Beeld © Micha Huigen

Van het beste pensioenstelsel ter wereld kraken de fundamenten

De solidariteit in het pensioenstelsel rust op verplichtingen. De meeste mensen doen mee aan een regeling die verplicht is voor alle werkgevers en werknemers in een bedrijfstak. Ook wanneer in 2027 een nieuw stelsel ingaat, blijft die ‘grote verplichtstelling’ overeind, tenzij Europa het kabinet terugfluit. De Kamer laat zich informeren door twee hoogleraren, maar die liggen erover in de clinch. Een van hen vindt de verplichtstelling ‘discriminerend’. Hij diende een klacht in bij de Europese Commissie.

Dit stuk in 1 minuut
  • Zo’n 80 procent van de werknemers met een pensioenovereenkomst neemt verplicht deel in een bedrijfstakpensioenfonds. Deze ‘grote verplichtstelling’, die meer dan zeventig jaar geleden werd ingevoerd, heeft grote voordelen en wordt veelal gezien als de kurk waarop het Nederlandse pensioenstelsel drijft, essentieel voor behoud van solidariteit.
  • Maar er zijn ook nadelen: ontevreden deelnemers kunnen niet overstappen en de  bedrijfstakpensioenfondsen blijven onbedreigd monopolist.
  • Deze gedwongen winkelnering mag van Europa, omdat er een algemeen belang mee is gediend en solidaire pensioenen anders te duur zouden worden.
  • Maar in 2027 komt er een nieuw pensioenstelsel. De invoering daarvan is een mega-operatie. Het kabinet wil de verplichtstelling behouden. Maar het is de vraag of het nieuwe stelsel voldoende solidair blijft en of Europa niet van mening verandert.
  • De Tweede Kamer laat zich over dat risico informeren door twee hoogleraren, maar die liggen erover in de clinch. Een van hen vindt de grote verplichtstelling ‘discriminerend’. Hij diende een klacht in bij de Europese Commissie.
Lees verder

‘Werkt bij de Rijksoverheid aan een mooiere wereld’, is te lezen op het Twitterprofiel van Bert van der Wees, coördinerend beleidsambtenaar bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. 

Als rijksambtenaar is hij verplicht aangesloten bij het ABP, het pensioenfonds voor overheids- en onderwijspersoneel – met zo’n drie miljoen deelnemers en een belegd vermogen van ruim 550 miljard euro het grootste pensioenfonds van Nederland. Maar Van der Wees wil er weg, vooral omdat het hem tegenstaat dat een deel van zijn salaris wordt belegd in fossiele energie en in bedrijven die dierenwelzijn schaden. 

Via LinkedIn komt hij deze zomer in contact met Hans van Meerten, hoogleraar Europees pensioenrecht aan de Universiteit Utrecht. Die waarschuwt al jaren voor Europese onhoudbaarheid van het Nederlandse pensioenstelsel. Daarmee is Van Meerten een beetje een kiezel in de schoen van de Nederlandse pensioenwereld. 

Hij wil weg omdat het ABP belegt in fossiele energie en bedrijven die dierenwelzijn schaden

Van Meerten is ook pensioenadvocaat, als raadsman vertegenwoordigt hij vooral deelnemers aan pensioenregelingen. Dat deelnemers als Van der Wees niet weg kunnen bij het ABP, is volgens de Utrechtse professor mogelijk ook in strijd met Europese regelgeving

Op 12 augustus 2021 sommeert Van Meerten het ABP om een ‘individuele vrijstelling’ te verlenen aan Van der Wees, zodat het hem vrij komt te staan om zijn pensioen onder te brengen bij een ander fonds of een verzekeraar. Desgevraagd zegt het ABP zich niet te kunnen herinneren ooit eerder zo’n sommatie te hebben ontvangen.

Het is de vraag of deze opmerkelijke juridische stap veel kans van slagen heeft. Maar de actie, die volgens Van der Wees ook is bedoeld om druk op het ABP te zetten, past in het beeld van toenemende maatschappelijke weerstand tegen het beleggingsbeleid van pensioenfondsen. 

Zo riepen eerder dit jaar meer dan vierhonderd Wageningse wetenschappers het ABP op om niet meer te beleggen in Braziliaanse vleesbedrijven, vanwege hun betrokkenheid bij ontbossing en illegale houtkap in de Amazone. 

Sinds mei van dit jaar circuleert een petitie die meerdere pensioenfondsen in de zorgsector oproept om te stoppen met fossiele beleggingen in bedrijven die niet handelen in lijn met het klimaatakkoord van Parijs, en niet meer te beleggen in tabak en wapens. De petitie is inmiddels ondertekend door meer dan 3.500 medewerkers in de zorg, onder wie de bekende artsen Diederik Gommers en Ernst Kuipers. 

Wat steeds vaker lijkt te wringen, is dat ontevreden pensioenfondsdeelnemers niet de vrijheid hebben om over te stappen naar een ander fonds. Dat heeft te maken met het wereldwijd unieke mechanisme van de ‘verplichtstelling’ dat rond de Nederlandse pensioenen is opgetuigd. 

De grote verplichtstelling

Veruit de meeste Nederlanders hebben, net als Bert van der Wees, te maken met de ‘grote verplichtstelling’. Die zorgt ervoor dat zo’n 80 procent van de werknemers met een pensioenovereenkomst verplicht deelneemt in een bedrijfstakpensioenfonds. Daarvan zijn er ongeveer vijftig, waaronder het ABP en het Pensioenfonds Zorg & Welzijn, maar bijvoorbeeld ook de metaalindustrie-fondsen PME en PMT, het bouwnijverheidsfonds BpfBOUW en de afzonderlijke fondsen voor sectoren als Vervoer, Detailhandel en Horeca en Catering. Bij deze acht fondsen alleen al zijn meer dan elf miljoen mensen aangesloten.

Wat steeds vaker lijkt te wringen, is dat ontevreden deelnemers niet kunnen overstappen

Bij de grote verplichtstelling ligt het initiatief bij werkgeversorganisaties en vakbonden. Als die voldoende representatief zijn, kunnen ze samen aan de minister van Sociale Zaken vragen om het bedrijfstakpensioenfonds verplicht te stellen voor de hele sector. Als de minister groen licht geeft, is deelname aan het bedrijfstakpensioenfonds bindend voor alle werknemers en werkgevers in de bedrijfstak. Ook voor ongeorganiseerde werkgevers, die niks met het verzoek aan de minister te maken hebben gehad. 

Vallen de werkzaamheden van een bedrijf binnen de sector, dan is de werkgever verplicht om een deel van het loon van elke werknemer, ongeveer een vijfde, aan het fonds af te dragen. Ook is het mogelijk om groepen zelfstandigen te dwingen deel te nemen in het bedrijfstakpensioenfonds. BPF Schilders is een voorbeeld van een fonds waarbij veel zzp’ers verplicht zijn aangesloten. 

Dat bij de verplichtstelling de omgekeerde weg ook mogelijk is, bleek onlangs voor het eerst in de praktijk: de verplichte deelname van Rijn- en binnenvaartschippers aan het bedrijfstakpensioenfonds van de sector werd ingetrokken. Het fonds doorstond de representativiteitstoets niet meer

De grote verplichtstelling bestaat al sinds 1949, het jaar waarin ook televisie in Nederland werd geïntroduceerd. Deze ingreep door het eerste kabinet-Drees kan weliswaar gezien worden als een paternalistische, politieke keuze, maar hij biedt ook grote voordelen. 

De verplichtstelling kan worden gezien als paternalistisch, maar ze biedt ook grote voordelen

De verplichtstelling wordt veelal gezien als de kurk waarop het Nederlandse pensioenstelsel drijft: essentieel voor behoud van solidariteit. Het idee achter de grote verplichtstelling was niet alleen om zoveel mogelijk werknemers binnen een bedrijfstak solidair pensioen op te laten bouwen, maar ook om te voorkomen dat werkgevers met elkaar concurreren op de arbeidsvoorwaarde pensioen. Daarover hoeft niet meer onderhandeld te worden met werknemers. Zo wordt vermeden dat werkgevers, over de rug van werknemers, kostenvoordelen proberen te behalen. Dit draagt bij aan de ‘arbeidsrust’ in Nederland.

De overheid vindt dat er groot sociaal belang is bij een solidaire, collectieve pensioenvoorziening. Met gelijke toegang, zonder voorwaarden, voor alle werknemers. En met één fonds voor de hele sector zijn risico’s ook beter te delen en kunnen makkelijker schaalvoordelen worden behaald. Al met al is de verplichtstelling bedoeld om in een pensioen te voorzien dat niet door de markt kan worden aangeboden.

Het nadeel: onbedreigd monopolist 

Buiten het domein van de bedrijfstakpensioenfondsen geldt veelal de ‘kleine verplichtstelling’, vaak geregeld in de cao, die werkgevers eveneens verplicht een pensioenovereenkomst aan te gaan met hun werknemers. Een belangrijk verschil met de grote verplichtstelling is dat de werkgever zelf mag kiezen waar die regeling wordt ondergebracht, bijvoorbeeld bij een eigen ondernemingspensioenfonds of bij een commerciële derde partij. 

En dan zijn er ook nog werkgevers en zelfstandigen die helemaal buiten de verplichtstellingen vallen. Zij zijn zelf verantwoordelijk voor een goede oudedagsvoorziening boven op de AOW. Hieronder valt ook het merendeel van de zzp’ers, een snelgroeiende groep die inmiddels zo’n 10 procent van de beroepsbevolking vertegenwoordigt. Het CBS becijferde in 2017 dat een op de vier zzp’ers geen geld opzijzet voor later. Maar ook veel werknemers in loondienst bouwen geen pensioen op, de zogenaamde ‘witte vlek’. Eind 2016 waren dat er volgens het CBS meer dan 850.000

De verplichtstelling heeft grote voordelen, maar er hangt ook een prijskaartje aan. Als fondsdeelnemers ontevreden zijn, over het beleggingsbeleid, de beloning van de bestuurders of de mate van inspraak: overstappen naar een ander fonds mag niet. De grote verplichtstelling leidt tot gedwongen winkelnering bij bedrijfstakpensioenfondsen die daarmee onbedreigd monopolist blijven binnen hun sector. De financiële belangen zijn daarbij enorm, de grootste bedrijfstakpensioenfondsen hebben honderden miljarden euro in beheer namens miljoenen deelnemers. 

Het Hof van Justitie in Luxemburg oordeelde dat de verplichtstelling mag – een pensioen zou anders te duur worden

Maar mag dat ook van Europa, zo’n door de overheid gecreëerd monopolie? Vrije mededinging is toch van levensbelang voor een goed werkende interne markt: de hoeksteen van Europese integratie? 

Het korte antwoord is dat de EU uitzonderingen maakt voor ondernemingen, waartoe ze ook pensioenfondsen rekent, die een algemeen economisch belang dienen. De EU kijkt daarbij wel of zo’n monopolie echt nodig is voor het bereiken van de doelen van de overheid. 

In 1999 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in Luxemburg over de monopolies van de Nederlandse bedrijfstakpensioenfondsen in het huidige pensioenstelsel. Dit was naar aanleiding van een zaak die was aangespannen door het bedrijf Albany International BV dat onder de verplichtstelling aan de toenmalige Stichting Bedrijfspensioenfonds Textielindustrie uit wilde. 

Het oordeel van het Hof kwam erop neer dat de verplichtstelling van Europa mag, omdat het aanbieden van een pensioen anders te duur zou worden voor fondsen die solidariteit hoog in het vaandel hebben. En dat hebben de Nederlandse bedrijfstakpensioenfondsen (zie kader).

Kenmerken van solidariteit

Het Hof van Justitie van de Europese Unie verwijst in zijn arrest naar een aantal kenmerken van solidariteit van het Nederlandse pensioenstelsel:

De doorsneepremie. Deze maakt deel uit van de zogeheten ‘doorsneesystematiek’: de pensioenpremie als percentage van het inkomen is voor iedereen gelijk en iedereen krijgt in ruil daarvoor procentueel evenveel pensioenaanspraak;

Pensioenfondsen moeten alle werknemers accepteren en mogen niet selecteren aan de poort met medische keuringen;

Als een bedrijf failliet gaat, neemt het fonds achterstallige premies over;

Voortzetting van de pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, met premievrijstelling;

Indexatie van de pensioenen (verhoging om de inflatie bij te benen).

Lees verder Inklappen

Maar het pensioenstelsel gaat op de schop, en belangrijke elementen van solidariteit verdwijnen. In juni 2020 bereikte het kabinet-Rutte III overeenstemming met vakbonden en werkgevers over de uitwerking van een akkoord over dat nieuwe pensioenstelsel. 

