© JanJaap Rypkema

Shell Papers

FTM en Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) onderzoeken de verwevenheid van Shell en de Nederlandse overheid door middel van 17 Wob-verzoeken naar meerdere ministeries, provincies en gemeentes. Als volger van dit dossier (klik hieronder op ‘volgen’) blijf je op de hoogte van de allerlaatste ontwikkelingen rond de Wob-procedure, ontvang je vrijgegeven documenten direct en kun je daar zelf mee aan de slag. Als volger draag je bovendien bij aan het succes van dit project, want hoe meer volgers, hoe zichtbaarder de interesse in de documenten. Dat zien ze op de ministeries, provincies en gemeentehuizen ook en motiveert hen de verzoeken in te willigen.
De laatste updates over de Wob-verzoeken vind je hier: Laatste updates Lees meer

Hoe doen jullie dat?

Platform Authentieke Journalistiek vraagt alle documenten op – onder andere e-mails, memo’s, beleidsstukken en zelfs WhatsAppjes – waarin communicatie staat afkomstig van, gericht aan of over Shell, vanaf 2005. Dat is, beseffen we, een grote vraag. Maar de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) is een groot recht en transparantie over de relatie tussen Shell en de overheid achten we van groot maatschappelijk belang.

En waarom?

De betekenis van Shell voor de Nederlandse economie en samenleving is moeilijk te overschatten. Sinds de oprichting in de 19e eeuw onderhoudt de Nederlandse overheid een intensieve relatie met Shell. Die verwevenheid met het landsbestuur heeft schaduwkanten. Hoe en door wie heeft de afweging van de verschillende belangen plaats? Hoe steekt die relatie tussen Shell en de overheid in elkaar? En wat zijn de gevolgen? Deze Wob vormt de basis voor het diepgravend journalistiek onderzoek dat we de komende jaren naar die vragen gaan doen. 

Meer over de redenen en mensen achter deze Wob lees je op deze pagina:

Veelgestelde vragen

19 Artikelen

Het Nederlandse bedrijfsleven financierde negen jaar lang een klimaatscepticus

De prominente Nederlandse klimaatscepticus Frits Böttcher ontving in de jaren negentig meer dan een miljoen gulden van Shell en andere (Nederlandse) multinationals. Het expliciete doel: vraagtekens zetten bij de menselijke verantwoordelijkheid voor de opwarming van de aarde. Dat blijkt uit het nagelaten archief van de chemieprofessor, die in 2008 overleed.

Frederique vraagt door

Luister naar de podcast bij dit artikel

Frederique de Jong in gesprek met Platform Authentieke Journalistiek

Dit stuk in 1 minuut
  • Nederlandse multinationals betalen tussen 1989 en 1998 meer dan een miljoen gulden aan de prominente klimaatscepticus Frits Böttcher (1915-2008). Het expliciete doel: twijfel zaaien over klimaatverandering en de rol van de mens daarin.
  • Met het geld zet Böttcher een internationaal netwerk van klimaatsceptici op. Ook produceert hij meerdere rapporten, boeken en opinie-artikelen. Daarin schrijft hij bijvoorbeeld dat het broeikaseffect niet bestaat, en dat CO2 niet gevaarlijk, maar juist ‘goed voor planten’ is.
  • De twijfelzaaierij draagt er mede toe bij dat er in de jaren negentig weinig politiek draagvlak is voor dwingende maatregelen ten behoeve van CO2-reductie.
  • In 1998 droogt de financiering voor Böttchers ‘CO2-project’ op. De sponsoren zijn bang voor de publieke opinie; ook blijkt de klimaatsceptische lobby niet in staat te zijn om te voorkomen dat in 1997 het verdrag van Kyoto wordt getekend.
  • Dit onderzoek is deel van de Shell Papers, het gezamenlijke onderzoek van het Platform Authentieke Journalistiek en FTM naar de banden tussen de Nederlandse overheid en de oliegigant.
Lees verder

Een ‘historisch moment’ zal Frits Böttcher het later noemen. Het is 21 december 1989 en de gepensioneerde hoogleraar chemie is op bezoek in het kantoor van Shell in Amsterdam-Noord. Vandaag zal Shell-commissaris Jan Choufoer hem introduceren bij de grote baas: managing director Huub van Engelshoven.

Op het moment van de ontmoeting geniet Böttcher in Nederland groot aanzien. Niet alleen doceerde hij tientallen jaren aan de Universiteit Leiden, hij vervulde ook commissariaten bij Pakhoed, Hoogovens, Elsevier Scientific publishers en elf andere bedrijven. Hij was een zeer betrokken VVD-lid, was van 1966 tot 1974 president van de Raad van Advies voor het Wetenschapsbeleid en van 1973 tot 1976 lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid. Choufoer en Böttcher kennen elkaar nog uit de tijd dat de chemieprofessor als vaste adviseur optrad voor de researchafdeling van Shell.

Bij het grote publiek is Böttcher vooral bekend geworden als mede-oprichter en oud-voorzitter van de Nederlandse tak van de Club van Rome. Dit informele gezelschap, opgericht in 1968 door prominenten uit de politiek, de wetenschap en het bedrijfsleven, sloeg met het in 1971 uitgelekte rapport Grenzen aan de Groei internationaal alarm over ongebreidelde bevolkings- en economische groei en de eindigheid van fossiele brandstoffen.

Maar de zorgwekkende conclusies van de Club van Rome betekenen volgens Böttcher niet dat het hele systeem omgegooid moet worden. Integendeel: in het pleidooi van linkse milieubewegingen voor radicaal overheidsingrijpen kan de chemicus zich absoluut niet vinden. Zo verschijnen er in de herfst van 1989 twee opinie-artikelen van Böttcher in NRC Handelsblad. Daarin verzet de chemicus zich tegen de ‘verkettering’ van CO2 – een stof ‘waarop de gehele voedselketen op aarde berust’. ‘Onze planeet is geen broeikas’, luidt de kop boven het eerste artikel.

