In dit pand aan de De Ruijterkade zat het pakhuis van kaashandelaar Mozes Poppelhouwer, die in september 1942 omkwam in Auschwitz. Enkele maanden later werd zijn pakhuis met veel winst verkocht aan de fima Lucas Bols. In 2014 werd het pand fors verbouwd. Alleen de gevel van het oude pakhuis is nog herkenbaar.
© Witho Worms

Huidige eigenaar plaatst gedenksteen bij geroofd Joods pakhuis in Amsterdam

De Duitse bezetter roofde tijdens de Tweede Wereldoorlog duizenden panden van Joodse eigenaren en verkocht ze aan foute Nederlanders. Publicaties van Follow the Money en Pointer wierpen nieuw licht op dit schandaal, dat na de oorlog in de doofpot is gestopt. De huidige eigenaar van een geroofd Amsterdams pakhuis heeft nu een gedenksteen voor de vroegere Joodse eigenaar laten maken.

We staan aan de De Ruijterkade in Amsterdam en kijken uit over het IJ. Sjoerd Nauta (78) herinnert zich nog hoe het hier een halve eeuw geleden was. De zware scheepsindustrie aan de overkant van het water, de pontjes die elke ochtend honderden arbeiders naar de stad brachten. In de jaren tachtig volgden de drugsverslaafden en prostituees, die vanaf de achterkant van het nabijgelegen Centraal Station over de kade uitwaaierden. 

Tegenwoordig liggen de pakhuizen aan de kade ingeklemd tussen kantoortorens, spoorlijnen, een trambaan en een cruiseterminal. De industrie is verdwenen, net als de junks en de hoeren. ’Het is hier gigantisch veranderd,’ zegt Nauta. ‘Wat hier de afgelopen dertig jaar is gebeurd, dat is bijna niet te geloven.’ 

Schoonmaakmiddelen

Het familiebedrijf van Nauta is al sinds 1932 aan de kade gevestigd. De familie Nauta bezit hier een stuk of zes panden, allemaal voormalige pakhuizen. Het pand waar we met onze rug naar toe staan, De Ruijterkade 127, is sinds 1986 familiebezit. Het doet tegenwoordig dienst als hotel.

‘Voordat wij het kochten, zat in dit pand een handelaar in scheepsbenodigdheden,’ vertelt Nauta. ‘Hij verkocht spullen die op de binnenvaart werden gebruikt: verf, accu’s, schoonmaakmiddelen. Je kunt het zo gek niet noemen of het lag hier wel ergens opgestapeld. Ik had zelf een bootje, dus kocht er wel eens wat.’

Geroofd door likeurstokerij Bols

Maar wat er tijdens de Tweede Wereldoorlog met het pakhuis gebeurde, was bij Nauta en zijn familie nooit bekend. Ze wisten niet dat het pand oorspronkelijk eigendom was van de Joodse kaashandelaar Mozes Poppelhouwer, die in Auschwitz werd vermoord. En ook niet dat het geroofd werd door likeurstokerij Lucas Bols, die er forse winsten realiseerde dankzij leveringen aan de Duitsers.

Nauta leerde deze geschiedenis pas vorig jaar kennen via een artikel van Follow the Money, geschreven in samenwerking met digitaal onderzoeksplatform Pointer (KRO-NCRV). ‘Ik wist dat het een kaaspakhuisje geweest was, meer niet. Na lezing van het artikel was ik er verbaasd over. Daarna dacht ik: wat een tragedie is er aan dit pand verbonden. Dat die mensen totaal verdwenen zijn. Opgegaan in rook, letterlijk.’

‘Je wilt niet dat zulke mensen zomaar zonder een spoor verdwijnen. Als ik iets heel kleins kan doen om ze een beetje terug te halen, dan moet ik dat proberen’

Het verhaal heeft hem geraakt. Hij heeft daarom besloten een gedenksteen bij het pakhuis te plaatsen met daarop de namen van Mozes Poppelhouwer, zijn vrouw en hun twee kinderen. Alle vier kwamen ze om in de concentratiekampen. 

‘Je wilt niet dat zulke mensen zomaar zonder een spoor verdwijnen,’ zegt Nauta. ‘Als ik iets heel kleins kan doen om ze een beetje terug te halen, dan moet ik dat proberen. Dat is in feite gewoon je plicht. Dat de mensen die hier langslopen er voortaan even bij stilstaan: Poppelhouwer, die man heeft dat pand laten bouwen. Apart. En dan gaan ze weer over tot de orde van de dag. Dan is toch even die naam genoemd.’

Joodse pandenroof in 225 gemeenten

Follow the Money deed afgelopen jaar samen met Pointer onderzoek naar de zogeheten Verkaufsbücher, de vastgoedboeken van de Duitse bezetter. In die boeken legden de Duitsers vast hoe ze 7.108 panden tijdens de oorlog van de oorspronkelijke Joodse eigenaren afpakten. 

