© Creative Commons / by Erin A. Kirk-Cuomo

Gamma-onderzoekers: vooral goed in borstklopperij

Hoe komt het toch dat veel toonaangevende gammawetenschappers – economen, politicologen, bedrijfskundigen etc. – zo opscheppen over wat hun vakgebied de mensheid te bieden heeft? En waarom hangen ze in de media voortdurend de expert uit en blazen ze zo hoog van de toren? Dat vraagt gastcolumnist S. de Beter zich in zijn essay af. Lees zijn vlammende aanklacht tegen praatjesmakers.

‘Maatschappelijke organisaties, overheden, bedrijven en burgers zullen coalities moeten vormen met wetenschappers om samen de noodzakelijke kennis te creëren voor een robuuster Nederland. Wij stellen daarom voor om een aantal multidisciplinaire, publiek-private topconsortia in te richten voor de bestudering én de aanpak van urgente vraagstukken in de samenleving.’ Aldus het persbericht bij de aankondiging van de brochure 'Topconsortia voor samenlevingsvraagstukken’ die op 4 juli jl. is verschenen.

Zoals in Nederland gebruikelijk is, hebben vrijwel alle kennispartijen — verenigd in NWO en KNAW —  aan de totstandkoming van deze brochure meegewerkt, en natuurlijk zijn zij van mening dat voor de uitvoering van hun voorstellen ‘omvangrijke investeringen van tijd en geld noodzakelijk zijn.’ Kortom, net als de Topconsortia voor de Topsectoren willen zij ook mee-eten uit de overheidsruif.

Daar hebben ze een goede reden voor. ‘Op alle niveaus staat de wereld — Nederland inbegrepen — voor grote uitdagingen (…) en in elk van de uitdagingen spelen menselijke factoren uiteindelijk doorslaggevende rollen.’ Een ander argument dat het ook altijd goed doet, is de verwijzing naar wat er in het buitenland op dit gebied gebeurt, want internationaal achterblijven is natuurlijk het ergste wat je kan overkomen. Maar de brochure komt niet veel verder dan een verwijzing naar de Europese Commissie met haar ‘focus op thema’s als vergrijzing, krimp van de beroepsbevolking, groeiende immigratiedruk, gevoelens van onveiligheid, dalend vertrouwen in instituties en technologie, en overbelasting door mobiliteit.’

‘Nederlandse menswetenschappers staan internationaal in hoog aanzien’

Maar gelukkig lezen we verderop: ‘Nederlandse menswetenschappers staan internationaal in hoog aanzien. Ze spelen voortrekkersrollen in internationale samenwerkingsverbanden. Ze liepen voorop bij het afbreken van barrières tussen disciplines, en bij het ontwikkelen van meer interdisciplinaire concepten, theorieën en onderzoeks- en evaluatiemethoden.’ Er wordt echter niet vermeld welke Nederlanders deel uitmaken van die internationale voorhoede, dus we kunnen deze claims niet verifiëren.

Borstklopperij en dikdoenerij

Het is tekenend voor de rest van de korte brochure: veel borstklopperij en dikdoenerij, zonder namen en feiten te noemen. Zonder blikken of blozen wordt beweerd: ‘Zo wordt dankzij onderzoek belangrijke tijdwinst geboekt en het maatschappelijk draagvlak voor asielbeleid verbreed. (...) Met menswetenschappelijk onderzoek kan betrouwbaarder dan voorheen worden voorspeld hoe beleidsmaatregelen het gedrag van burgers zullen veranderen.’ 

Ik vind bètawetenschappers meestal een stuk boeiender dan gammawetenschappers, en bovendien veel bescheidener

De enige concrete verwijzing betreft de ‘gedragstoets’ van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) ‘die beleidsmakers rekening laat houden met de kennis, vaardigheden, motieven, persoonlijke omstandigheden en keuzeprocessen van burgers.’ U mag zelf beoordelen of deze gedragstoets toegevoegde waarde heeft, of dat dit het zoveelste speeltje voor het beleidscircuit is.

Hoe komt het toch dat veel toonaangevende gammawetenschappers zo opscheppen over wat hun vakgebied de mensheid te bieden heeft? En waarom hangen zij in de media voortdurend de expert uit?