Het is een boodschap die tot Böttchers genoegen ook in de bestuurskamer van Shell wordt opgepikt. ‘Naar aanleiding van mijn artikelen,’ schrijft Böttcher in een van zijn talloze nagelaten brieven die in het Noord Hollands Archief liggen en waar Platform Authentieke Journalistiek inzage in kreeg, ‘liet ik mij door een aantal bevriende relaties – in de meerderheid uit Shell-kringen – overhalen om een projekt CO2/broeikaseffect ter hand te nemen’. En in een andere notitie, met daarin een terugblik op de eerste ontmoeting met Van Engelshoven: ‘Aan het eind van het gesprek verklaart Huub dat Shell een bedrag van 80.000 gulden voor mijn projekt beschikbaar wilde stellen.’ 

Aparte bankrekening

Van Engelshoven stelt één belangrijke voorwaarde aan de financiële steun voor het CO2 project: Böttcher moet minstens drie andere bedrijven overhalen mede-financierder te worden. Een kolfje naar de hand van Böttcher, die in zijn lange carrière meer dan een dozijn commissariaten betrok en dus goed geïntregeerd was in de bedrijfsnetwerken. Al snel overtuigt hij AkzoNobel, Hoogovens en de ANWB. ‘Dat had ik binnen een week geregeld’, schrijft hij later met enige trots. In 1990 volgen de N.V. Samenwerkende Elektriciteits-Productiebedrijven (SEP), Bovag, DSM, KLM en Pakhoed.

Ook maakt het archief melding van vijftien andere bedrijven en organisaties die het CO2-project ondersteunden, waaronder de NAM, Gasunie, Texaco, de Vereniging van Nederlandse Aardolieproducenten (VNA), Schiphol en de Duitse chemiereus Bayer. Zo schrijft Willem Lindenhovius, hoofd Public Affairs van de NAM, op 2 mei 1996 aan Böttcher: ‘Namens [NAM-directeur] Jan Oele bevestigen we hierbij met genoegen dat de NAM bereid is om een donatie te doen van f 12.500 dit jaar en een zelfde bedrag volgend jaar specifiek ten behoeve van de CO2 broeikasactiviteiten.’

Bij Hoogovens tonen zowel bestuursvoorzitter van 1988 tot 1993 Olivier van Royen als zijn opvolger Maarten van Veen zich enthousiast over de sponsoring aan Böttcher. In het archief van de chemicus liggen daarnaast brieven van DSM-directielid Ruud Selman en Gasunie-bestuursvoorzitter George Verberg — allemaal met de sponsoring als onderwerp. Met de N.V. Samenwerkende Elektriciteits-Productiebedrijven (SEP) verloopt Böttcher's contact via directielid Maus van Loon en bestuursvoorzitter Niek Ketting, die naast zijn functie ook Eerste Kamerlid is namens de VVD. Ian Christmas, voorzitter van de International Iron and Steel Industry (IISI), zorgt er persoonlijk voor dat uit deze internationale branchevereniging ook sponsoring komt.

Geen bedrijf is volgens Böttcher echter zo belangrijk voor het CO2-project als Shell. Zo schrijft de chemieprofessor dat het oliebedrijf ‘als het ware de peetvader’ van het project kan worden beschouwd en ‘lijstaanvoerder’ is als het gaat over welk bedrijf de hoogste financiële bijdrage heeft geleverd. In een document uit 1995 vermeldt Böttcher wie zijn 'trouwe ‘aanhangers’ uit de ‘Shell-hoek' zijn: ‘In alfabetische volgorde: Harry Beckers, Jan Choufoer, Peter van Duursen, Huub van Engelshoven, Hein Hooykaas, Henny de Ruiter, Karel Swart, Gerrit Wagner, Ernst Werner.’ In 1997 en 1998, de laatste twee jaren van het project, zullen namens Shell ook nog John Jennings, Peter Langcake en de latere ceo Jeroen van der Veer bij de sponsoring betrokken zijn.

Over dit onderzoek

Frits Böttcher (1915-2008) had, in zijn eigen woorden, ‘de bewaarziekte’. Dat blijkt wel uit het feit dat in het Noord-Hollands archief in Haarlem maar liefst 15,9 meter aan documentatie van zijn hand te vinden is. Nauwgezet maakte hij notities van al zijn vergaderingen en gesprekken, telefonisch of in persoon, al dan niet voorzien van een korte biografie van de personen in kwestie.

Sommige briefjes zijn handgeschreven en vermelden slechts de naam van een bedrijfssponsor en het gedoneerde bedrag; andere zijn pagina’s lange notulen, uitgeschreven door een van Böttchers assistenten. De aandacht voor detail is opvallend: er zijn documenten waarin Böttcher zelfs vermeldt wie waar aan tafel zat, of welke wijn tijdens een zakenlunch of diner werd geschonken. 

Dit artikel is gebaseerd op de mappen die zijn georganiseerd onder de naam ‘CO2/broeikas-project’. PAJ heeft de mappen de afgelopen maanden uitvoerig bestudeerd in het kader van de Shell Papers, een grootschalig onderzoek naar Shell in samenwerking met Follow the Money. Het materiaal biedt een unieke inkijk in de wijze waarop een aanzienlijk deel van het Nederlandse bedrijfsleven in de jaren negentig bij monde van Frits Böttcher probeerde vraagtekens te zetten bij de oorzaken van klimaatverandering en de noodzaak voor CO2-reductie.

Lees verder Inklappen

Volg de Shell Papers

FTM en Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) onderzoeken de verwevenheid van Shell en de Nederlandse overheid door middel van 17 Wob-verzoeken naar meerdere ministeries, provincies en gemeentes. Op het Wob-dashboard vind je een overzicht van alle procedures:

Wob-dashboard

Wil je op de hoogte blijven van de ontwikkelingen in dit dossier? Meld je aan, dan krijg je een seintje zodra er een nieuw artikel online staat.