Dat gebeurde lang niet alleen in grote steden met veel Joodse inwoners: de pandenroof kwam voor in 225 huidige Nederlandse gemeenten. Met de opbrengst – omgerekend zo’n 260 miljoen euro – financierden de Duitsers onder meer Jodentransporten en de bouw van kamp Westerbork. 

Met de opbrengst van de pandenroof financierden de Duitsers onder meer Jodentransporten en de bouw van kamp Westerbork

Het blijkt een verborgen zwarte bladzijde uit de Nederlandse oorlogsgeschiedenis. Van de betrokken gemeenten weet 80 procent helemaal niets van deze historie. ‘Gemeenten zijn niet altijd goed op de hoogte van wat er allemaal in het archief aanwezig is,’ zei NIOD-onderzoeker Hinke Piersma vorig jaar. ‘Dus ja, die meters archief liggen er wel, maar zijn lang niet allemaal ontsloten.’

Daar komt sinds onze publicaties verandering in. Zeker 34 gemeenten hebben inmiddels een onderzoek ingesteld naar de roof van Joodse vastgoed. Daaronder zijn grote steden als Eindhoven, Groningen en Maastricht, maar ook kleinere plaatsen als Meppel, Lochem en Zaltbommel. De gemeente Breda wilde aanvankelijk geen onderzoek instellen, maar deed dat na discussie in de gemeenteraad toch

Eerder deden alleen de vier grootste steden onderzoek naar de onteigening van Joods vastgoed tijdens de bezetting. In 2016 stelde Amsterdam 10 miljoen euro beschikbaar voor nabestaanden van slachtoffers, in 2019 trok Den Haag 2,6 miljoen euro uit voor ‘moreel rechtsherstel’. Afgelopen jaar volgden Rotterdam en Utrecht met compensatieregelingen

De roof van Mozes Poppelhouwers kaaspakhuis aan de De Ruijterkade was in meerdere opzichten opmerkelijk. Het ging om een groot bedrijfspand, dat tegen een recordpremie werd doorverkocht. De koper was een bekend Nederlands bedrijf: Lucas Bols is tegenwoordig een internationaal drankenconcern, beursgenoteerd aan het Damrak. Bols zegt niets meer van deze geschiedenis te weten

‘Dat een groot Nederlands bedrijf zich hier schuldig maakte aan oorlogswinstmakerij, raakte mij diep,’ zegt huidige eigenaar Sjoerd Nauta als we binnen in het pakhuis zitten. ‘Dat is verschrikkelijk, infaam, bijna ongelooflijk. De manier waarop dat is gegaan, hoe de toenmalige directie van Bols daar misbruik van heeft gemaakt: dat was voor mij een belangrijke aanmoediging om iets te willen doen.’

‘Dat een groot Nederlands bedrijf zich hier schuldig maakte aan oorlogswinstmakerij, raakte mij diep’ 

Geen oorlogswinstmaker

Het verhaal raakte ook zijn persoonlijke geschiedenis, vertelt Nauta. ‘Wij zijn een oude ondernemersfamilie uit Leeuwarden. Ik liep jarenlang rond met de vraag: zouden mijn opa en vader aan die moffen verdiend hebben? Ik heb gelukkig kunnen uitzoeken dat dat niet het geval was. Dat ik geen OW’er als voorvader had, een oorlogswinstmaker, heeft mij altijd heel veel gedaan.’

Het hoofdkantoor van het familiebedrijf in Leeuwarden had tijdens de oorlog een Joodse werknemer, die met zijn gezin naar Auschwitz werd gedeporteerd en daar werd omgebracht. In de Friese hoofdstad hielp Nauta enkele jaren geleden een nabestaande om Stolpersteine te plaatsen, om het gezin te herdenken. De gedenksteen voor Poppelhouwer vindt hij een logische toevoeging: ‘Dit pand krijgt toch nieuwe betekenis. Hiermee wordt het gezin een beetje teruggehaald, dat spreekt mij aan.’

Nauta vindt het belangrijk dat ook jongere generaties blijven leren over de Jodenvervolging: ‘Die mensen zijn destijds vanuit een relatief rustige omgeving ineens in die krankzinnige molen van het antisemitisme terechtgekomen. In die duivelse opzet terechtgekomen waarbij Joden werden ontdaan van alles wat ze hadden, uiteindelijk van hun leven. Door een bescheiden herinnering aan de voorgevel te hangen, wordt dat niet zo snel vergeten. Ik ben zelf pas in 1942 geboren, toch zit die oorlog helemaal in me. Het is voor mij nog vaak alsof het pas gebeurd is.’