Verschillen tussen bèta- en gammawetenschappers  

Ik heb in mijn loopbaan heel wat gesprekken gevoerd met onderzoekers uit zeer uiteenlopende disciplines en lezingen van hen bijgewoond. Wanneer zij over hun vakgebied praten, vind ik bètawetenschappers meestal een stuk boeiender dan gammawetenschappers, en bovendien veel bescheidener. Ze maken de indruk zich onderdeel te voelen van een gemeenschap van onderzoekers die bezig zijn de raadselen van de natuur te ontrafelen.

Gammawetenschappers daarentegen blazen vaak hoog van de toren en proberen eerder te imponeren dan te inspireren. Economen en bedrijfskundigen spannen de kroon: slechts weinigen kan ik betrappen op een diepe belangstelling voor hun vakgebied. Uit mijn eigen beroepservaring: met PhD-studenten kun je nog wel boeiende discussies voeren, maar de meeste docenten en hoogleraren zijn vooral druk bezig met publiceren, klagen over de studenten van tegenwoordig, of met het beklimmen van de academische apenrots.

Slechts weinig economen en bedrijfskundigen kan ik betrappen op een diepe belangstelling voor hun vakgebied

Ik heb sterk de indruk dat bèta-onderzoekers vooral worden gedreven door een interne motivatie, terwijl bij veel gammawetenschappers externe motieven de belangrijkste drijfveer lijken te zijn. Verschillen bij de instroom kan een van de oorzaken zijn: een bètastudie is alleen weggelegd voor nerds, harde werkers en doorbijters; voor scholieren die liever een wiskundig probleem oplossen dan chillen met leeftijdsgenoten. Voor een studie bedrijfskunde lijk je vooral over sociale intelligentie te moeten beschikken; om goed te kunnen inschatten welke theorieën en argumenten in de smaak vallen bij de docenten — en later bij het topmanagement. Bij economie moet je excelleren in de technieken die daar hoogtij vieren: wiskundige modellen en regressieanalyses. Belangstelling voor brandende economische problemen en inzicht in economische mechanismen zijn een stuk minder belangrijk.

De academische carrière is een fuik

Ho ho, zult u tegenwerpen, zelfs als deze kwalificaties een kern van waarheid bevatten, zeggen ze vooral iets over de gemiddelde student, en niets over de zeer kleine groep studenten die daarna voor een wetenschappelijke carrière kiest.

Bij die laatste groep is sprake van wat ik noem het ‘gouden kooi-mechanisme’: het is relatief gemakkelijk om binnen te vliegen en daarna kom je er niet meer uit. De enorme groei van het aantal studenten vanaf de jaren ‘60 had vooral betrekking op de gammadisciplines. Eerst bij vakken als sociologie en politicologie, daarna vooral bij bedrijfskunde en psychologie. Om die sterke toestroom te kunnen bedienen, waren er dus veel extra docenten nodig. Via een student-assistentschap rolde je al snel naar de positie van universitair (hoofd)docent en vervolgens naar die van hoogleraar. 


"Bij de gammawetenschappen geldt: als je naar het bedrijfsleven wilt, moet je niet te lang bij de universiteit blijven hangen"

In de bètawetenschappen moest je wel wat meer presteren om een academische carrière te maken, aangezien er vanwege de lage studenteninstroom minder vacatures waren. Bovendien verschilt het selectieproces enigszins. Bij de bèta's is het heel gebruikelijk om je carrière bij de universiteit te beginnen, om daarna over te stappen naar een R&D-afdeling in het bedrijfsleven. Vervolgens sluiten zij hun carrièrepad af met allerlei advies- en managementfuncties. Alleen de onderzoekers wier hart bij de wetenschap of het onderwijs ligt, gaan weer terug naar de universiteit of hogeschool.

Bij de gammawetenschappen daarentegen geldt: als je naar het bedrijfsleven wilt, moet je niet te lang bij de universiteit blijven hangen, want op wat oudere leeftijd hebben ze geen interesse. Bovendien, als je eenmaal een vaste aanstelling op zak hebt, zijn de arbeidsvoorwaarden bij de Nederlandse universiteiten behoorlijk aantrekkelijk; dus waarom zou je verkassen? Verder word je door de media vaak gevraagd om de ruimte tussen de reclameblokken te vullen, zodat je ego ook niet tekort komt.