Lees verder Inklappen
Inschrijven

Dossier: Shell Papers

FTM en Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) onderzoeken de verwevenheid van Shell en de Nederlandse overheid door middel van 17 Wob-verzoeken naar meerdere ministeries, provincies en gemeentes. Op het Wob-dashboard vind je een overzicht van alle procedures:

Lees verder Inklappen

De steun verloopt via het door Böttcher opgerichte Global Institute for the study of natural resources. Ook opent Böttcher een aparte bankrekening voor de bedrijfsdonaties, onder de naam ‘Conto separato CO2.’ Al met al is van ruim één miljoen gulden aan donaties met zekerheid te zeggen dat deze bestemd was voor het CO2-project.

Het geld besteedt Böttcher niet aan zichzelf: overtuigd als hij is van zijn strijd tegen ‘de CO2-hetze’, werkt de chemicus pro bono. De financiering gaat grotendeels op aan de personeelskosten van twee assistenten die afspraken regelen, notulen bijhouden en brieven voor de professor uittypen. Het overige geld besteedt Böttcher aan reiskosten, waaronder meerdere trips naar de Verenigde Staten, Duitsland en Brussel, en aan de diverse lunches en diners met zijn vele contacten.

Dat Böttcher persoonlijk gemotiveerd is om zich op het klimaatdebat te storten, betekent evenwel niet dat hij ongevoelig is voor de wensen van zijn financierders. Als er aan het begin door de deelnemende bedrijven wordt gevraagd om internationalisering van het CO2-project, zoekt hij contact op met bekende klimaatsceptici in de Verenigde Staten. Wanneer Shell-manager Van Engelshoven vraagt om een strijdlustig artikel in het vakblad ‘De Ingenieur’, dan levert Böttcher: hij geeft het stuk de titel ‘Klimaatwijziging en de CO2-mythe’ mee en valt politici aan die ‘stunten met onrealistische doelstellingen.’

Publiekelijk komt het CO2-project erop neer dat Böttcher in de media zegt en schrijft dat het IPCC politiek gedreven is, dat CO2 niet heeft bijgedragen aan temperatuurstijgingen, dat de zeespiegel juist zal dalen in plaats van stijgen, en dat het gezien de groei van de bevolking en het energiegebruik een illusie is om te denken dat een klimaatakkoord tot CO2-reductie zou kunnen leiden. En Böttchers favoriete stokpaard: CO2 is juist goed voor de plantengroei.

Zo zegt hij tijdens een interview met 2Vandaag in 1995 : ‘Planten, die snakken naar meer CO2 in de atmosfeer. [...] Dan is zo’n toeneming zoals nu, in deze eeuw, van 0,028 tot 0,035 procent, voor de plantenwereld maar een eerste stapje in de goede richting. Laten we dat positieve nou eerst eens vooropstellen en niet altijd maar schelden op CO2.’

Böttcher in 2Vandaag (bron: Beeld en Geluid).

De man van de Club van Rome

In wezen is het CO2-project van Böttcher een Nederlandse variant op een strategie die wereldwijd door de fossiele industrie is toegepast en uitvoerig wordt beschreven in boeken als Merchants of Doubt van Naomi Oreskes en Erik Conway en De Twijfelbrigade van Jan-Paul van Soest. Kort samengevat komt de strategie hierop neer: vind een gerenommeerde wetenschapper met een zekere publieke bekendheid, financier deze om twijfel te zaaien over de schadelijke gevolgen van je product, en gebruik die twijfel vervolgens als fundament om te lobbyen tegen overheidsregulering.

Het is dan ook geen toeval dat de industriëlen uitgerekend eind jaren tachtig met Böttcher in zee gaan. Dit is een periode waarin klimaatverandering voor het eerst begint door te dringen tot het maatschappelijke debat. Zo wordt in 1988 het VN-klimaatpanel IPCC opgericht en spreekt zittend premier Ruud Lubbers (CDA) tijdens de campagne voor de Tweede Kamerverkiezingen van 1989 het voornemen uit om de CO2-uitstoot in Nederland met 2 procent per jaar te doen verminderen. Krap anderhalve maand voor Böttchers meeting met Van Engelshoven, in november 1989, slagen wereldleiders er in Noordwijk zelfs ‘op een haar na’ in om een internationaal akkoord te sluiten om de uitstoot van broeikasgassen te reguleren.

In de persoon van Frits Böttcher heeft de fossiele industrie echter een mediagenieke partner gevonden. Dat Böttcher van huis helemaal geen klimaatwetenschapper is, maar scheikundige, deert daarbij niet. ‘Ik denk dat de echte wetenschap hem eigenlijk geen moer interesseerde’, zegt oud-klimatoloog Wieger Fransen. ‘Daar had hij ook geen belang bij.’

Na een studie scheikunde begon Fransen zijn carrière bij Böttchers Global Institute, om daarna bij de wetenschappelijke afdeling van het KNMI aan de slag te gaan. Inhoudelijk werden de twee het nooit eens. ‘Ik heb hem zelfs nooit gezien met wetenschappelijke publicaties’, herinnert Fransen zich. ‘Böttcher haalde zijn informatie uit kranten of bladen als de New Scientist. Allemaal tweedelijns publicaties, en geen artikelen die door de peer review waren gegaan.’

Zelf is Böttcher zich uitermate bewust van zijn imago als maatschappelijk betrokken wetenschapper. Zo schrijft de professor in 1994 in een verslag van een gesprek met Shell-topman Van Engelshoven: ‘Huub benadrukte nog eens dat ik als wetenschapper neutraler overkom dan mensen uit het bedrijfsleven.’ Ook zijn rol in de Club van Rome komt Böttcher goed uit: ‘De Club van Rome en vooral mijn optreden daarin is een mythe’, notuleert hij in december 1996. ‘Die moet je in stand houden.’