Inmiddels wordt hard gewerkt aan een nieuwe pensioenwet, die op 1 januari 2023 moet ingaan. Pensioenfondsen zijn alvast gestart met de voorbereidingen. Een mega-operatie, waaronder ‘de grootste IT-ingreep in een pensioenstelsel ooit’ zoals Het Financieele Dagblad kopte boven een artikel waarin de overgang door een betrokkene wordt omschreven als een ‘openhartoperatie’. Ook de communicatie hierover met miljoenen deelnemers zal een enorme inspanning vergen. De voorbereidingen moeten klaar zijn op 1 januari 2027, de geplande datum waarop het nieuwe stelsel in werking treedt. 

Opgeknipt in individuele potjes

Als dat doorgaat verandert er veel, maar aan de verplichtstelling wordt door het kabinet niet getornd, een belangrijk uitgangspunt. Dat bleek ook tijdens het debat over het pensioenakkoord in juni 2019. Toen het toenmalige kamerlid Corrie van Brenk van 50PLUS vroeg of de ‘deal off’ [pensioenakkoord van de baan, red.] zou zijn als de verplichtstelling in gevaar komt, antwoordde verantwoordelijk minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken: ‘Ja, volgens mij kunnen we dat met elkaar constateren.’

Wat echter onzeker blijft, is of Europa niet alsnog roet in het eten gooit en Nederland terugfluit. Blijft er in het nieuwe stelsel voldoende solidariteit over om de Europese houdbaarheid van de grote verplichtstelling overeind te houden? 

Het nieuwe stelsel wordt individueler. Een van de doelen van het kabinet is een meer directe relatie tussen premie die je inlegt en wat je daarvoor krijgt. Het collectieve pensioenvermogen van circa 1700 miljard euro wordt straks opgeknipt in individuele potjes – maar die blijven verankerd bij het pensioenfonds. Rijksambtenaar Bert van der Wees kan zijn individuele pot dan nog steeds niet weghalen bij het ABP. 

Een andere belangrijke wijziging is afschaffing van de doorsneesystematiek, een vorm van solidariteit van jongere met oudere generatie. 

Volgens Hans van Meerten moet ook niet worden onderschat hoe belangrijk het Europese Hof het garanderen van een bepaald minimumpensioenniveau lijkt te vinden voor de houdbaarheid van de gedwongen winkelnering. In ruil voor hun pensioenpremie krijgen deelnemers nu nog een ‘aanspraak’. In het nieuwe stelsel doen pensioenfondsen geen beloftes meer over de hoogte van toekomstige uitkeringen. De risico’s van tegenvallende beleggingen – of van een te lage premie – komen meer te liggen bij de deelnemers. Indexatie, door het Europese Hof nog genoemd als kenmerk van solidariteit, bestaat straks niet meer.

Tijdens de uitwerking van het pensioenakkoord wint minister Koolmees juridisch advies in over de Europese houdbaarheid bij Erik Lutjens, hoogleraar pensioenrecht aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. 

Lutjens is ook advocaat bij DLA Piper in Amsterdam en treedt in rechtszaken regelmatig op als raadsman of gemachtigde namens bedrijfstakpensioenfondsen als ABP, Pensioenfonds Zorg & Welzijn, PMT, BpfBOUW en BPF Schilders. Deze fondsen zijn lid van de Pensioenfederatie, de belangenbehartiger van bijna alle pensioenfondsen, waarvoor Lutjens ook werkzaamheden verricht tegen een jaarlijkse vergoeding van 20.000 euro. Op 7 januari 2020 stuurt Lutjens met zijn rapport ‘ANALYSE verplichtstelling na pensioenakkoord houdbaar’ zijn bevindingen aan de minister. 

Mocht er een zaak aanhangig worden gemaakt bij het Europese Hof, dan verwacht Lutjens dat de verplichtstelling ook in het nieuwe pensioenstelsel standhoudt. ‘Als je de doorsneesystematiek afschaft moet je kijken of er andere rechtvaardigingen zijn voor de monopoliepositie van een pensioenfonds. Dan kom je uit op aspecten van solidariteit die minder sterk zijn dan de doorsneesystematiek, maar nog wel relevant’, zegt hij tegen Follow the Money. 

Volgens Lutjens is dat in de eerste plaats de plicht van fondsen om alle deelnemers zonder toetsing te accepteren, tegen dezelfde premie en voorwaarden. Daarnaast noemt hij het overnemen van de premiebetaling bij faillissement van een werkgever.

‘En daar wordt de solidariteitsreserve nog aan toegevoegd’, zegt hij. ‘Die is ook juist bedoeld om de verplichtstelling nog houdbaarder te maken. Dat is een relevant nieuw element, ter vervanging van de doorsneepremie.’ Lutjens doelt hiermee op de solidariteitsbuffer van maximaal 15 procent van het totale vermogen die fondsen straks verplicht moeten aanhouden bij de uitvoering van de nieuwe premieovereenkomst. 

Lutjens: ‘Wat je ook moet meewegen, is de constante rechtspraak dat lidstaten bevoegd zijn om het sociale stelsel naar eigen goeddunken in te richten, en daarbij ook monopolies aan bepaalde ondernemingen te geven.’

Opmerkelijk is dat Lutjens in 2016 in een interview met PensioenAdvies nog liet weten: ‘Als men zou kiezen voor persoonlijke pensioenrekeningen met afschaffing van de doorsneepremie, dan is de verplichtstelling Europeesrechtelijk gewoon niet te handhaven omdat er dan onvoldoende solidariteitskenmerken inzitten’. 

In een reactie laat hij Follow the Money weten dat het geen puur individuele spaarpotjes zijn geworden. De ingelegde premies blijven collectief belegd. ‘En er komt een solidariteitsreserve’, zegt hij. 

Minister Koolmees stuurt de analyse van Lutjens op 22 juni 2020 mee met de brief waarin hij de Kamer informeert over de uitwerking van het pensioenakkoord. Tijdens het debat hierover op 14 juli 2020 wordt de Europese houdbaarheid van het nieuwe stelsel niet besproken. Pieter Omtzigt (CDA) stelt voor om daar tijdens een latere hoorzitting alsnog op in te gaan. 

Naast Erik Lutjens wordt ook Hans van Meerten uitgenodigd om tijdens die hoorzitting te komen praten over de juridische aspecten van het pensioenakkoord. 

Van Meerten heeft grote twijfels of de verplichtstelling in het nieuwe pensioenstelsel een toets aan het EU-mededingingsrecht overleeft. En daar komt volgens hem nog iets bij waarover het Europese Hof zich nog niet heeft gebogen: namelijk dat Nederland met de verplichtstelling discrimineert naar nationaliteit. 

Een ’no-go in het Europees recht’, noemt Van Meerten dat. Een bedrijfstakpensioenfonds mag namelijk alleen een Nederlandse stichting zijn. Als straks de pensioenovereenkomsten met miljoenen deelnemers worden omgezet naar een onzekerder contract, zou dat voor de EU het moment kunnen zijn waarop Nederland de bedrijfstakpensioenen moet openstellen voor buitenlandse aanbieders, waarschuwt hij. 

‘Als de grote verplichtstelling eraf gaat dan hebben we in Nederland een heel groot probleem’

Erik Lutjens deelt die zorg niet, zegt hij tegen Follow the Money: ‘Als de toekenning van een monopolie is gerechtvaardigd, dan is dat niet alleen zo voor het mededingingsrecht maar ook voor andere regels van het EU-recht, zoals vrije dienstverlening en nationaliteit.’

Van Meerten en Lutjens zijn al jaren elkaars tegenpolen in het discours over de Europese houdbaarheid van de grote verplichtstelling. Van Meerten zegt over zijn eigen rol: ‘Ik heb het gevoel dat ik een beetje persona non grata begin te worden in de hoek van de bedrijfstakpensioenfondsen, omdat ik een afwijkend geluid laat horen. Toch is dat geluid ook in het belang van die fondsen. Als niemand ze waarschuwt dat het compleet onhoudbaar is wat ze doen hebben ze straks een enorm probleem.’

Op 4 november 2020 is het zover: dan zitten de beide heren ook daadwerkelijk tegenover elkaar, in de Tweede Kamer tijdens de hoorzitting over het pensioenakkoord van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. ‘Voorzitter. Twee hooggeleerde heren en twee totaal verschillende inzichten over de Europese houdbaarheid van het nieuwe pensioenakkoord’, concludeert toenmalig kamerlid Roald van der Linde (VVD) al snel.

De leden van de commissie lijken er allerminst gerust op. ‘We willen alleen een hervorming doorvoeren waarbij wij een zekere zekerheid hebben’, zegt Omtzigt. ‘Het terugdraaien van een contracthervorming is een drama in 25 bedrijven’, voegt hij er even later aan toe. Omtzigt vindt dat de commissie moet overwegen een parlementair advocaat in te schakelen. Ook Van Meerten vindt het een goed idee als de commissie er een onafhankelijke derde bij haalt, een expert in EU-recht of interne-marktrecht. 

Van Meerten klaagt Nederland aan

Van Meerten laat Follow the Money weten dat hij ondertussen zelf een meer drastische stap zette: in juli 2021 heeft hij een officiële klacht ingediend bij de Europese Commissie in Brussel. Hij legt daarin zijn standpunt voor dat Nederland met directe discriminatie naar nationaliteit bij de grote verplichtstelling inbreuk pleegt op EU-recht

Op de vraag naar zijn motief voor deze actie antwoordt Van Meerten: ‘Academische nieuwsgierigheid. Ik ben al heel lang van mening, zoals ook blijkt uit mijn publicaties, dat de grote verplichtstelling compleet onhoudbaar is. Ik zoek bevestiging, of ontkenning, van mijn academische bevindingen.’ 

Volgens Van Meerten worden zijn bevindingen tot nu toe compleet ontkend of genegeerd. ‘Daar komt ook een deel van de motivatie vandaan om het in Brussel aan te kaarten.’ De Europese Commissie heeft laten weten Van Meertens klacht te onderzoeken.

De grote verplichtstelling is compleet onhoudbaar, ik zoek bevestiging of ontkenning van mijn academische bevindingen

Wat in de hele discussie over de Europese houdbaarheid van de verplichtstelling nogal eens ondersneeuwt, is het onderscheid tussen de grote en de kleine verplichtstelling. Van Meerten is er niet tegen om mensen te verplichten om samen solidair een pensioen op te bouwen. Maar dat kun je, volgens hem, ook bereiken door alleen een regeling verplicht te stellen, maar niet het fonds: alleen de kleine verplichtstelling dus. ‘Dan loop je ook nagenoeg geen risico meer dat je door Europa wordt teruggefloten’, zegt hij tegen Follow the Money. 

Volgens Erik Lutjens zou je een verplichtstelling aan alleen de regeling niet moeten willen. ‘Je moet je bedenken dat er in sommige bedrijfstakken duizenden werkgevers zijn, die dan allemaal zelf op zoek moeten gaan naar een pensioenuitvoerder. Als je het aan de deelnemer overlaat heb je het over miljoenen individuele keuzes. Dat is zo marktinefficiënt, dat wordt een chaos.’

Lutjens benadrukt dat het niet gaat om een zorgverzekering waarover je elk jaar opnieuw kunt beslissen. ‘Het gaat over de lange termijn bij pensioenen, langetermijnbeleggingen ook. Als je als individu makkelijk kunt overstappen, kun je je doelstellingen met pensioen niet meer waarmaken ’.

Het nieuwe pensioenstelsel is ingewikkeld, zeker ook op juridisch vlak. Duidelijk is dat onzekerheid over de houdbaarheid van de grote verplichtstelling boven de (Europese) markt blijft hangen. 

Dat is op zijn minst ongemakkelijk, gezien de aardverschuiving die met de transitie in gang wordt gezet. Naar verwachting zullen veel pensioenfondsdeelnemers, die geen nieuw contract willen, rechtszaken aanspannen. Die kunnen uiteindelijk terechtkomen bij het Europese Hof. 

‘Het blijft spannend’, zegt ook Mark Heemskerk, hoogleraar Pensioenrecht aan de Radboud Universiteit Nijmegen en advocaat-partner bij held law in Amsterdam. ‘Het risico is gelijk aan kans maal impact. De impact is zo groot. Als de grote verplichtstelling eraf gaat dan hebben we in Nederland een heel groot probleem.’

Probleem of niet, Bert van der Wees wil af van zijn verplichte deelname aan het ABP. Strijdvaardig: ‘Voor een vijfde van je leven zit je vast aan keuzes die je onbewust hebt gemaakt door ergens te gaan werken. Daar blijf ik me tegen verzetten, door druk uit oefenen op het ABP en de politiek en door de staat, via de rechter, te dwingen de wet aan te passen.’