het eerst in bijna veertig jaar vervolgt het Openbaar Ministerie Nederlandse bankiers wegens witwassen. Voor FTM reden om de balans op te maken: hoe staat het met de bestrijding van fraude en witwassen in Nederland in 2021? Nederland trekt als belastingparadijs en financial facilitator veel dubieus geld aan, terwijl de bestrijding van fraude en witwassen al decennia lang stroef verloopt: veel bureaucratie maar weinig capaciteit. Gaan de autoriteiten het eindelijk serieus nemen?

Het gerechtshof Den Haag kwam op 9 december vorig jaar met verrassend nieuws: Ralph Hamers moet alsnog vervolgd worden. Na een groot witwasonderzoek had ING in 2018 voor het recordbedrag van 775 miljoen geschikt met het OM. Natuurlijke personen – zoals topman Ralph Hamers – bleven buiten schot. Daar kwam veel kritiek op, waarna onder andere Pieter Lakeman een zogenoemde artikel 12 Sv-procedure aanspande om Hamers alsnog te laten vervolgen. Hamers, nu werkzaam bij het Zwitserse UBS, moet strafrechtelijke verantwoording afleggen omdat hij volgens critici als topman geweten moet hebben dat de bank bij fraude en witwassen vaak de andere kant op keek. Inmiddels doet het OM ook onderzoek naar de rol die Gerrit Zalm als ABN Amro-topman speelde in een vergelijkbare witwaszaak. FTM onthulde zaterdag dat de raad van bestuur, onder leiding van Zalm, een gezamenlijk onderzoek van ABN Amro en het OM naar fraude en witwassen torpedeerde.

Het is uniek dat het OM bankbestuurders vervolgt die wegkijken bij fraude en witwassen

Het is uniek dat het OM bankbestuurders vervolgt die wegkijken bij fraude en witwassen. De vorige keer dat een bankbestuurder wegens witwaspraktijken in de rechtszaal tegenover het OM stond, is zo’n veertig jaar geleden. Het ging toen om verschillende directieleden van de Slavenburg’s Bank. Zij traden op als financial facilitator van onder meer Joop de Vries, alias ‘Zwarte Joop’ en ‘de koning van de Wallen’. Hij had zo’n 2,2 miljoen gulden (1 miljoen euro) aan zwart geld liggen in de kluis van de Slavenburg’s Bank. 

De rechtszaak volgde op een reeks invallen van de FIOD bij Slavenburg’s Bank in 1983. Hoewel er ernstige verdenkingen bestonden, kwamen de directieleden van de inmiddels failliete bank er vanaf met voorwaardelijke straffen en geldboetes. Niet voor niets ging deze zaak de geschiedenisboeken in als de Slavenburg-affaire. Sindsdien hebben FIOD en OM hun handen niet meer gebrand aan het vervolgen van bankiers.

Slavenburg-jurisprudentie 

Peter van Leusden, anti-fraude expert bij Partner in Compliance die zo’n veertig jaar bij de Fiod werkte, legt uit dat het vervolgen van natuurlijke personen een stuk lastiger is dan rechtspersonen. ‘De Slavenburg-jurisprudentie stelt hoge eisen aan het bewijzen van het feitelijk leidinggeven door bijvoorbeeld een bankbestuurder aan verboden gedragingen van de rechtspersoon. Eerst moet worden vastgesteld of de rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan, na deze vraag komt aan de orde of een bestuurder als feitelijk leidinggever strafrechtelijk aansprakelijk is. In een arrest van 26 april 2016 heeft de Hoge Raad het leerstuk uitgebreid verwoord . Het lijkt erop dat de lat voor het OM hoog ligt om bewijs tegen de bestuurders zelf te verzamelen. Daarom heeft het OM soms alleen voldoende bewijs om de rechtspersoon te vervolgen, en niet de bestuurders zelf.’