Alles draait om toppublicaties

Dat groeiende leger van academische gamma’s wil natuurlijk onderzoek doen, want dat mogen hun bèta-collega’s ook — de ‘heilige’ koppeling tussen onderwijs en onderzoek. Op die manier worden de gamma’s van hun ‘zware’ onderwijslast bevrijd, en mogen ze naar buitenlandse conferenties op mooie plekken. Maar dan moeten ze wel veel toppublicaties produceren, want daar worden ze uiteindelijk op afgerekend. Degenen uit de economische subdisciplines zijn daarbij in het voordeel: met een kleine variant op bestaande wiskundige modellen en een regressieanalyse met behulp van beschikbare databases heb je al snel een artikeltje klaar. Geen wonder dat wereldwijd iedere 25 minuten een nieuw economisch artikel wordt gepubliceerd — en dat gaat dag en nacht door.

Geen wonder dat wereldwijd iedere 25 minuten een nieuw economisch artikel wordt gepubliceerd

Kortom, dat er zoveel economisch en sociaalwetenschappelijk onderzoek wordt gedaan — lees: gepubliceerd, en alleen bedoeld voor vakgenoten — is in hoofdzaak het resultaat van een aantal automatische koppelingen die veel te weinig ter discussie worden gesteld. In ieder geval heeft het weinig te maken met de bijdrage die deze wetenschappen zouden leveren aan het oplossen van brandende economische en maatschappelijke problemen. Het omgekeerde ligt meer voor de hand: zo is het vrij aannemelijk dat bepaalde ontwikkelingen in de economische wetenschap een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het ontstaan van de financiële crisis.

Niet het eeuwige leven

De enorme opeenstapeling van wetenschappelijke publicaties zou misschien niet eens zo’n groot probleem zijn als alle wetenschappen een cumulatief proces zouden doormaken, waarbij we geleidelijk steeds meer te weten komen over bepaalde verschijnselen. Bij de bètawetenschappen is deze stelling nog wel te verdedigen, en kan er een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen oude kennis — wat onze voorgangers hebben ontdekt — en nieuwe kennis — volgens de laatste stand van het onderzoek.

Juist omdat chemische en natuurkundige wetmatigheden in principe onafhankelijk zijn van plaats en tijd — de appel van Newton valt over 100 jaar nog steeds naar beneden volgens de wet van de zwaartekracht — kunnen we daarover steeds meer kennis vergaren. Bij de gammadisciplines heeft het onderscheid tussen oude en nieuwe kennis een geheel andere betekenis: nieuwe theorieën worden ontwikkeld omdat het studieobject — de sociale en economische werkelijkheid — veranderingen heeft ondergaan. Onderzoekers lopen als het ware voortdurend achter de feiten aan. Dat theorie A niet langer verschijnsel X kan verklaren, zegt dus meer over het laatste dan over het eerste. Anders gezegd: als theorie B een betere verklaring geeft, komt dat vooral doordat verschijnsel X is veranderd, dus van Xa naar Xb.

Gamma-onderzoekers lopen als het ware voortdurend achter de feiten aan

Neem bijvoorbeeld de theorie van de econoom Keynes, die stelt dat de hoogte van het bruto nationaal product (bnp) op korte termijn wordt bepaald door de effectieve vraag, dus door het niveau van de bestedingen. Deze theorie bleek vanaf het begin van de jaren ‘70 steeds minder adequaat om sommige macro-economische verschijnselen te verklaren en de effectiviteit van bepaalde beleidsmaatregelen te voorspellen. Deze discrepantie tussen theorie en praktijk kan worden toegeschreven aan de theorie als zodanig, maar ook aan het feit dat de economie zich sindsdien behoorlijk anders heeft ontwikkeld.

In het eerste geval wordt de Keynes’ theorie neergezet als ‘achterhaalde kennis’, die bovendien plaats moet maken voor nieuwe theorieën, zoals supply-side economics en monetarisme die daarna populair werden. In het tweede geval is het heel goed mogelijk dat de theorie van Keynes weer actueel wordt zodra er een nieuwe fase in de economische ontwikkeling aanbreekt. Zo zou invoering van kapitaalcontroles en een nieuwe variant van het Bretton Woods systeem de theorie van Keynes weer een stuk relevanter maken.

Het uitbannen van onwaarheid

Volgens de geschiedkundige John Lukacs is de opdracht van een historicus ‘het streven naar waarheid door het uitbannen van onwaarheid’. Dat zou naar mijn mening ook het hoogste ideaal van iedere gammawetenschapper moeten zijn. Omdat het — zeker in de sociale wetenschappen — nogal lastig is om vast te stellen wat ‘de waarheid’ is, en hoe we die kunnen kennen, is het vruchtbaarder dat sociale wetenschappers proberen te achterhalen wat — onder bepaalde omstandigheden — niet waar is. Deze opdracht sluit ook beter aan bij een zeer specifiek kenmerk van het gamma-domein. Het zijn namelijk niet alleen sociale wetenschappers die allerlei ‘theorieën’ hebben over hoe mens en maatschappij in elkaar steken of zouden moeten steken, de rest van de samenleving heeft — in toenemende mate — ook zijn eigen theorietjes. Anders dan bij de natuurwetenschappen vallen studiesubject en- object dus samen, en dan bij vrijwel iedereen.


"Gammawetenschappers kunnen zich beter beperken tot hun hoofdtaak: laten zien dat sommige gangbare verklaringen op denkfouten berusten of inmiddels achterhaald zijn"

Gammawetenschappers — en daar horen economen ook bij — moeten niet denken dat ze het beter weten dan de rest van de mensheid, en dus meer recht van spreken hebben. Al te vaak zijn zij immers de beste stuurlui die aan wal staan. De gammawetenschappers kunnen beter wat bescheidener zijn en zich beperken tot hun hoofdtaak: laten zien dat sommige gangbare verklaringen op denkfouten berusten, inmiddels achterhaald zijn, of uitsluitend onder zeer specifieke omstandigheden optreden. En aantonen dat bepaalde mensen, groepen en organisaties duidelijk belang hebben bij bepaalde verklaringen en theorieën, omdat zij hun positie en handelen daarmee kunnen legitimeren.

Dit betekent overigens niet dat gammawetenschappers als een soort academische onderzoeksjournalisten moeten gaan optreden en voortaan geen nieuwe theoretische concepten hoeven te ontwikkelen. Integendeel, de grote — en bescheiden — econoom Ronald Coase heeft bijvoorbeeld de concepten ‘transactiekosten’ en ‘eigendomsrechten’ geïntroduceerd om aan te tonen dat sommige toen dominante theorieën geen goede verklaring boden voor bepaalde fenomenen.

Kan het anders?

Zeker wanneer er allerlei belangen in het spel zijn, is het lastig om iets te veranderen dat al decennia of zelfs eeuwen zit ingesleten. Het is misschien al te moeilijk om blauwdrukken voor een veel omvattend alternatief te schetsen, al zijn er vruchtbare aanzetten gedaan door o.a. Henk Wesseling en Herman van den Bosch. We moeten in ieder geval af van de eenheidsworst die momenteel domineert, en veel meer mikken op diversiteit, gezonde wedijver en meer mogelijkheden voor trial and error op kleine schaal. Ik volsta hier met het ter discussie stellen van een aantal zaken die ten onrechte als vanzelfsprekend worden beschouwd.

De eerste is de koppeling tussen onderzoek en onderwijs. Ik ken geen bewijs dat deze combinatie — in de huidige vorm — voor betere docenten of onderzoekers zorgt. Ik wens iedereen in het onderwijs op gezette tijden de gelegenheid om te reflecteren op zijn vakgebied en de eigen kennis bij te spijkeren, maar waarom zou zo’n sabbatical alleen moeten gelden voor de universiteiten, en dan nog vrijwel uitsluitend voor hoogleraren en ‘toponderzoekers’ met veel publicaties? Als je wilt dat onderzoek doen een positieve invloed heeft op het onderwijs, richt dan een apart fonds op waar docenten — en niet alleen universitaire — een aanvraag kunnen doen voor onderzoeksactiviteiten die specifiek daarop gericht zijn.