Selectief winkelen

Ook in de Verenigde Staten trekt de fossiele industrie eind jaren tachtig met succes grote wetenschappelijke namen aan om vraagtekens te zetten bij klimaatverandering. Bijvoorbeeld Frederick Seitz en Fred Singer: twee fysici met een imposante wetenschappelijke carrière, die onder meer betrokken waren bij de ontwikkeling van de atoombom.

Böttcher, Singer en Seitz voeren strategisch overleg over de te nemen stappen in hun strijd tegen de ‘klimaathetze’

Seitz, Singer en nog een handjevol andere Amerikaanse wetenschappers gaan zich intensief met het klimaatdebat bemoeien. Soms doen ze dat op persoonlijke titel, andere keren namens hun — mede door de industrie gefinancierde — organisaties als het Science & Environmental Policy Project (SEPP) en het George C. Marshall Institute. ‘Ze gebruikten hun academische status om zichzelf als autoriteit te presenteren, en ze gebruikten hun autoriteit om elke wetenschap die hen niet uitkwam in diskrediet te brengen’, schrijven Oreskes en Conway over de werkwijze van de wetenschappers.

De belangen bij de industrie waren groot, maar dat was niet de enige motivatie, vertelt Van Soest: ‘Dergelijke financiering ging hand in hand met een bepaalde ideologische overtuiging — conservatief, en overtuigd van de zegeningen van de vrije markt. Men moest het ook naar zichzelf toe legitimeren.’

In 1989 brengt Frederick Seitz namens het Marshall Institute het rapport ‘Global Warming: What Does the Science Tell Us?’ uit. Oreskes en Conway beschrijven hoe Seitz en de zijnen ‘selectief winkelden in de data’, om tot een vertekend beeld van de oorzaken van waargenomen temperatuurstijging te komen. ‘De aanvankelijke strategie was niet om de opwarming van de aarde te ontkennen, maar om de zon de schuld ervan te geven’, schrijven Oreskes en Conway. ‘Er werd de indruk gewekt dat CO2 er niet toe deed.’

Hoewel er al snel na de publicatie een storm van kritiek op het rapport losbarst, blijkt What Does the Science Tell Us uitermate invloedrijk. Zo hield John Sununu, de stafchef van toenmalig Amerikaans president George Bush Senior, volgens één aanwezige op de klimaattop in Noordwijk 1989 het rapport omhoog ‘like a cross to a vampire, fending off greenhouse warming’. Sununu zal volgens betrokkenen uiteindelijk een ‘hoofdrol’ spelen in het dwarsbomen van de klimaattop in Noordwijk.

Ook Frits Böttcher is erg onder de indruk van het rapport van het Marshall Institute. Hij stuurt het door naar Elsevier-wetenschapsredacteur Simon Rozendaal. Die neemt het rapport in februari 1990 op in zijn eerste klimaatsceptische stuk: ‘Hoezo broeikas?’. Er zouden er nog vele volgen.

Simon Rozendaal over zijn Elsevier-artikel (bron: Youtube-kanaal Hans Labohm).

Met auteur Seitz onderhoudt Böttcher ondertussen warme banden. Ook Fred Singer en Donald Pearlman — die door zijn werk voor de fossiele industrie en het frustreren van meerdere klimaatconferenties bekend staat als de ‘Hogepriester van Koolstofclub’ — behoren tot de persoonlijke contacten van Böttcher. Met alledrie voert Böttcher inhoudelijk en strategisch overleg over de te nemen stappen in hun strijd tegen het IPCC en de ‘klimaathetze’.

Op 5 juli 1992 ontvangt Böttcher als blijk van waardering een uitnodiging van Fred Singer: ‘Ik hoop dat u ermee instemt om toe te treden tot de Raad van Advies van het SEPP. Uw advies en betrokkenheid zijn belangrijk voor ons.’

Aangemoedigd door Shell-topman Huub van Engelshoven probeert Böttcher zelfs een Europese zusterorganisatie van het George C. Marshall Institute op te zetten. Dat mislukt in de eerste instantie: het bestuur van de Amerikaanse organisatie wil controle houden over activiteiten die onder haar naam plaatsvinden. Wel hoopt men dat Böttcher zijn plan op een andere manier voortzet. Dat gebeurt uiteindelijk in 1994. Samen met de Britten John Emsley en Roger Bate richt Böttcher het European Science and Environment Forum (ESEF) op, een Europees netwerk van klimaatsceptische wetenschappers. Deze organisatie brengt halverwege de jaren negentig twee klimaatsceptische boeken uit. Later zal zij opgaan in Heidelberg Appeal Nederland, en weer later in de tegenwoordig nog actieve Groene Rekenkamer.  

In de bestuurskamers

Met zijn versimpelde maar bovenal heldere verhaal over de ‘CO2-mythe’ doet Böttcher het goed in de media, maar het belangrijkste deel van zijn werk vindt achter de schermen plaats. Zo schrijft Böttcher op 2 februari 1994 aan DSM-bestuurslid Ruud Selman dat het zijn doel is tegenstanders van klimaatbeleid ‘van munitie’ te voorzien en ze ‘een handje te helpen allerlei doordrammerij te voorkomen.’

Uit het archiefmateriaal blijkt dat Böttchers strategie daarbij sterk lijkt op die van zijn Amerikaanse collega’s. Böttcher schrijft een klimaatsceptisch artikel of boek, en zijn contacten of sponsoren uit het bedrijfsleven zorgen vervolgens voor verspreiding onder hun collega’s, politici, journalisten en natuurlijk het IPCC.

Zo neemt het World Coal Institute, de wereldwijde confederatie van kolenbedrijven, delen van Böttchers’ pamflet Science or fiction (1992) over in haar nieuwsbrief. Die verspreidt het instituut naar eigen zeggen met zeer veel succes tijdens de milieutop in Rio, en later bij de werkgroepen van het IPCC die de eerste klimaatconferentie voorbereiden. Ian Christmas, voorzitter van de International Iron and Steel Industry (IISI), zorgt ervoor dat Böttchers boeken wereldwijd onder bestuurders van staalbedrijven worden verspreid. En Lois Johnston, perswoordvoerder bij Texaco, doet hetzelfde onder haar collega’s in de olie-industrie en bij haar media-contacten.

‘Op de energieafdeling van Economische Zaken liep hij regelmatig naar binnen’

Ook in Nederland weet Böttcher zijn boodschap aan te doen komen onder de top van het bedrijfsleven en de politiek. ‘Hij was zeer gerespecteerd bij de intellectuele elite, juist vanwege zijn Club van Rome-achtergrond’, vertelt Pier Vellinga, mede-oprichter van het IPCC en begin jaren negentig de eerste hoogleraar op het gebied van klimaatverandering in Nederland. ‘Voor gezelschappen waar de top van Nederland elkaar ontmoet gaf hij lezingen. Dat is de wijze waarop zijn klimaatverandering ontkennende verhalen doordrongen in politiek en beleid.’

Vellinga gaf zelf ook regelmatig lezingen in die gezelschappen over zijn werk in IPCC-verband. ‘Dan viel er een daverende stilte wanneer ik mijn verhaal deed’, zegt hij. ‘Of sympathisanten van Böttcher vielen mij persoonlijk aan, omdat ik als Delftenaar geen meteorologische achtergrond had.’

Fijnmazig netwerk

Böttcher beweegt zich in die tijd in een indrukwekkend netwerk. Op zijn tachtigste verjaardag in oktober 1995 geeft voormalig president-directeur van KLM Jan de Soet een treffende omschrijving: ‘Zijn gehele leven bekleedde hij functies in zeer uiteenlopende kringen, colleges, gilden en tal van genoot- en gezelschappen. Hij opereert in een mystiek, fijnmazig netwerk dat vrijwel alle geestelijk maatschappelijke stromingen in onze samenleving omspant. Een cluster waarvan de eertijds zo geduchte ‘200 van Mertens’ slechts van hadden kunnen dromen.’

De chemieprofessor is onder andere lid van twee informele genootschappen, waartoe slechts de absolute top van de Nederlandse politieke en economische elite behoort. Zo is hij lid van de Tafelronde en zetelt hij in het in 1972 door hemzelf opgerichte gezelschap De 8CHT. Deze club komt ongeveer zesmaal per jaar bijeen en heeft leden als Allerd Stikker (AkzoNobel en RSV), Jan de Soet (KLM), André Spoor, Hans Wiegel (VVD), Nout Wellink, Henny de Ruiter (Commissaris Shell), Karel Vuursteen (bestuursvoorzitter Heineken) en Hans Wijers.

‘Op de energieafdeling van [het ministerie van] Economische Zaken liep hij regelmatig naar binnen’, zegt Frans W. Saris, die van 1996 tot 2002 directeur was van het Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN). En Stan Dessens, tussen 1988 en 1999 directeur-generaal Energie van Economische Zaken, erkent dat hij Böttcher heeft gesteund: ‘In de zin dat ik vond dat hij als woordvoerder van een tegengeluid ruimte moest krijgen om dit naar voren te brengen. Hij was ten slotte iemand met een wetenschappelijke standing en reputatie waarvan je mocht verwachten dat hij niet handelde uit politiek opportunisme.’

In de Tweede Kamer had vooral de VVD-fractie oor voor de scepsis van Böttcher, zo blijkt uit parlementaire documenten. VVD-milieuwoordvoerder (1982-2003) Jan te Veldhuis beriep zich in 1992 op Böttcher in zijn pleidooi voor een ‘realistisch CO2-beleid’ en zou ook in de jaren erna de wetenschappelijke onzekerheden blijven benadrukken.

Aan de telefoon vertelt Te Veldhuis dat hij samen met Ad Lansink van het CDA degene was die ‘doordrukte’ dat Böttcher in 1995 werd uitgenodigd voor de klimaatcommissie van de Tweede Kamer. Bij zijn optreden voor de commissieleden haalt Böttcher een oud stokpaardje van stal: ‘Het enige feit is dat CO2 toeneemt in de atmosfeer (..) en dat dat voor de plantenwereld fijn is. De rest is hypothese.

‘Jennings gaf toe dat hij het nauwelijks aandurft mij te steunen omdat Shell al andere vergissingen heeft begaan’

De opmerking wordt opgenomen in het journaal. ‘Ik was de enige die de televisie haalde,’ zal Böttcher er later aan Dirk Hudig, een lobbyist voor Imperial Chemical Industries, over schrijven. ‘Dat was om acht uur 's avonds op het nieuws en het kwam goed over.’

De geldkraan gaat dicht

‘Ik heb geleidelijk een stadium bereikt dat ik in mijn land als de oppositieleider over dit onderwerp wordt beschouwd’, schrijft Böttcher begin 1996 aan Ian Christmas van het IISI. Zijn status blijkt echter niet opgewassen tegen de tijdgeest. De chemieprofessor wacht al maanden op het moment dat Shell de steun voor het CO2-project weer hervat. Het direct financieren van klimaatsceptische wetenschappers zou men bij Shell — ‘uit angst voor de publieke opinie’, schrijft Böttcher — eigenlijk niet meer aandurven.

In september 1996 belt uiteindelijk Henny de Ruiter, commissaris bij Shell en op dat moment een van de meest invloedrijke mensen van Nederland. Hij heeft slecht nieuws, schrijft Böttcher: ‘[De Ruiter] heeft gisteren een gesprek [gehad] met [John] Jennings [directeur van Shell Trading in Londen, red.]. Die gaf toe dat hij het nauwelijks aandurft mij te steunen omdat Shell al andere vergissingen heeft begaan zoals Brent Spar, Nigeria.

Maar er is nog hoop. Böttcher, die in zijn aantekeningen overigens niets van ongenoegen laat blijken over het illustere rijtje waar zijn klimaatsceptische werk blijkbaar in past, krijgt een kans van Jennings. ‘Hij liet zich overhalen,’ schrijft de chemicus. ‘Ik kan een verhaal komen houden.’

Wat de nieuwe strategie is, blijkt uit het uitgebreide verslag van het gesprek met Jennings op het Shell-hoofdkantoor in Londen. Als Shell niet langer klimaatsceptici durft te financieren, dan moet het bedrijf Böttchers nieuwe project maar ondersteunen: ‘energie en duurzame ontwikkeling’. 

Böttcher legt zijn gesprekspartners uit dat dit nieuwe project gaat over de ‘overheersende rol van energie in de samenleving’ en dat het zal dienen als ‘waarschuwing voor de politici en economen, die gemakkelijk doen over het implementeren van drastische energiebelasting en vergelijkbare interventies.’

Het onderwerp is van groot belang voor Shell. Het bedrijf weet dat regeringsleiders van plan zijn om in zomer van 1997 in Kyoto af te spreken om CO2-uitstoot terug te dringen. Ook het idee van een Europese energie- of CO2-belasting is al eens naar voren gebracht door milieuministers als Angela Merkel en Margreeth de Boer.

Jennings is dan ook enthousiast over het voorstel van Böttcher: ‘[Jennings] nam eigenlijk al in mijn bijzijn een besluit’, schrijft de chemicus, ‘en deelde mede dat Peter Langcake de afwikkeling van de overeenkomst en de verdere begeleiding voor zijn rekening zou nemen.’

In een brief aan Bovag-directeur Joop Hoekzema schrijft Böttcher enkele maanden later: ‘Enerzijds bleek dat [Jennings] het niet meer aandurft steun te geven voor een project dat tegen de publieke opinie ingaat. Anderzijds was hij dermate enthousiast over mijn nieuwe project “energie en duurzame ontwikkeling”, dat hij binnen een uur besloot dat Shell International het gehele voor dit project in 1997 benodigde bedrag van FL 80.000 ter beschikking stelt. Hij laat mij volledig vrij.’

De steun van Shell voor het project ‘energie en duurzame ontwikkeling’ zal uiteindelijk maar van relatief korte duur zijn. In 1998 volgt nog een laatste toezegging van Shell — Böttcher krijgt nog één keer 30.000 gulden om ‘activiteiten rondom CO2 en duurzame energie af te ronden’ — en dan gaat de geldkraan dicht.

Ook Texaco en de andere sponsoren van het CO2-project trekken zich dat jaar terug. Een jaar eerder schreef Böttcher al dat het Amerikaanse bedrijf nerveus leek te worden: Texaco had hem gevraagd zoveel mogelijk het CO2-project ‘voort te zetten’, maar ‘zogenaamd aan iets anders te werken’. Böttcher doopte de ‘Conto Separato CO2’ daartoe om tot ‘SD’, voor Sustainable Development (duurzame ontwikkeling).

Voor DSM heeft het stoppen van de financiering een andere reden: ‘[het besluit] stoelt op onze indruk, dat in de praktijk het effect van uw lobby uitgewerkt raakt’, deelt het bedrijf de professor mee. De context, die in deze brief niet wordt genoemd: het Verdrag van Kyoto had aangetoond dat de wereld het IPCC een stuk serieuzer nam dan een handvol sceptici.

Böttcher zelf is er zeker niet de man naar om bij de pakken neer te gaan zitten. Tot zijn overlijden in 2008 blijft de chemicus lobbyen, netwerken en zijn contacten in het bedrijfsleven van milieu-adviezen voorzien. Slechts enkele maanden nadat het CO2-project is beeindigd, vertelt hij Ian Christmas van het IISI juist blij te zijn met ‘de vrijheid’ die hij nu heeft om zijn eigen onderwerpen uit te kiezen. Het onderwerp ‘duurzaamheid’ kan volgens de professor nu weer buiten beschouwing worden gelaten: ‘We gaan gewoon verder met de strijd die we al jaren voeren.’

Fundament voor klimaatscepsis

Wat heeft Böttcher nu uiteindelijk bereikt met zijn werk? Daarover lopen de interpretaties uiteen. Zijn belangrijkste verdienste lijkt te zijn geweest dat er überhaupt een debat was over de vraag of klimaatverandering bestond en zo ja, of het door mensen werd veroorzaakt. Zo vertelt hij Clement Malin en Jaap Meinema van Texaco in september 1996 dat, hoewel ‘maar weinig rapporten en boeken echt gelezen worden’, ze wel effect hebben: ‘Men realiseert zich dat de oppositie groeit.’ 

Bovendien legde Böttcher het fundament voor de Nederlandse klimaatscepsis, een beweging die ook tegenwoordig via organisaties als Clintel en politieke partijen als de PVV en Forum voor Democratie veelvuldig aandacht krijgt — en veelal dezelfde standpunten verkondigt als Böttcher in de jaren negentig.

Klimaathoogleraar Pier Vellinga noemt Böttcher ‘instrumenteel’ in het vertragen van het klimaatbeleid in Nederland in de jaren negentig. ‘Zijn publicaties drongen door tot op het Ministerie van Economische Zaken en werden gebruikt om te kunnen beweren dat het allemaal nog zo’n vaart niet liep en dat er nog heel veel onbeantwoorde vragen waren.’ Het is volgens Vellinga een van de redenen dat er in die jaren, in tegenstelling tot Duitsland, geen effectieve beleidsafspraken zijn gemaakt over CO2-reductie.

‘Natuurlijk heeft hij invloed gehad. Hij zat overal, iedereen kende hem’

Margreeth de Boer was van 1994 tot 1998 PvdA-minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM). Namens Nederland onderhandelde ze over het klimaatakkoord van Kyoto. Toen zij terugkwam met het resultaat — een voornemen tot 6 procent CO2-reductie in 2012 ten opzichte van 1990 — wachtte haar geen warm onthaal. Sterker nog: ‘men was er buitengewoon ongelukkig mee.’ De doelstelling zal ook geenszins gehaald worden: tussen 1990 en 2012 neemt de Nederlandse CO2-uitstoot zelfs met 1,2 procent toe.

Volgens De Boer kwamen dwingende maatregelen, zoals een belasting op CO2, ‘van tijd tot tijd op tafel’, maar was er in het kabinet van Wim Kok geen draagvlak voor. Over de telefoon vertelt ze dat vooral Economische Zaken zulke maatregelen absoluut niet zag zitten: ‘Hans Wijers [D66-minister van Economisch Zaken 1994-1998] was absoluut de mening toegedaan dat dat slecht was voor de economie en het bedrijfsleven. We moesten niet voorop lopen en dat was ook het standpunt van de VVD.’

Wijers, tegenwoordig commissaris bij de ING, nuanceert de bewering van de Boer: ‘Mijn positie was wel degelijk om klimaatverandering serieus aan te pakken, maar we moesten er wel voor zorgen dat we in Nederland daarom niet de meest efficiënte gascentrales sluiten terwijl er in Duitsland nog volop bruinkool wordt gestookt.’ Het ministerie van VROM was daar volgens Wijers minder mee bezig: ‘Die waren meer van de visionaire kant en hadden een houding van “we zien wel hoe we er uitkomen”.’

Achteraf erkent Wijers wel dat Nederland destijds meer had kunnen en moeten doen. Volgens hem ontbrak het echter aan draagvlak in de maatschappij en het kabinet. ‘Nederland spreekt visionair, maar is eigenlijk een van de achterblijvers.’ Ook vandaag de dag bungelt Nederland onderaan de lijstjes als het aankomt op het aandeel duurzame energie in de totale elektriciteitsproductie.

Maar is dat de ‘verdienste’ van Böttcher? Voormalig president van De Nederlandsche Bank Nout Wellink was lid van de 8CHT en heeft Böttcher daar wel eens over klimaat gesproken. Volgens Wellink was Böttcher ‘een eersteklas wetenschapsman’, maar wanneer we hem vragen naar de impact van Böttchers werk op de politieke besluitvorming, volgt een resoluut antwoord: ‘Geen, althans naar mijn waarneming. En hij was er wel de man naar om daarover op te scheppen.’

Daar is Hans Wiegel het niet mee eens. ‘Natuurlijk heeft hij invloed gehad,’ zegt de VVD-prominent, die eveneens lid was van de 8CHT. ‘Hij zat overal, iedereen kende hem. Maar van zichzelf zou hij dat nooit toegeven. Het was geen ijdele man.’

Het lijkt erop dat Böttchers ideeën in ieder geval wel enige invloed hebben gehad op Wiegel zelf. In een opiniestuk in het NRC Handelsblad schrijft hij in 2015: ‘Ik durf het haast niet op te schrijven, maar jaren geleden noemde het enige Nederlandse lid van de Club van Rome, wijlen professor Frits Böttcher, de alarmverhalen over het klimaat niet onderbouwd.’

Reacties van de bedrijven en organisaties achter het CO2-project

Het CO2 project werd gefinancierd door de volgende bedrijven en organisaties: AkzoNobel, Amoco, ANWB, Bayer, Bovag, DSM, Fluor Daniel, Foundation BBMB, Gasunie, Hoogovens/Tata Steel, IISI, ING, KLM, Lions Club, Mabanaft, NAM, Pakhoed (Vopak) Schiphol, SEP, Shell, Texaco, ThyssenKrupp en VNA.  

AkzoNobel noemt het ‘lastig’ om te reageren omdat het ‘zo lang geleden is’. Het bedrijf laat wel weten dat het als doelstelling heeft om in 2030 zijn CO2-uitstoot met 50% te hebben teruggedrongen tov 2018

De ANWB bevestigt dat de organisatie Böttcher heeft gefinancierd. De ANWB wilde destijds objectieve wetenschappelijke informatie over wat het klimaatprobleem inhield en gezien de ‘uitstekende wetenschappelijke reputatie’ van Bottcher werd hij hiervoor in de hand genomen, aldus woordvoerder Ad Vonk. Na interne kritiek vanuit de milieuafdeling op het gebrek aan wetenschappelijke onderbouwing van de beweringen die Böttcher doet in zijn publicatie ‘Science or Fiction’, drong dit departement bij toenmalig directeur Nouwen aan op het stopzetten van de financiering. Het is onduidelijk of dat toen ook is gebeurd, zegt Vonk. Wel onderschreef de ANWB al in 1990 in een ‘concept standpunt’ de noodzaak om “de trend van een steeds hogere CO2-uitstoot om te buigen.”

Bayer laat weten dat de vraag of ze Böttcher financieel hebben ondersteund “moeilijk” te beantwoorden is omdat de betrokken personen niet meer in dienst zijn. In het archief van het Duitse bedrijf  is de naam Böttcher of Global Institute niet gevonden. Bayer verklaart in 2030 Co2-neutraal te willen produceren.

Bovag erkent dat het Böttcher heeft gesponsord.Er is weinig van terug te vinden, maar we hebben aanwijzingen – en we gaan er van uit –  dat het klopt,’ zegt een woordvoerder. Maar: ‘De BOVAG van begin jaren ‘90 is een andere organisatie dan de BOVAG van 2020’ Het bedrijf is lid van de Formule E (een autosportklasse waarin enkele elektrische auto’s meerijden), onderschrijft naar eigen zeggen de klimaatdoelen van Parijs en is er van overtuigd dat de CO2-uitstoot moet worden teruggedrongen.

DSM noemt het ‘onwaarschijnlijk’ dat het ‘onderzoek heeft ondersteund dat erop gericht zou zijn om wetenschappelijke bevindingen te ondermijnen.’ Ook meldt het chemiebedrijf dat het reeds in 1993 met de Nederlandse overheid een convenant heeft afgesproken ten behoeve van energiebesparing en dat het ook al in de jaren negentig expliciet het belang noemde van het terugdringen van de CO2-uitstoot.

Gasunie is in 2005 opgesplitst in GasTerra en Gasunie. Het archief van vóór 2005 ligt bij GasTerra. Desgevraagd laat het bedrijf weten niets te hebben kunnen terugvinden over de financiering van Böttcher. 

ING verklaart: ‘Helaas kunnen we niet meer achterhalen of deze beperkte donatie meer dan 25 jaar geleden heeft plaatsgevonden, noch waarom die zou zijn gedaan of op wiens initiatief”. Voor de bank is het  ‘evident’ dat er sprake is van een klimaatcrisis en zij doet naar eigen zeggen haar best om haar leningenportefeuille in lijn te brengen met het klimaatakkoord van Parijs. 

KLM meldt dat er ‘geen enkele indicatie is’ dat de vliegmaatschappij ‘30 jaar geleden een betaling heeft gedaan aan Frits Bottcher.’ KLM streeft ‘naar een duurzame toekomst voor de luchtvaart’ en wijst erop dat het al in de jaren negentig is begonnen met het nemen van stappen op het gebied van duurzaamheid.

De NAM, dat in handen is van ExxonMobil en Shell, laat weten: ‘Het klopt dat in deze periode NAM een kleine financiële bijdrage heeft geleverd aan werkzaamheden van professor Böttcher. Het is voor ons niet meer goed te achterhalen welke werkzaamheden het precies betrof.’

Schiphol ‘kan niet bevestigen noch ontkennen in het verleden op enige manier gebruik [te hebben] gemaakt van de diensten van de heer Böttcher.’

De persdienst van Shell reageert bij monde van president-directeur Marjan van Loon als volgt:‘Dit speelde zich 25, 30 jaar geleden af en we kunnen niet speculeren over wat er precies is gebeurd en in welke context. We gaan hier naar kijken. Ik denk dat het belangrijk is om in gedachten te houden dat de wetenschap decennialang veel onderzoek heeft gedaan naar het klimaatvraagstuk. De energietransitie is daardoor maatschappelijk steeds relevanter geworden. Shell is al heel lang duidelijk over haar standpunt over klimaatverandering en de rol van CO2. Al ruim twee decennia rapporteren we hierover in onze jaarverslagen en duurzaamheidsrapporten.’ Volgens Van Loon is het belangrijk dat de samenleving zich richt op het bereiken van de doelen van het Klimaatakkoord van Parijs. ‘Shell staat volledig achter deze doelstellingen. We steunen de verschillende initiatieven die de energietransitie versnellen, waaronder het Nederlandse Klimaatakkoord en de doelstelling van de Europese Unie om netto geen CO2-uitstoot meer te hebben tegen 2050. Hier is onze strategie op gericht.’

Tata Steel, waarin het voormalige Hoogovens is opgegaan, laat weten dat het kennis heeft genomen van ‘het feit dat er in de jaren negentig financiële ondersteuning is verleend aan de klimaatsceptische activiteiten van wijlen professor Böttcher.’ De huidige directie van Tata Steel was hiervan niet op de hoogte. Tata Steel zegt het klimaatakkoord van Parijs te onderschrijven en initiatieven te nemen om CO2-uitstoot terug te dringen en energie te besparen. Voor de volledigheid wil het bedrijf erop wijzen dat Böttcher mede oprichter van de Club van Rome was en lid van de Wetenschappelijke Raad voor Regeringsbeleid.  

ThyssenKrupp reageert als volgt:  ‘We kunnen niet bevestigen dat we ooit met prof. Böttcher te maken hebben gehad. Datgeen waar u naar refereert vond 25 jaar geleden plaats, ver voorbij de periode waarbinnen dergelijke stukken bewaard moeten blijven. We kunnen wel bevestigen dat we geen klimaatscepsis ondersteunen.’ ThyssenKrupp heeft zichzelf als doel gesteld in 2050 klimaatneutraal  te opereren, laat het hoofd media-relaties weten.

Vopak, de rechtsopvolger van Pakhoed, verklaart dat de promotie van klimaatscepsis absoluut niet past in haar donatiebeleid. En dat er geen informatie in het archief van het bedrijf te vinden is die een donatie aan Böttcher bevestigt. Vopak benadrukt dat het de zorgen over klimaatverandering onderschrijft en dat het ‘actief beleid’ voert om ‘een faciliterende rol te spelen in de energietransitie.’

SHV Energy heeft in zijn archief teruggevonden dat het bedrijf het project “Energie en Duurzame ontwikkeling” financieel heeft ondersteund. ‘SHV richt zich in al haar facetten op duurzaamheid en het bijdragen aan verbetering van het klimaat. Ontkenning of sceptisch denken is niet aan de orde,’ aldus de woordvoerder. 

Amoco, Texaco, Fluor Daniel, Foundation BBMB, IISI, Mabanaft, en Lions Club waren ondanks herhaaldelijk aandringen niet bereikbaar voor commentaar. De rechtsopvolger van de SEP, het Nederlands Elektriciteits administratiekantoor, is permanent gesloten. VNA is opgeheven.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Platform Authentieke Journalistiek
Het Platform Authentieke Journalistiek wil met kritische berichtgeving een bijdrage leveren aan een eerlijkere samenleving.
Gevolgd door 628 leden