‘Wij waren als politiek, als samenleving, als wetenschap niet in staat om een adequate of door feiten gedreven aanpak van machtsmisbruik te ontwikkelen’

Tot nu toe: 2021 belooft een spannend en uniek jaar te worden in de bestrijding van witwassen en fraude in Nederland. Ook de absolute top van de financiële wereld blijkt niet untouchable. Dat wijst op een omslag in het denken over fraude en witwassen in Nederland. Zoals FTM vorige week al schreef, ligt de nadruk bij fraudebestrijding in het politieke en publieke debat vaak op uitkeringsfraude of op drugsgeld dat de bovenwereld wil binnendringen. Dat er met die Nederlandse bovenwereld zelf ook iets mis kan zijn, wilde er heel lang bij veel politici niet in. ‘Het is het onvermogen van de maatschappij om te gaan met wat daadwerkelijk de meeste schade aanricht aan de samenleving. Witwassen is daar een voorbeeld van. Wij waren als politiek, als samenleving, als wetenschap niet in staat om een adequate of door feiten gedreven aanpak van machtsmisbruik te ontwikkelen’, aldus criminoloog Bob Hoogenboom, hoogleraar aan Nyenrode en gespecialiseerd op het gebied van fraude en witwassen. De bekende criminoloog Petrus van Duyne sluit zich daarbij aan. ‘Het is politiek makkelijker om drugs en witwassen met elkaar in verband te brengen, je hebt er minder overtuigingskracht voor nodig.’

Russisch geld op de Zuidas

Mark Rutte zei in 2011 ‘geen enkele aanwijzing’ te hebben dat er Russisch geld werd witgewassen op de Zuidas. Nog in 2013 stemde een ruime Kamermeerderheid voor een motie die stelde dat Nederland geen belastingparadijs is. Er was grote druk van buiten Nederland – van onder meer de EU en de OESO – en een constante stroom van onthullingen en schandalen voor nodig om dat rozige zelfbeeld aan het wankelen te brengen.

Nederland is met zijn gunstige fiscale regels, grote financiële sector en soepele toezicht een spin in het web van reusachtige buitenlandse geldstromen

Zo maakten de Panama Papers in 2016 duidelijk dat Nederland een sleutelrol speelt bij belastingontduiking en -ontwijking door multinationals, schimmige zakenlieden en dictators. Onderzoek na onderzoek bevestigde dat beeld: Nederland is met zijn gunstige fiscale regels, grote financiële sector en soepele toezicht een spin in het web van reusachtige buitenlandse geldstromen. We staan stelselmatig hoog in de lijstjes van belastingparadijzen waar het makkelijk is geld te verstoppen. Oliver Bullough doopte deze wereld ‘Moneyland’. Daarin verdienen talloze bankiers, accountants, fiscalisten, advocaten, notarissen en vermogensbeheerders hun geld met het adviseren van keurige multinationals, schimmige buitenlandse zakenmensen en politici én van regelrechte criminelen. Juist die vermenging van enorme legale, grijze en zwarte geldstromen maakt het ongrijpbaar: het is voor criminelen heel makkelijk om hun miljoenen tussen de miljarden van de multinationals te verstoppen.

‘Ooit werden de offshoreroutes bedacht om belasting te ontwijken. Indertijd sloot vrijwel direct belastingontduiking daar op aan. Maar daar bleef het niet bij. Al vele jaren zijn de offshoreconstructies gemeengoed bij het witwassen van crimineel geld. Dat wordt nog maar eens bevestigd met al die offshoreschandalen die met dank aan gedegen journalistiek werk de afgelopen jaren boven water zijn gehaald,’ zegt Theo Akse, teamchef bij de Financial Intelligence Unit (FIU).

Wopke Hoekstra zei eindelijk dat we in Nederland en in Europa wat betreft witwassen een levensgroot probleem hebben

Het heeft lang geduurd voordat de Nederlandse regering het probleem onder ogen wilde zien. Nadat duidelijk werd dat Roman Abramovich via de ING voor meer dan een miljard euro aan verdachte transacties verrichtte, zei minister van Financiën Wopke Hoekstra eind vorig jaar: ‘We hebben in Nederland en in Europa wat betreft witwassen echt een levensgroot probleem.’ 

Jaarlijks 13 miljard euro witwassen

Hoe groot dat probleem precies is weten we per definitie niet, omdat witwassers en fraudeurs nu eenmaal nooit netjes aangifte doen. De gezaghebbendste schatting komt van Brigitte Unger, hoogleraar Economie van de publieke sector aan de Universiteit Utrecht. Zij schat het totale bedrag dat jaarlijks wordt witgewassen in Nederland op 13 miljard euro, waarvan zo’n 3 miljard afkomstig uit drugshandel en zo’n 10 miljard uit allerlei vormen van fraude, zoals belasting- en verzekeringsfraude. Maar dit bedrag staat niet voor niets met een stippellijntje aangegeven in de grafiek in haar rapport: het is een schatting op basis van econometrische modellen. ‘De basis van onze data is met de jaren nauwkeuriger geworden, maar blijft wankel,’ zegt Unger zelf. 

Bob Hoogenboom, criminoloog en hoogleraar Nyenrode

"We zijn niet meer bezig met het doorgronden van een casus, we vragen niet meer door. Het is een geritualiseerd proces geworden, een automatisme"

Dat weerhoudt de invloedrijke ‘ondermijningsexperts’ Pieter Tops en Jan Tromp er niet van deze schattingen als vaststaande feiten te presenteren. In De achterkant van Amsterdam (een rapport geschreven in opdracht van de Amsterdamse burgemeester Femke Halsema) citeren ze Unger verkeerd: er zou in totaal 18 miljard euro worden witgewassen, waarvan volgens Tops en Tromp de helft uit drugs. Het Financieele Dagblad ruimde in februari vier pagina’s in voor een interview. Daarin noemt Jan Tromp een bedrag van 19 miljard euro: ‘Daar zit fraude bij, maar het kan niet anders dan dat er ook voor een belangrijk deel drugsgeld bij zit.’ 

Criminoloog Petrus van Duyne heeft al jaren principiële kritiek op die grote getallen. ‘Je ziet bij Ungers onderzoeksresultaten de taalkundige modaliteit verschuiven van ‘zou kunnen’ naar ‘is zo’, en dan krijg je een citatiemolen: wat er in gaat komt er uiteindelijk als feit uit. Eerst herhaalt de minister het, dan gaat het naar de Kamer, en dan gaat de wetgeving erin mee.’ 

Als er al van die enorme bedragen omgaan in de drugswereld, dan hebben de autoriteiten die nog nooit kunnen vinden. In praktijkonderzoek naar ontnemingszaken waarbij daadwerkelijk crimineel geld is opgespoord en ontnomen, komt Van Duyne op veel lagere getallen, zoals hoogstens 25 mille bij harddrugszaken. Als je dat extrapoleert, kom je nooit op de vele miljarden aan crimineel geld die Unger heeft berekend. 

Buitenlandse filialen

Hoe goed Nederland er in slaagt om fraude te bestrijden, weten we dus ook niet, omdat we de totale omvang niet kennen. We weten daarnaast per definitie niet hoe effectief preventie is: hebben de grote witwasonderzoeken naar de Nederlandse banken een afschrikwekkend effect op buitenlandse witwassers en slagen banken er in om dubieuze partijen te weren als klanten.

Van Duyne wijt de rol van Nederland in de witwasschandalen zoals de Panama Papers aan de sterke internationale oriëntatie van de financiële sector. ‘Nederlandse banken zijn vaak betrokken bij witwasschandalen, omdat ze veel buitenlandse filialen hebben. In Nederland werken de filialen meestal wel schoon, maar ze zijn nog steeds verantwoordelijk voor wat er in het buitenland gebeurt. (..) Bij die buitenlandse filialen komen de grote kapitalen binnen met een duistere achtergrond. En bij het onthullen daarvan doen niet de FIU’s hun werk, maar vooral de journalisten.’

‘Witwassen is per definitie een vorm van witteboordencriminaliteit’

De economen en de criminologen delen de mening, dat de Nederlandse overheid er nauwelijks in slaagt om crimineel geld af te pakken. Unger schat dat de overheid jaarlijks circa 1 of 2 procent van al het frauduleuze of criminele geld weet te confisceren. Het OM moet jaarlijks 100 miljoen euro ‘plukken’ maar haalt die norm alleen door megaschikkingen te treffen met bedrijven als Vimpelcom, SBM, ING en Rabo. Het is daarom zeer de vraag of bij het afpakken de focus moet liggen op de ondermijnende drugscriminaliteit, of juist meer op de witteboordencriminaliteit van financial facilitators. Bij witwassen zou sowieso de focus meer op witteboordencriminaliteit liggen, want zo zegt Bob Hoogenboom: ‘Witwassen is per definitie een vorm van witteboordencriminaliteit.’

Die constatering is bepaald niet nieuw. Het is al sinds de jaren negentig officieel beleid om criminelen te plukken ‘en te raken waar het pijn doet’. Dat lukt anno 2021 nog steeds niet. In 2018 schreef Follow the money in ‘Waarom het tobben blijft met de fraudebestrijding in Nederland’ al hoe moeizaam het gaat. Er verschijnen al decennia met grote regelmaat kritische rapporten over wat er mis is met het bestrijden van fraude en witwassen in Nederland. Zoals fraude-expert Bob Hoogenboom zei: ‘Er is een mer à boire van organisaties die zich bezighouden met witwassen en die zijn vooral veel aan het praten.’ 

Rapport na rapport constateert dat witwasbestrijding weinig prioriteit heeft, dat er te weinig capaciteit is, dat instanties langs elkaar heen werken, dat er geen centrale sturing is, dat het melden van verdachte transacties bij de FIU heel veel werk oplevert voor meldingsplichtige instellingen (zoals banken en accountants), maar dat de resultaten ervan niet goed meetbaar zijn. Door gebrekkige registratie bij politie, OM en Belastingdienst is er weinig zicht op de afpakresultaten.

Nergens is terug te vinden welk gedeelte van het ‘geplukte’ geld afkomstig is uit de onderwereld (drugs) en welk uit een schikking met een bedrijf uit de bovenwereld

Pijnlijk: nergens is terug te vinden welk gedeelte van het ‘geplukte’ geld afkomstig is uit de onderwereld (drugs) en welk deel verkregen is uit een schikking met een bedrijf uit de bovenwereld. Bovendien gaat het proces van afpakken niet zonder slag of stoot: gemiddeld bedraagt de doorlooptijd van een ontnemingszaak zo’n acht jaar.

Dat is de korte samenvatting van het rapport Uit onverdachte bron uit 2004. Dat is ook wat de Algemene Rekenkamer in 2008 concludeerde: witwassen wordt onvoldoende voorkomen, de daders hebben een lage pakkans en geringe strafmaat, de overheid maakt onvoldoende gebruik van de mogelijkheden tot afpakken en er is weinig inzicht in de voornaamste witwasrisico’s. Die kritiek leidde tot forse investeringen in de financieel-economische expertise (Finec in het jargon) bij politie en justitie – dus bijvoorbeeld accountants en fiscalisten. In een follow up-onderzoek uit 2013 stelde de Rekenkamer dat het resultaat van die investeringen onduidelijk is en dat de ministeries van Justitie en Financiën nog steeds geen inzicht hebben in de oorzaken en gevolgen van witwassen en de effectiviteit van het gevoerde beleid. Bob Hoogenboom noemt deze situatie ‘navigeren in de mist’.

Woud van 14 witwasbestrijdingsorganisaties

Zicht op de effectiviteit van het beleid ontbreekt nog steeds. Navraag leert dat het OM anno 2021 nog steeds niet goed bijhoudt waar het ‘geplukte’ geld vandaan komt. De recentste Monitor anti-witwasbeleid, over de periode 2014-2016, noemt de vele samenwerkingsverbanden kenmerkend voor de Nederlandse bestrijding van witwassen. Dit handhavingsnetwerk tegen witwassen bestaat uit veertien verschillende organisaties.

In een onderzoek naar professionele witwasnetwerken noemen de criminologen Jo-Anne Kramer, Arjan Blokland en Melvin Soudijn dat handhavingsnetwerk een ‘dicht woud aan overlegstructuren en samenwerkingsverbanden van betrokken organisaties’. Een expert op het gebied van compliance vergelijkt de bestrijding van witwassen met de aanpak van de pandemie: ‘Witwassen is net als corona: alleen samen krijgen we het onder controle.’

Dat dichte woud van praatclubs is onder Ferd Grapperhaus nog verder uitgedijd, met een Strategische Kenniscentrum, een Coördinerend Beraad Afpakketen, een Ondermijningsfonds en de oprichting van een Multidisciplinair Interventieteam (MIT) om ondermijnende misdaad aan te pakken. Probleem daarbij is dat het MIT vooral specialisten wegkaapt bij de politie, waar ze toch al met onderbezetting kampen.

Dat is wel de rode draad in de geschiedenis van de bestrijding van fraude en witwassen in Nederland: een gebrek aan mankracht

Dat is wel de rode draad in de geschiedenis van de bestrijding van fraude en witwassen in Nederland: een gebrek aan mankracht. Hoeveel mensen zich in Nederland in totaal bezighouden met fraudebestrijding, is niet te achterhalen. In de wereld van de (financiële) dienstverlening houdt slechts een handjevol mensen toezicht op de verschillende sectoren. De grootste speler is de FIOD met zo’n 1500 medewerkers. Bij het OM kan in theorie iedere officier van justitie zich bezighouden met fraude, maar het is onbekend hoeveel fte’s zich er fulltime mee bezighouden. 

Politie is de zwakke schakel

Een zwakke schakel in het geheel is de politie. Nederland heeft relatief weinig rechercheurs in dienst: slechts 12,8 procent van het totale personeel, tegen bijvoorbeeld 17 procent in Duitsland. Adviesbureau AEF berekende al in 2012 dat er een acuut gebrek was aan 1700 tot 2000 rechercheurs. Dat is er sindsdien niet beter op geworden, de politievakbonden vroegen in 2018 nogmaals dringend om versterking in hun Noodkreet recherche. De politie kampt door vergrijzing met leegloop en de Amsterdamse politie moest eind 2019 zelfs rechercheteams opheffen die zich bezighielden met de bestrijding van ondermijning om genoeg ‘blauw’ op straat te kunnen inzetten. 

De Amsterdamse politie moest eind 2019 rechercheteams opheffen die zich bezighielden met de bestrijding van ondermijning

Binnen die toch al onderbezette recherche is het financieel rechercheren dan weer de zwakste schakel. Al decennia richt de politie zich bij de bestrijding van drugscriminaliteit op ‘kilo’s en kerels’, waarbij het jagen op geld altijd de laagste prioriteit krijgt. Oud-financieel rechercheur Michiel Princen schreef dat scherp op na tien frustrerende jaren bij de politie in zijn boek De gekooide recherche (2015). Hoewel naar schatting zo’n 80 tot 90 procent van alle criminaliteit financieel gedreven is (van inbraak tot drugs en fraude), houdt slechts zo’n 2 procent van alle opsporingscapaciteit zich bezig met financieel speurwerk. En dat is dan nog op papier: bij het vormen van de Nationale Politie in 2012 werd de norm dat er op elke duizend medewerkers 18 ‘Finec’-specialisten moesten komen. Dat is, zoals Princen al schreef, bescheiden, want het doen van financieel onderzoek is een belangrijke doelstelling bij elk strafrechtelijk onderzoek naar criminele samenwerkingsverbanden. 

Dossier

Fraude en witwassen

Nederland is uitgegroeid tot een van de voornaamste belastingparadijzen op aarde. Het zijn niet alleen de geldstromen van de grootste bedrijven op aarde die langs de Amsterdamse Zuidas lopen, de Nederlandse wet- en regelgeving is ook zeer geschikt voor fraudeurs en witwassers. Tegelijkertijd is door onderbezetting in het opsporingsapparaat de pakkans voor deze financiële misdaden minimaal.

Volg dit dossier

Onvoldoende uit de verf

In totaal zouden er volgens die norm 1156 financieel rechercheurs moeten komen. En zelfs die bescheiden norm is nooit gehaald. Navraag bij de politie leert dat de bezetting in 2018 947, in 2019 942 en in 2020 949 fte was. De Inspectie Justitie en Veiligheid schreef in 2012 in het rapport Follow the Money al uiterst kritisch over het financieel rechercheren bij de politie. Het had geen prioriteit (‘bloed gaat voor geld’). Een voorbeeld daarvan is het Marengo-proces, waar nu alle aandacht naar uitgaat. Justitie had bezuinigd op het Finec-budget, het geplande aantal fte’s was niet gehaald en niet alle regio’s hadden afpakken in het beleid zitten. Veel financieel rechercheurs zijn zogenoemde ‘taakaccenthouders’. Dat wil zeggen dat ze niet alleen financieel rechercheren, maar dat als ‘taakaccent’ (lees: prioriteit) hebben. Zij kwamen ‘onvoldoende uit de verf’, omdat financieel speurwerk bij grote drukte als eerste sneuvelt. 

Zo’n tien jaar later is de situatie niet verbeterd. Fraude-expert Bob Hoogenboom concludeert in zijn recente Nyenrode-rapport Samen hetzelfde. Politie en Justitie hebben bij de bestrijding van fraude ‘gefaald’. Hoogenboom beschrijft als anoniem voorbeeld de politie ‘in een grote Nederlandse stad’. Uit door hem gevoerde gesprekken blijkt dat het aantal financieel rechercheurs is teruggebracht van 80 naar 40. De financieel rechercheurs die ‘nog’ werkzaam zijn bij deze eenheid worden vaak uitgeleend aan andere teams voor ander recherchewerk. Er zijn ‘wel mooie buzzwords’, maar de echte aandacht voor financiële intelligence is ‘nog altijd niks’.

Reusachtige berg meldingen

Het gebrek aan capaciteit is ook goed te zien bij de Financial Intelligence Unit, de FIU. Hier komen jaarlijks bijna 2,5 miljoen meldingen binnen van ongebruikelijke transacties – vooral aangeleverd door wisselkantoren en banken, maar ook door notarissen, accountants en advocaten. Dat aantal steeg bijzonder hard in de afgelopen jaren: van 360.000 meldingen in 2017, naar 750.000 in 2018 en naar 2,5 miljoen in 2019.

FIU-teamchef Theo Akse legt uit dat die stijging niet komt doordat er meer wordt witgewassen, maar door de invoering van een objectieve-indicator-meldplicht. ‘Het aantal van 2,5 miljoen ongebruikelijke transacties geeft een vertekend beeld. Dit werd in 2019 veroorzaakt door een weeffout in de wet, waardoor veel niet-verdachte transacties wel gemeld moesten worden. De wetgever heeft dit snel aangepast. Toch zal de FIU de komende jaren een fors aantal meer meldingen ontvangen. Dat komt doordat veel instellingen hun compliance sterk hebben uitgebreid en wij een alliantie met grote financiële instellingen zijn aangegaan, waardoor bij beide partijen grote stappen zijn gemaakt met de ontwikkeling van expertise en inzicht.’ Bij de FIU werken nu 63 mensen. De FIU is bezig te groeien naar 81 man – nog steeds een bescheiden omvang voor de reusachtige berg meldingen die de eenheid jaarlijks moet verwerken.

De SP probeert al jaren minister Grapperhaus te dwingen een concreet aantal nieuw te werven financieel rechercheurs bij de politie te noemen. Dat is nog niet gelukt

Het beeld is helder. Politici beloven al sinds de jaren ’90 dat criminelen geplukt moeten worden en dat misdaad niet mag lonen. Die beloftes stonden ook dit jaar weer uitgebreid in de verkiezingsprogramma’s. Die beloftes worden al zeker dertig jaar niet ingelost: in werkelijkheid is de financiële recherche een ondergeschoven kindje. Gek genoeg lijkt dat geen enkele minister van Justitie te deren. Rapport na rapport beschrijft dezelfde problemen, kabinet na kabinet doet dezelfde beloftes. Zo probeert Michiel van Nispen van de SP al jaren om minister Ferd Grapperhaus van Justitie te dwingen om een concreet aantal nieuw te werven financieel rechercheurs bij de politie te noemen. Dat is hem nog niet gelukt. 

Pijnlijk, gezien alle aandacht die er in politiek Den Haag bestaat voor bestrijding tegen drugs en ondermijning. Het ministerschap van Ferd Grapperhaus heeft voor een belangrijk deel in het teken gestaan van de bestrijding ervan – hij heeft niet voor niets het Ondermijningsfonds en het MIT opgericht. Maar net als zo veel Nederlandse politici keek Grapperhaus weg van de schaduwzijden van de Zuidas (zijn oude werkplek): Nederland als belastingparadijs en witwaswalhalla dat een groot arsenaal aan financial facilitators herbergt. Invallen van de FIOD en daaropvolgende megaschikkingen met het OM hebben banken de afgelopen jaren ruw wakker geschud. 

Geritualiseerd proces van 8000 mensen

Inmiddels werken er bij de Nederlandse banken zo’n 8000 mensen aan bestrijding van witwassen en fraude. Dat is drie keer zoveel als er aan financiële speurders bij de overheid rondlopen. Dat leger speurders bij de banken heeft weinig bevoegdheden: meerdere CDD-analisten stellen desgevraagd dat ‘als je boeven wil vangen, je niet bij ons moet zijn’. Ze kunnen verdachte of foute klanten op het spoor komen en weigeren of wegsturen. En ze melden potentieel ongebruikelijke transacties. Een groot deel daarvan is vals positief, omdat de banken niet achteraf het verwijt willen krijgen dat ze iets niet hebben gemeld. Gevolg is dat ze bij de FIU met ruim zestig mensen jaarlijks zo’n 2,5 miljoen meldingen moeten beoordelen en doorsturen naar andere afdelingen.

Bob Hoogenboom verklaart hoe er daardoor een vinkjescultuur is ontstaan: We zijn niet meer bezig met het doorgronden van een casus, we vragen niet meer door. Het is een geritualiseerd proces geworden, waarbij men zegt dat “we het moeten van de wetgever, de DNB, de AFM, en de FATF”. Het is een automatisme geworden.’

De verhoudingen zijn hier ‘volledig scheefgegroeid’, zegt Rabobank-topman Wiebe Draijer al in 2019. De talenten van duizenden goedbetaalde academici bij de banken worden onderbenut, terwijl een klein groepje financieel rechercheurs bij de politie omkomt in het werk. Feitelijk is het probleem nog erger, omdat de banken met hun betere cao’s talenten wegkapen die ook bij politie of FIOD aan de slag hadden gekund. 

Niet alleen de Rabo-bankiers zijn zich bewust van dit probleem. Zoals FTM zaterdag onthulde, wilden ABN AMRO en de OM jaren geleden al samen speuren naar dubieuze geldstromen, totdat de top van de bank het plan in 2014 torpedeerde. De gangmaker achter dit project was Adriaan van Dorp, oud-politieman en directeur security & intelligence management van ABN Amro. Hij bleef in de jaren erna oproepen tot meer samenwerking.

Het idee was en is simpel: laat de fraudespecialisten van de banken niet alleen maar miljoenen meldingen doorgeven aan de FIU, maar laat ze meespeuren. Laat ze samen met de politie of de FIOD gericht zoeken naar bepaalde personen of organisaties, in plaats van met een sleepnet door miljoenen transacties te gaan, wat veel loos alarm oplevert.

Samenwerking fraudespecialisten banken en de FIU

Fraudespecialisten van de banken laten meespeuren in plaats van dat ze alleen maar miljoenen meldingen doorgeven aan de FIU? Een mooi idee, maar er zijn een paar grote problemen. In de eerste plaats zijn de banken zelf bang privacy-gevoelige data van klanten met opsporingsdiensten te delen. Daarnaast vrezen ze reputatieschade als er misstanden boven water komen. Ook als ze wel meewerken, bestaan er fundamentele bezwaren aan de kant van de overheid. In oktober 2019 oordeelde de rechtbank Rotterdam dat een door een verzekeraar uitgevoerd opsporingsonderzoek in een fraudezaak niet gold als een opsporingsonderzoek in de zin van de wet. Om privaat speurwerk mee te laten tellen als geldig bewijsmateriaal moet de wet aangepast worden. Dat is nog niet zo makkelijk op te lossen, ook al omdat politie en FIOD niet zomaar informatie mogen delen met derden. 

Daar komt bij dat de banken zelf ook regelmatig onderwerp zijn van strafrechtelijk onderzoek. Stel dat de fraudebestrijders van de bank samen met de FIOD een onderzoek doen, terwijl die in een andere zaak gelijktijdig een verdieping lager een inval doet en de boeken en computers meeneemt. Dat zou een onmogelijke situatie opleveren. Ton Scholing, hoofd van het Anti Money Laundering Centre (AMLC), zegt: ‘Aan de ene kant werken we samen met poortwachters, zoals banken, notarissen en trustkantoren, vooral op het gebied van kennisdeling. Aan de andere kant zeggen we ook dat je deze kennis moet gebruiken en je je gewoon aan de wet moet houden.’ Scholing erkent dat dat de private sector niet dezelfde kennis en kwaliteit heeft als politie, FIOD en AMLC om witwassen tegen te gaan. ‘Als je kijkt naar deskundigheid bij het bestrijden van witwassen, dan zit die niet alleen in de wetenschap, of in de private sector, maar vooral in de opsporing. Als wij ergens induiken, dan krijgen we inzicht op detailniveau.’ Criminoloog van Duyne heeft zo zijn twijfels bij deze aanpak. ‘Er is geen enkele samenwerking zonder eigenbelang, want anders bestaat de meerwaarde ervan niet. Heel mooi die publiek-private samenwerking, maar de partijen hebben allebei hun eigen agenda.’

Lees verder Inklappen

Het eerste wat moet gebeuren om fraude en witwassen serieus aan te pakken, is het oplossen van het decennia oude probleem van capaciteitstekorten, dus structureel meer mankracht regelen voor financieel rechercheren bij de overheid. Ophouden met praten, budget reserveren en duizenden mensen aannemen. Een hoger budget voor politie en/of de FIOD lijkt misschien een moeilijk te verkopen boodschap voor de ministers van Justitie en Financiën, maar goedkoop is hier duurkoop.

Nederlanders betalen nu als klanten van de banken ook al mee aan de salarissen van 8000 fraudebestrijders. Die werken nu gedeeltelijk achterstallig onderhoud weg bij de banken (bijvoorbeeld klanten die nooit goed gescreend zijn), maar als de bulk daarvan achter de rug is, wordt het hoog tijd om duizenden van hen te verleiden voor de de overheid te werken. Die salariskosten verdienen Justitie en Financiën snel terug. Als er niet serieus meer capaciteit naar financieel opsporing gaat, zal de overheid nooit meer dan 1 procent afpakken.

‘Nederland is een aantrekkelijk land vanwege de hoge kwaliteit van financiële dienstverlening, dat is bread and butter voor Nederland. Maar daarmee trek je veel legaal en illegaal geld aan’

Maar de enige echte oplossing is het indammen van de enorme geldstromen die door Nederland lopen, en dan met name via de Zuidas. En daar komt volgens Brigitte Unger het probleem van tegenstrijdige belangen om de hoek kijken. ‘Nederland is een aantrekkelijk land vanwege de hoge kwaliteit van financiële dienstverlening, dat is bread and butter voor Nederland. Maar daarmee trek je veel legaal en illegaal geld aan.’ Dat maakt Nederland een financial facilitator; geld dat op illegale wijze is verkregen door corruptie en fraude wordt hier witgewassen. De hoogleraar ziet de brievenbusfirma’s als voorbeeld van dat dilemma. ‘Daar zit ontzettend veel geld in, en wij hadden het vermoeden dat die belangrijk waren als witwasinstrument. De cijfers over de landen waaraan brievenbusfirma’s gekoppeld waren, werden na 2004 plotseling niet meer gepubliceerd door de DNB. Ik denk dat het een too hot topic is.’ 

Alles trekt naar het putje

Verschillende kabinetten hebben de afgelopen jaren stappen gezet om belastingparadijs Nederland aan te pakken. Zo zijn de rulings ingeperkt en werkt Nederland niet meer mee aan belastingvrij doorsluizen van omzet. Critici, zoals het Tax Justice Network, vinden het nog niet genoeg: Nederland stond vorige week op de vierde plek van landen die belastingontwijking in stand houden. Zolang Nederland aantrekkelijker blijft dan de buurlanden, zal het probleem voortbestaan. Zoals Oliver Bullough in 2019 al zei tegen Follow the money: ‘Er is altijd een land dat minder regels en minder belasting heeft, altijd. Alles trekt naar het putje.’ Van Duyne zegt twee jaar later min of meer hetzelfde: ‘Nederland als doorvoerland voor illegaal geld is een probleem dat nog steeds niet is opgelost, Het blijft maar dooretteren, en de EU gaat dan klagen, Nederland zegt er wat aan te doen, maar in de markt zie je weinig verandering in de geldstromen.’ Zolang de rest van de wereld ons nog als een afvoerputje, witwaswalhalla en belastingparadijs ziet, blijven we dat. Daar kunnen ook achtduizend rechercheurs niet tegen op speuren.