Het is een misverstand dat alle wetenschappen over één kam geschoren moeten worden, en dus een gelijke behandeling verdienen

Een tweede misverstand is dat alle wetenschappen over één kam geschoren kunnen en moeten worden, en dus een gelijke behandeling verdienen. Bèta-onderzoek vereist meestal dure apparatuur en gespecialiseerde laboratoria, dus zijn er schaalvoordelen verbonden aan concentratie van onderzoekscapaciteit en aan samenwerking. Maar bij de alfa- en gammastudies levert concentratie eerder schaalnadelen op, zodat het beter is om het onderwijs juist kleinschaliger op te zetten; de university college bewijst dat het kan en dat het veel voordelen biedt voor zowel docent als student.

Inzetten op kleinschaligheid maakt het tevens mogelijk dat er meer ruimte komt voor diversiteit, niet binnen maar tussen organisaties. Onderwijs en onderzoek gedijen beter als er een gezonde wedijver bestaat tussen verschillende benaderingen. Meer samenwerking leidt er juist toe dat er een soort grootste gemene deler gaat ontstaan. Om het concreet te maken: het is geen goede zaak dat op alle economische faculteiten de neoklassieke benadering domineert, en dat wordt alleen maar erger als deze gaan samenwerken. Ruimte voor andere benaderingen zou veel beter zijn, maar dat zet alleen zoden aan de dijk als vertegenwoordigers van een bepaalde stroming de gelegenheid krijgen om een eigen studierichting of zelfs faculteit te formeren. Dan pas hebben studenten de keuzevrijheid die door economen met de mond wordt beleden maar in de praktijk vaak wordt bestreden. En pas dan kunnen werkgevers een duidelijke voorkeur uitspreken over welke scholing zij belangrijk vinden voor hun toekomstige werknemers.


"Onderwijs en onderzoek gedijen beter als er een gezonde wedijver bestaat tussen verschillende benaderingen"

Meer diversiteit

In de huidige samenleving ontstaat diversiteit gelukkig vaak vanzelf, althans in de cultuur en in het bedrijfsleven gebeurt dit wanneer nieuwe technologieën zich ontwikkelen. Maar dat geldt zeker niet voor alle onderdelen van het economisch en maatschappelijk leven. Integendeel, gevestigde belangen hebben er baat bij om concurrerende benaderingen in de kiem te smoren. Diversiteit moet dus vaak van bovenaf of van onderop worden georganiseerd, door overheersende vormen van uniformiteit tegen te gaan. Waarom hebben we bijvoorbeeld maar één CPB, SCP en PBL? Is het niet beter om op elk van deze drie terreinen enkele Decentrale Planbureaus op te richten, die elk hun eigen methodiek of theoretische benadering hanteren, zodat ‘de praktijk’ kan uitwijzen welke methodiek of benadering betere resultaten boekt?

En waarom hebben we eigenlijk slechts één NWO? Er is volgens mij geen enkele reden te bedenken waarom deze optie beter is dan twee verschillende fondsen die elk hun eigen criteria hanteren. En die ook hun eigen reviewers inhuren, waarvoor we tegenwoordig kunnen putten uit een groot internationaal reservoir.

Gevestigde belangen hebben er baat bij om concurrerende benaderingen in de kiem te smoren

We zouden zelfs nog een stap verder kunnen gaan door te experimenteren met de mogelijkheden om maatschappelijke groeperingen een eigen onderzoeksbudget te geven, zodat die zelf hun onderzoeksbehoefte kunnen definiëren. Dat is in ieder geval beter dan ze afhankelijk maken van bureaucratische topconsortia waar betweterige gammawetenschappers wel even vertellen hoe maatschappelijke problemen moeten worden aangepakt. En die ervoor zorgen dat deze aanpak resulteert in onderzoek dat uitmondt in een aantal toppublicaties, die alleen door hun vakgenoten worden gelezen — lees geciteerd.

Terecht is er veel kritiek op het neoliberalisme — een containerterm voor nogal uiteenlopende opvattingen — dat concurrentie invoerde op markten die daarvoor niet zo geschikt zijn, waardoor er maatschappelijke verspilling is ontstaan. Maar dat moet ons er niet van weerhouden om open te staan voor bepaalde vormen van wedijver die op sommige terreinen, zoals sociaalwetenschappelijk onderwijs en onderzoek, wel heel vruchtbaar kunnen zijn, mits er voldoende diversiteit wordt gecreëerd en de mensen om wie het gaat echt iets te kiezen hebben.

Deze column wordt in iets gewijzigde vorm ook gepubliceerd op http://eco-simpel.nl/

Over de auteur

S. de Beter is een pseudoniem, en wel hierom.

Naast talloze voordelen heeft internet ook een storend nadeel: er wordt meer op de boodschapper dan op zijn boodschap gelet. Anders gezegd: of een uitspraak of analyse positief of negatief wordt beoordeeld hangt vooral af van wie het zegt. Vóór de komst van het Internet was dit natuurlijk ook geen onbekend verschijnsel, maar met dit medium wordt het ons wel heel erg makkelijk gemaakt om de boodschapper te identificeren.

'Even googelen', voor heel veel mensen, en ik betrap mij daar zelf ook vaak op, is dit een reflex geworden als ze iets lezen of horen van iemand die ze nog niet kennen. Als er over die persoon niet veel te vinden is, worden zijn uitspraken al gauw een stuk minder serieus genomen: 'Als hij iets te vertellen zou hebben, was hij wel bekend geweest!' Om het op zijn Amerikaans te zeggen: 'If you are so smart, why aren't you famous?' Blijkt het daarentegen om een vooraanstaande auteur te gaan, dan wordt al gauw partij gekozen: voor of tegen, sympathiek of onsympathiek, duim omhoog of omlaag. Daarna is het bijzonder moeilijk om een objectief en onafhankelijk oordeel te vellen over wat die persoon heeft geschreven of ten gehore heeft gebracht. Hieronder twee voorbeelden van dit fenomeen.

Anonieme kwaliteit

Joshua Bell, een van de beste en meest beroemde violisten, heeft in 2007 meegedaan aan een experiment. Vermomd als straatmuzikant speelde hij in een metrostation in Washington D.C. Het resultaat was veelbetekenend: slechts 27 mensen van de meer dan 1000 voorbijgangers bleven staan om te luisteren

JK Rowling, de schrijfster van de wereldberoemde Harry Potter boeken, heeft enkele jaren geleden in het diepste geheim een detective geschreven, onder het pseudoniem Robert Galbraith. Zijn/haar boek werd door tal van uitgevers geweigerd, en toen het eenmaal gepubliceerd was, werden er slechts 1500 exemplaren verkocht. De verkoopcijfers schoten omhoog toen bekend werd dat JK Rowling en Robert Galbraith dezelfde persoon bleken te zijn.

Overigens heeft Joanne Rowling al eerder het ‘pseudoniem-effect’ leren kennen. Toen ze op zoek was naar een uitgever voor haar eerste Harry Potter boek, werd haar te verstaan gegeven dat jongens geen boeken zouden lezen die geschreven zijn door een vrouw. Door alleen haar initiaal te gebruiken, zou dat worden verbloemd. Enkel de "J" vond ze te weinig, dus werd er een initiaal bij bedacht.

Dorpsstraat Ons Dorp

Zeker als ze aan de universiteit zijn verbonden, vormen Nederlandse economen een soort dorpsgemeenschap, waar men over alles en iedereen een uitgesproken mening heeft en waar je al gauw in een hokje wordt gestopt. Uiteraard speelt zich dit in de ‘schemerzone’ plaats: bij de koffieautomaat of de borrel, dus niet en public; want dat zou tegenover niet-economen een slechte indruk maken. Bovendien worden de rijen gesloten als economische modellen door outsiders ter discussie worden gesteld. Zoals Dani Rodrik in zijn recente boek Economics Rules (2015; 172-173) stelt ' ...the guild mentality renders the profession insular and immune to outside criticism. The models may have problems, but only card-carrying members of the profession are allowed to say so'. Vrij vertaald: 'kritiek uiten op economische modellen mag alleen als u lid bent van het Enige Echte Economen-Gilde'.

Schrijven onder een pseudoniem biedt volgens mij de beste, en misschien zelfs de enige garantie dat mijn penvruchten op waarde worden geschat.

Lees verder Inklappen

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Gastauteur

Gevolgd door 289 leden

FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

Volg Gastauteur
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren