© Flickr / Generation Grundeinkommen

Garantie-inkomen laat arbeidsmarkt beter functioneren

    In het eerste deel van zijn serie over het basisinkomen, stelde S. de Beter het garantie-inkomen voor als een rechtvaardiger en werkbaarder alternatief voor het onvoorwaardelijk basisinkomen. In dit tweede deel richt hij zich op de gevolgen van dit garantie-inkomen voor de arbeidsmarkt.

    Toen ik hem vroeg hoe hoog de rekening zou uitvallen om de achterkant van mijn huis te laten schilderen, zei hij: ‘Dat hangt ervan af wanneer je het gedaan wilt hebben.’ Ik dacht aan het verschil tussen de zomer en het najaar, wanneer je wat minder vaak buiten kunt schilderen. Maar dat bedoelde hij niet. ‘Over zes maanden krijg ik mijn AOW, en dan kan ik het doen voor ongeveer de helft van de prijs die ik nu moet rekenen.’ Dit is in een notendop de toestand op de Nederlandse arbeidsmarkt, en gaat over een van de twee belangrijkste redenen waarom er een garantie-inkomen moet komen.

    Het witte circuit

    We leven in twee zeer uiteenlopende werelden. In de officiële wereld — het witte circuit — is arbeid duur, om allerlei redenen. Het gaat niet alleen om het verschil tussen bruto en netto — de sociale premies dus. Door de toenemende wet- en regelgeving hebben bedrijven allerlei extra mensen nodig, in loondienst of via een extern bureau, die ervoor moeten zorgen dat het uitvoerende personeel volgens de officiële regels te werk gaat. De complicaties die deze interactie tussen de directe en indirecte arbeid met zich meebrengt moeten vervolgens in goede banen worden geleid met behulp van allerlei managers — en die moeten op hun beurt ook weer worden aangestuurd. Door dit alles is ook het aandeel van de overhead meestal behoorlijk hoog, tenzij er heel stringent met zelfsturende teams wordt gewerkt, zoals bij Buurtzorg Nederland.

    Het grijze circuit

    De andere wereld wordt bevolkt door mensen die geen reguliere baan of zzp-positie hebben, maar toch iets om handen moeten hebben en/of verlegen zitten om extra inkomen. Zij kunnen of moeten hun arbeidskracht goedkoop aanbieden. Een gedeelte van hen heeft een AOW-uitkering, zoals mijn huisschilder over zes maanden. Zij mogen gewoon bijklussen, zolang ze de inkomsten maar opgeven voor de inkomstenbelasting. Die inkomsten gaan echter niet ten koste van hun AOW-uitkering. Een ander gedeelte doet het bijklussen stiekem, want voor zover het is toegestaan worden de inkomsten volledig van het uitkeringsbedrag afgetrokken, en dat vindt niemand aantrekkelijk en rechtvaardig.

    Vooral de laagopgeleiden zijn in het grijze circuit terechtgekomen

    Dat stiekeme bijklussen levert de staatskas geen extra inkomsten op — behoudens btw, als het verdiende geld wordt uitgegeven — want belastingen kunnen alleen worden geheven over officieel geregistreerde inkomsten of vermogens. Het brengt wel extra overheidsuitgaven met zich mee, in de vorm van ambtenaren die de uitkeringstrekker op stiekem gedrag moeten controleren — plus alle mensen die bezig zijn hem aan een echte, officiële baan te helpen, en die lijken niet erg succesvol te zijn. Vooral de laagopgeleiden zijn in het grijze circuit terechtgekomen: hun arbeidsparticipatie (= deelname in het witte circuit) ligt met 52 procent aanmerkelijk lager dan die van middelbaar- (74 procent) en hoogopgeleiden (84 procent).

    Dubbele dualiteit op de arbeidsmarkt

    De aantrekkelijkheid van het grijze circuit is niet het enige probleem op de Nederlandse arbeidsmarkt. Aan de aanbodkant is er een duidelijke scheiding tussen insiders en outsiders. Insiders hebben een vaste aanstelling met een redelijk omschreven functie die ze uitoefenen tot hun pensioen of — als ze pech hebben — tot de volgende ontslagronde. Outsiders — meestal jongeren, herintreders of mensen met een vlekje — hebben voortdurend tijdelijke aanstellingen, met relatief lage lonen.

    Matrix over de dubbele dualiteit op de arbeidsmarkt

    Aan de vraagkant van de arbeidsmarkt kun je onderscheid maken tussen sectoren waar de meeste bedrijven voldoende geld hebben om hoge lonen te betalen (sector 1), en sectoren die arbeidsintensief en laagproductief zijn, of om andere redenen last hebben van hoge loonkosten (sector 2). Bij de eerste categorie kun je denken aan hightechbedrijven, bepaalde overheidsorganisaties, grote banken en accountantskantoren, en andere bedrijven die zich relatief dure insiders kunnen veroorloven. Bij de andere groep gaat het om zorg- en onderwijsinstellingen, horeca, detailhandel en dergelijke, die — mede onder druk van bezuinigingen in de collectieve sector — voortdurend goedkope outsiders moeten inschakelen om de dienstverlening nog enigszins op peil te houden.

    Wet Werk en Zekerheid 

    Biedt de Wet Werk en Zekerheid (WWZ) een goede oplossing om deze problemen op de Nederlandse arbeidsmarkt het hoofd te bieden? Met deze wet, die op 1 juli 2016 zijn laatste fase inging, wil de regering ervoor zorgen dat outsiders op de arbeidsmarkt (I en III in de matrix) meer kans hebben om insiders te worden. Werkgevers willen juist meer flexibilisering, zodat ze de in hun ogen overbodige en ongeschikte insiders eerder kunnen lozen (II) of de loonkosten kunnen verlagen (IV). 

    De WWZ lijkt nog niet erg succesvol. De insiders blijven zitten waar ze zitten, tegen hetzelfde salaris en pensioenopbouw. De werkgevers blijven dus opgescheept met arbeidskrachten in vaste dienst die te duur of te weinig flexibel zijn. De problemen aan de aanbodkant worden daardoor eerder groter dan kleiner. Zolang er geen macro-economisch stimuleringsbeleid wordt gevoerd, dat extra stoelen moet opleveren in de stoelendans, komen er voor de outsiders geen nieuwe insider-stoelen beschikbaar. Het arbeidsleger van zzp’ers en tijdelijke werknemers groeit nog steeds. Naast het probleem van de lage verdiensten hebben zij vooral last van het ontbreken van zekerheden die zij nodig hebben om eigen huis te kopen of een gezin te stichten: volgens een EU-enquete in 2015 zei 25 procent van de Nederlandse ondervraagden niet uit te sluiten dat zij hun baan binnen een half jaar zouden verliezen. Daarmee komt ons land, na Spanje, op de tweede plaats! Ter vergelijking: in Duitsland had slechts 10 procent last van deze baanonzekerheid.

    "In 2015 zei 25 procent van de Nederlandse ondervraagden niet uit te sluiten dat zij hun baan binnen een half jaar zouden verliezen"

    Garantie-inkomen

    Een betere oplossing voor al deze problemen op de arbeidsmarkt is de invoering van een gegarandeerd inkomen, dat ik in de vorige aflevering heb vergeleken met het onvoorwaardelijke basisinkomen. De kerngedachte is dat mensen die over geen of weinig inkomen beschikken, geen inkomstenbelasting hoeven te betalen maar juist geld ontvangen van de Belastingdienst. Naarmate ze meer gaan verdienen, verschuift de balans van belasting ontvangen naar belasting betalen, waarbij het in iedere fase financieel aantrekkelijk is om een beter betaalde baan te krijgen.

    Ik zal de consequenties van dit garantie-inkomen illustreren aan de hand van de tabel hieronder, met overigens dezelfde getallen als in tabel 2 van de vorige aflevering. De tabel geeft hier een soort dwarsdoorsnede van de beroepsbevolking, die bij dit gedachte-experiment uit vijf personen bestaat. Ik schets eerst de situatie bij invoering, daarna de verschuivingen die naar verwachting in het eerste jaar zullen optreden.

    Persoon A heeft een baan noch een andere (witte) bron van inkomsten; zijn zelf verdiende inkomen is dus nul. Zijn jaarlijkse netto-inkomen (N) bestaat dan louter uit de negatieve inkomstenbelasting (IB). Persoon B heeft een tijdelijke baan waarmee hij 12.000 verdient of is een zzp’er die met allerlei opdrachten een vergelijkbaar bedrag bij elkaar sprokkelt. In termen van de matrix is hij de outsider die zorgt voor flexibiliteit (I) of lagere loonkosten (III). Die 12.000 euro vormt zijn bruto-inkomen, waarover hij vervolgens inkomstenbelasting moet betalen, in eerste instantie door de helft van zijn garantie-inkomen in te leveren, zodat zijn netto-inkomen 18.000 euro bedraagt. Persoon C heeft een matig betaalde baan en verdient daarmee 24.000 euro. Dat is ook zijn netto-inkomen, en hij betaalt geen belasting. Dit in tegenstelling tot persoon D, met een modaal inkomen van 36.000 euro, die 6.000 euro aan belasting betaalt. Zijn gemiddelde belastingtarief (gbt) bedraagt 17 procent. Tot slot is er ook nog een ondernemer, persoon E, die C en D in dienst heeft, en af en toe B inhuurt. Zijn bruto-inkomen bedraagt 72.000 euro, en hij betaalt daarover gemiddeld 33 procent inkomstenbelasting; we zien hier af van eventuele vennootschapsbelasting en allerlei andere specifieke zakelijke belastingen.

    Een betere oplossing voor al deze problemen op de arbeidsmarkt is de invoering van een gegarandeerd inkomen

    Het spreekt voor zich dat het hier gaat om een hypothetisch voorbeeld, en dat deze vijf personen in kwantitatief opzicht geen representatief beeld geven van de Nederlandse beroepsbevolking. Zo zijn er aanmerkelijk minder ondernemers dan modale en bovenmodale werknemers — tenzij je zzp’ers ook als ondernemers beschouwt. Dit model laat zien hoe de representanten van verschillende groepen op de arbeidsmarkt zich naar verwachting zullen gedragen bij invoering van het garantie-inkomen.

     

    Tabel: vergelijking tussen invoering van het garantie-inkomen en de vermoedelijke situatie een jaar later

    Toelichting: Y= zelf verdiend inkomen. Mbt= marginale belastingtarief. Gbt= gemiddelde belastingtarief. IB= te betalen inkomstenbelasting, te berekenen met de formule IB= (0,5 x Y) – G. N= netto-inkomen: Y – IB. 

    Alle bedragen zijn in duizenden euro’s per jaar.

    Oneerlijke concurrentie?

    Voormalige PvdA-bewindslieden Vermeend en Van der Ploeg zijn tégen een basisinkomen, onder meer omdat het tot concurrentievervalsing zou leiden. ‘Mensen met een gratis basisinkomen kunnen genoegen nemen met een lager salaris en zo de banen innemen van werknemers, terwijl de financiering van dit gratis geld nota bene door werkenden moet worden opgebracht.’ Bij een garantie-inkomen is er echter altijd sprake van een tijdelijk concurrentievoordeel: zodra iemand dankzij die ‘concurrentievervalsing’ meer geld gaat verdienen, raakt hij dat garantie-inkomen geleidelijk weer ‘kwijt’ — wat overigens bij een onvoorwaardelijk basisinkomen niet het geval is.

    Dat bij een garantie-inkomen werkzoekenden een minder hoog brutoloon nodig hebben, lijkt mij juist een maatschappelijk voordeel, zolang de netto-inkomens op peil blijven of zelfs stijgen. Want dat zorgt voor een daling van de loonkosten — en dus goedkopere producten — terwijl de bestedingen niet inzakken. Bovendien blijft het geld dan in het witte circuit, terwijl de huidige kloof tussen bruto- en nettoloon een van de factoren is die het grijze circuit zo aantrekkelijk maken.

    Dat bij een garantie-inkomen werkzoekenden een minder hoog brutoloon nodig hebben, lijkt mij juist een maatschappelijk voordeel

    De onderste helft van de tabel laat zien wat er naar verwachting zal gebeuren als het garantie-inkomen werklozen inderdaad stimuleert om meer (wit) te gaan werken. Als we afzien van aanvullend beleid en mogelijke multipliereffecten, is in het meest negatieve scenario te verwachten dat zij in eerste instantie werk ‘afpakken’ van zzp’ers en van mensen met laaggeschoold en laagbetaald werk — niet van persoon D, want deze insider is voorlopig beschermd door zijn vaste aanstelling, waarover straks meer.

    Stel dat persoon A maandelijks 400 euro gaat verdienen, dan is dat 4800 op jaarbasis, en dat B en C 20 procent minder gaan verdienen door een combinatie van minder werk en lagere lonen. Ik veronderstel verder dat de loonsverlaging de werkgever (E) in eerste instantie een bruto-voordeel van 2400 euro oplevert.

    Dit scenario lijkt nogal slecht uit te pakken, maar dat valt behoorlijk mee. Om te beginnen gaan B en C er netto veel minder op achteruit: 10 procent in plaats van 20 procent bruto. Bovendien zijn de loonkosten nu lager geworden. Bij voldoende concurrentie moet dat vooral in de arbeidsintensieve sector 2 voor goedkopere producten gaan zorgen, wat met name in het voordeel is van A, B en C. Een belangrijk winstpunt is verder dat de armoedeval is verdwenen en de arbeidsparticipatie flink stijgt. Ook niet onbelangrijk: iedereen heeft een fatsoenlijk inkomen, en heeft geen last meer van bemoeizuchtige ambtenaren op dit vlak. Tot slot hebben we een plattere verdeling van de netto-inkomens, en dus minder inkomensongelijkheid, terwijl de belastingdruk niet noemenswaardig lijkt toe te nemen voor de diverse groeperingen op de arbeidsmarkt.

    Economische rol van zekerheden

    Hoe zit het nu met persoon D, de insider op de arbeidsmarkt? Gaat deze zich anders gedragen door het garantie-inkomen? De werknemers in deze categorie zitten met een stevig salaris en een vaste aanstelling in een zeer comfortabele positie, zeker vergeleken met A, B en C. Niettemin krijgen na verloop van tijd — zo heb ik de indruk — heel wat mensen uit deze groep het gevoel dat ze terecht zijn gekomen in een ‘combinatie van gouden kooi en bullshitbaan’. Ze zouden hun comfortabele maar hectische of saaie baan het liefst vaarwel zeggen om voor een betere ‘leef-werkcombinatie’ te kiezen, of om een carrièreswitch te maken, maar dat is in de huidige situatie bijzonder lastig en riskant. Een garantie-inkomen, bij voorkeur in combinatie met onderwijsvouchers (een idee van Milton Friedman dat ik in de volgende aflevering zal behandelen), kan voor veel mensen voldoende zijn om hun veilige hokje te verlaten, zodat er weer ruimte komt voor al die mensen die wanhopig een vaste baan zoeken om eindelijk een gezin te stichten.

    Vaak wordt onderschat hoe belangrijk de economische rol van garanties en andere zekerheden is

    Vaak wordt onderschat — ook door de meeste economen — hoe belangrijk de economische rol van garanties en andere zekerheden is. Eén euro extra die levenslang is gegarandeerd is, normaliter evenveel waard — of zelfs meer — als twee euro extra die op ieder moment kan vervallen. Niet zozeer omdat de meeste mensen zélf risico-afkerig zouden zijn — zoals economen altijd veronderstellen doch nooit onderzoeken — maar omdat hun ‘transactiepartners’ meestal zekerheden eisen of een hogere prijs vragen als zekerheden ontbreken. Een bank wil jou best een hypotheek of andere lening verstrekken als je niet zoveel verdient, mits het om een gegarandeerd inkomen gaat. En je vrouw wil jou heus wel kinderen schenken — om het ouderwets te zeggen — mits de financiële basis voor een gezinnetje geregeld is. 

    Het garantie-inkomen geeft — zoals het woord al zegt — de garantie dat jouw inkomen niet beneden een bepaalde grens kan zakken, en dat boven die grens iedere euro extra voor de helft naar jouw portemonnee gaat. Vanuit dit oogpunt bezien kan het garantie-inkomen vooral voor zzp’ers zeer heilzaam zijn. Zij hebben momenteel de grootste moeite om een arbeidsongeschiktheidsverzekering te vinden die enigszins betaalbaar is, vandaar dat de meerderheid van de zzp’ers onverzekerd is tegen dat risico. Het garantie-inkomen is voor hen de goedkoopste verzekering die er is, namelijk gratis — natuurlijk tot op zekere hoogte, want als je veel verdient moet je ook bijdragen aan de financiering ervan, in de vorm van belasting.

    Waar het onvoorwaardelijke basisinkomen door Rutger Bregman aan de man wordt gebracht als ‘gratis geld’ — wat niet klopt, tenzij het nepgeld is — kan het garantie-inkomen met recht worden gekwalificeerd als ‘gratis zekerheid’. In de huidige maatschappij die wel flexibiliteit vraagt maar de benodigde zekerheden steeds moeilijker kan leveren, verdient invoering van een garantie-inkomen dus de hoogste prioriteit.

    Dit essay wordt ook gepubliceerd op mijn blog http://eco-simpel.nl/ 

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    S. de Beter

    S. de Beter is niet mijn echte naam. Ik koos voor een pseudoniem om de kans te vergroten dat mijn schrijfsels op waarde worde...

    Volg S. de Beter
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren