• Omgekeerd bepaalt ook de verdeling van rijkdom de keuzes die gemaakt worden.
  • Wat dacht u van het ingrijpen van de "Chicago boys" in Zuid-Amerikaanse landen als experimenten.

Vandaag geen wiskunde, zo verzekert Niko Roorda zijn lezers; dus als je daar geen ster in bent: maak je geen zorgen. Maar weet wel: de eindconclusie van deze aflevering is een nieuwe mythe. Een die nog ernstiger is dan alle voorafgaande.

[Noot van de redactie, 11:40: helaas ontbraken aanvankeliijk de tweede figuur en de alinea's daaronder. Onze oprechte excuses.]

Na de lange reeks mythen van de afgelopen week, voorafgegaan door de mythe van de golfbewegingen, onderzoek ik nu een ander kenmerk van protowetenschap, namelijk het toepassen van methoden die in andere vakgebieden succesvol waren, zonder voldoende na te gaan of dat in het nieuwe vakgebied ook het geval is. Dat betreft onder meer de toepassing van wiskundige technieken. Ik ga vandaag geen wiskunde gebruiken, dus als je daar geen ster in bent: maak je geen zorgen.

De eindconclusie van deze aflevering is een nieuwe mythe. Een die nog ernstiger is dan alle voorafgaande.

2.5. Gekopieerde methoden

Tot nu toe heb je voorbeelden gezien van verschillende soorten activiteiten om een economische wetenschap tot stand te brengen. Het ging over schoolvorming, over patroonherkenning (zoals het vermoeden van golfbewegingen), en het ging over mythevorming. Maar kersverse wetenschapsontwikkelaars hebben nog meer opties. Zo kun je ook proberen om succesvolle methoden van andere wetenschapsgebieden na te bootsen. Maar dat gaat niet altijd goed.

Wetenschap en wiskunde

In zijn jonge jaren bedacht Isaac Newton, die later de doorbraak van de natuur- en sterrenkunde als wetenschap zou bewerkstelligen, een geheel nieuwe tak van de wiskunde: de differentiaalrekening. Voor zijn natuurkundige theorieën bleek deze vorm van wiskunde absoluut onmisbaar. Samen met andere innovaties, nieuwe instrumenten bijvoorbeeld, gaf de nieuwe wiskunde een krachtige impuls aan het ontstaan van het eerste wetenschappelijke vakgebied.

Bij het ontstaan in de 18e eeuw van het volgende grote wetenschapsveld, de scheikunde, was de wiskunde niet van grote betekenis. Sterker, in 1830 schreef filosoof Auguste Comte:

‘Elke poging om wiskundige methoden te gebruiken bij de studie van chemische vragen moet als zeer irrationeel worden beschouwd en in strijd zijn met de geest van de chemie... Als wiskundige analyse ooit een prominente plaats in de chemie zou moeten innemen – een aberratie die gelukkig bijna onmogelijk is – zou dat een snelle en wijdverspreide degeneratie van die wetenschap veroorzaken.’

Dat is in de chemie later allemaal drastisch veranderd. Maar bij de biologie, die in de 19e eeuw doorbrak, was er een geheel andere tak van de wiskunde die een onmisbare rol speelde. Dat was de kansrekening, die voor de erfelijkheidsleer, meer in het bijzonder voor de Wetten van Mendel, een cruciale betekenis had. Gregor Mendel, die de resultaten van zijn jarenlange experimenten met het kruisen van erwten in 1865 bekendmaakte, kreeg tijdens zijn leven weinig erkenning. Darwin kende zijn werk niet, dus de bijdrage van Mendel aan de biologie vormt een aparte ingang van het biologische succesverhaal.

De geneeskunde en de sociale wetenschappen hebben profijt van weer een andere tak van de wiskunde: de statistiek.

Uit dat alles kun je twee belangrijke lessen trekken. De eerste les is, dat de wiskunde vaak, maar niet altijd, een cruciale bijdrage heeft geleverd aan het ontstaan of de voortgang van een bepaald wetenschapsgebied. De tweede les is dat het van doorslaggevend belang is dat iedere tak van wetenschap zijn eigen methoden en technieken selecteert of zelf ontwikkelt. Het is naïef en verkeerd om de methoden van andere wetenschappen klakkeloos over te nemen, simpelweg omdat die daar succesvol waren.

Fysicalisering, simplificering

En wat deed de economie? Die trachtte om de successen van de natuurkunde te evenaren door er de methoden van te kopiëren. Dat proces wordt fysicalisering genoemd. Er zijn zelfs pogingen gedaan om het concept ‘zwaartekracht’ (‘gravity’) letterlijk over te nemen, teneinde handelsstromen te berekenen op basis van de economische omvang (de ‘zwaarte’) van handelende landen. Denk niet dat dat een primitieve beginnersfout was in de 18e eeuw of zo: de gedachte werd ingevoerd door Isard in 1954, uitgebreid door Jan Tinbergen en wordt, met de nodige ad hoc aanpassingen, nog steeds gebruikt.

Bij zo’n aanpak hoort natuurlijk, dat je net als in de fysica je grootheden van afkortingen voorziet en er wiskundige formules mee bouwt. Die taak is vooral gereserveerd voor een speciale onderafdeling, de econometrie. Daarin creëert men modellen in wiskundige taal. Zoals het Arrow-Debreu Model.

DSGE

Een paradepaard van de hedendaagse economie is de theorie van het Dynamic Stochastic General Equilibrium (DSGE). Even de termen uitleggen: Een evenwicht (equilibrium) is algemeen (general) als vraag en aanbod van alle producten en diensten gezamenlijk met elkaar in balans zijn. Het is stochastisch evenwichtig als het bestand is tegen willekeurig optredende schokken en verstoringen. En als het een dynamisch evenwicht is, blijft het in de loop van de tijd in balans, zelfs als diverse systeemgrootheden veranderen, zoals de arbeidsinzet en het nationale inkomen, doordat die voldoende met elkaar meebewegen onder invloed van krachten die elkaar in evenwicht blijven houden.

Het DSGE-principe lijkt daarmee behoorlijk op wat ik in hoofdstuk 1 definieerde als de opdracht van de omniconomie: de Brede Holle Weg. Die overeenkomst is heel mooi. Maar de econometristen gingen een flinke stap verder, door aan het model wiskundige vormen te geven. Een populair voorbeeld is het Arrow-Debreu Model. De ontwerpers ervan bewezen strikt mathematisch dat Léon Walras in 1854 gelijk had: in een perfecte markt is altijd een situatie mogelijk waarin evenwicht bestaat. Nauwkeuriger gezegd: Onder bepaalde economische aannamen moet er op theoretische gronden noodzakelijk een samenstelling van prijzen zijn, zodanig dat het totale aanbod van goederen en diensten gelijk is aan de totale vraag daarnaar. Tot de noodzakelijke aannamen behoort onder meer een perfecte concurrentie, dus een perfecte markt zonder enige overheidsbemoeienis.

Een opvallende zwakte van het Arrow-Debreu Model is dat het weliswaar theoretisch aantoont dat elke perfecte markt een dynamisch evenwichtspunt moet bezitten, maar niet hoe stabiel dat evenwichtspunt is. Het bewijs sluit niet uit dat een uiterst kleine (‘stochastische’, dus willekeurige) verstoring te groot is voor de stabiliteit, waardoor het systeem uit de hand loopt. Herinner je je Figuur 1.7 uit hoofdstuk 1? Ik heb hem voor je gemak even herhaald, in het linker gedeelte van Figuur 2.10. Bovenop de berg is een klein stabiel gebiedje – het kuiltje – maar er is weinig verstoring nodig om buiten dat evenwichtsgebied te geraken. Bij het zien van deze bergtop, met afgronden aan alle kanten, lijkt zo’n DSGE-model toch opeens veel minder op mijn Brede Holle Weg dan voorheen.

Daar komt bij, dat de voorwaarden die Arrow & Debreu hanteren hun model wel erg ver weg van de werkelijkheid plaatsen. Als symbool voor die extreme vereenvoudiging heb ik een tweetal andere figuren uit hoofdstuk 1 (Figuur 1.18 en 1.19), waarin ik de economische versimpeling symbolisch tekende, herhaald in het rechter gedeelte van Figuur 2.10.

Daarom roept dit DSGE-model een vraag op. Wat heeft het voor zin om mathematisch te bewijzen dat een geïdealiseerd, ver van de werkelijkheid staand systeem theoretisch in een toestand van evenwicht moet kunnen verkeren, als je (a) daarbij niet aantoont dat dat een stabiel evenwicht is, en (b) gewoon weet dat het model totaal niet klopt? Het werkelijke systeem is al eeuwen niet in evenwicht, integendeel: het raakt steeds weer zo ernstig uit evenwicht dat er aldoor rampen optreden. En er zijn tal van dreigingen die kunnen veroorzaken dat het systeem in de niet te verre toekomst volledig zal exploderen. Waarom heb je het dan eigenlijk überhaupt over zo’n model?

Figuur 2.10. Herhaling van enkele figuren uit hoofdstuk 1

Economische kritiek uit eigen kring

Gelukkig mag ik een flinke kanttekening bij dit hele verhaal plaatsen. Niet alle economen zijn zo naïef, in tegendeel. Er is genoeg kritiek op dit soort versimpelde modellen uit de hoek van de economie zelf. Ik geef een paar citaten. Ik begin met Joseph Stiglitz, die al eens eerder werd genoemd. Hij was hoofdeconoom van de Wereldbank en winnaar van de Nobelprijs voor Economie. Hij schreef vorig jaar:

‘Ik geloof dat de meeste kerncomponenten van het DSGE-model verkeerd zijn: zozeer verkeerd dat ze niet eens een goed uitgangspunt bieden voor het opbouwen van een goed macro-economisch model.  Dat heeft betrekking op (a) de theorie over consumptie; (b) de theorie over verwachtingen, zowel rationele als intuïtieve verwachtingen; (c) de theorie over beleggen; (d) het model van representatieve agenten (…); (e) de theorie van financiële markten en geld; (f) aggregatie (…); (g) schokken, de bronnen van verstoring van de economie; en (h) de theorie van aanpassing aan schokken.’

Dat heeft kortom betrekking op zo’n beetje alles van het favoriete model van het hedendaagse economische denken.

Als volgende citeer ik Ricardo Reis. Hij was een van de jongste hoogleraren ooit aan Columbia University, voordat hij een professoraat aanvaardde aan de London School of Economics. Ook Reis was niet mals toen hij, refererend aan de Geldmythe en aan de Grote Recessie van 2008, schreef:

‘Een (…) kritiek op de macro-economie is dat het financiële factoren negeert. Macro-economen hebben blijkbaar de crisis niet voorspeld omdat ze verliefd waren op modellen waarbij financiële markten en instellingen ontbraken, omdat alle financiering als efficiënt werd beschouwd.

De derde die ik aanhaal is Olivier Blanchard, hoofdeconoom van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) van 2008 tot 2015. Hij schreef over DSGE:

‘De huidige DSGE-modellen (...) zijn niet alleen gebaseerd op het vereenvoudigen van aannames, zoals elk model moet doen, maar de aannames zijn sterk in tegenspraak met wat we weten over consumenten en bedrijven.’

‘Het nieuw-Keynesiaans model, waaraan de DSGE's hun botstructuur ontlenen, bestaat uit drie vergelijkingen (...). Tenminste de eerste twee zijn ernstig vervormde beschrijvingen van de werkelijkheid.’

‘De modellen komen (...) met een zeer groot aantal te bepalen parameters, zodat een klassieke schatting van de volledige reeks onhaalbaar is. Dus wordt een aantal parameters a priori ingesteld via ‘kalibratie’. Deze aanpak (...) is zeer verdacht.’

Over een oplossing voor de eeuwige strijd tussen de economische scholen is Blanchard ronduit vernietigend:

‘Het nastreven van een algemeen aanvaarde analytische macro-economische kern, waarin discussies en uitbreidingen kunnen worden gevonden, zou wel eens een waandenkbeeld kunnen zijn.’

Als dat vermoeden klopt, zal de macro-economie dus nooit meer kunnen worden dan een protowetenschap. Ik denk dat hij gelijk heeft, want een volwassen wetenschap kan pas ontstaan als het vakgebied ruimer wordt gedefinieerd en er een complete omniconomische wetenschap wordt ontwikkeld.

Dat betekent in feite, dat het huidige vakgebied ‘economie’ zelf een mythe is. Niet alleen om de genoemde redenen, ook nog om een andere. Om die aan te tonen laat ik eerst zien hoe de reeds genoemde Joseph Stiglitz het vakgebied definieert. Het citaat komt uit de vierde editie van zijn gezaghebbende universitaire studieboek over economie, een editie waaraan is meegewerkt door Carl Walsh.

Economie is het vakgebied dat:

‘bestudeert hoe individuen, bedrijven, overheden en andere organisaties in onze samenleving keuzes maken en hoe deze keuzes het gebruik van de hulpbronnen door de samenleving bepalen. Waarom koos de consument in de jaren ‘70 voor kleine, energiezuinige auto’s en in de jaren ‘90 voor grote sportauto’s? Wat bepaalt hoeveel personen werken in de gezondheidszorg en hoeveel in de computerindustrie? Waarom steeg de inkomenskloof tussen arm en rijk in de jaren tachtig? Om te begrijpen hoe keuzes worden gemaakt en hoe deze keuzes van invloed zijn op het gebruik van de hulpbronnen van de samenleving, moeten we vijf concepten onderzoeken die een belangrijke rol spelen: afwegingen, prikkels, handel, informatie en verdeling.

  1. Keuze heeft te maken met afwegingen: besluiten om meer uit te geven aan één ding laat minder over aan iets anders; meer tijd besteden aan het studeren van economie laat minder tijd over om natuurkunde te studeren.
  2. Bij het maken van keuzes reageren individuen op prikkels. Als de prijs van Zen MP3-spelers daalt ten opzichte van de prijs van iPods, is er een grotere stimulans om een ​​Zen te kopen. Als de salarissen voor ingenieurs stijgen ten opzichte van de salarissen van mensen met een MBA, is er een verhoogde prikkel om te kiezen voor een ingenieursdiploma in plaats van een bedrijfsdiploma.
  3. Wanneer we met anderen handelen, wordt ons keuzeaanbod groter.
  4. Intelligente keuzes maken vereist dat we informatie hebben en gebruiken.
  5. Tot slot bepalen de keuzes die we maken – over hoeveel onderwijs we wensen, welk beroep we kiezen en welke goederen en diensten we kopen – de verdeling van rijkdom en inkomen in onze samenleving bepalen.

Deze vijf concepten definiëren de kernideeën die essentieel zijn voor het begrijpen van de economie. Ze begeleiden ook de manier waarop economen nadenken over thema’s en problemen. Leren ‘denken als een econoom’ betekent, leren hoe de afwegingen en prikkels waarmee men geconfronteerd wordt, de implicaties van afwegingen, de rol van informatie en de gevolgen voor de verdeling kunnen worden ontdekt.’

In deze breed aanvaarde definitie gaat het over verdelen, over handel, over productie en consumptie. Tegelijk missen er tal van essentiële aspecten, en dat maakt de definitie fundamenteel verkeerd.

Vergelijk het eens met een businessplan voor een bedrijf. Wat zou je denken, als je in dat plan van alles leest over de klanten en over de producten of diensten die de onderneming aan hen levert; maar helemaal niets over de toeleveranciers, de inkoop van grondstoffen, het voorraadbeheer, een vergelijking van de uitgaven en de inkomsten en de fysieke vestigingsplaats? Een dergelijk plan zou ernstig incompleet zijn. Ging je met zo’n plan naar een bank om financiering te krijgen, dan zou je een dikke onvoldoende krijgen – en geen geld.

Beschouw nu – voor even – de wereldeconomie als een onderneming. Laten we die de ‘BV Planeet’ noemen. In het Engels: ‘Planet, Limited’, afgekort ‘Planet, Ltd’. De grote toeleverancier is in dat geval vanzelfsprekend de natuur. De verkrijging van grondstoffen wordt verzorgd door de landbouw en de mijnbouw. Het voorraadbeheer heeft niet alleen betrekking op half- of eindproducten maar ook op grondstoffen en energie, en dus ook op de toekomstverwachting omtrent de leveringszekerheid, dat wil zeggen op het behoud van de natuur.

De vergelijking tussen inkomsten en uitgaven heeft aan de ene kant betrekking op de financiële en andere inkomsten uit de productie, en aan de andere kant op de uitgaven in de vorm van ontlening aan de natuur, inclusief schade, verlies en risico’s. De winst zou gedefinieerd moeten zijn als het verschil daartussen. Maar in werkelijkheid wordt de ‘winst’ die landen jaarlijks boeken, gedefinieerd als het bruto binnenlands product (bbp), uitsluitend berekend op basis van de inkomstenkant en geeft dus per definitie een verkeerde uitkomst. Het bbp is een impetuswoord. Hetzelfde geldt voor de optelsom van de bbp’s, de jaarwinst van de gehele wereld: het Gross World Product (gwp), dus het Bruto Wereldproduct (bwp).

Tenslotte: wat de fysieke vestigingsplaats betreft: voor de wereldeconomie is dat uiteraard de planeet Aarde. Waar een bedrijf voor ieder investeringsplan (wettelijk verplicht!) een milieueffectrapportage (MER) maakt, daar ontbreekt zo’n MER in het ‘businessplan’ zoals Stiglitz en Walsh het definieerden.

Een definitie van ‘economie’ die zulke essentiële aspecten volledig negeert is verregaand incompleet. Kun je nog duidelijker laten zien dat de economie de natuur ten onrechte als een externaliteit beschouwt? Dit alles bewijst dat het verhaal genaamd ‘economie’ niet deugt. Het is een mythe.

De Mythe van de Economie: Economie is een zelfstandig vakgebied met de status van wetenschap, met een afgebakend studieterrein.

Gebrek aan experimenten

‘Jammer voor de werkelijkheid’, schreef ik een paar pagina’s terug. Dat had betrekking op de talloze situaties waar de economische modellen iets anders beweren dan wat we in de echte wereld terugzien. Dat lijkt op de situatie in de middeleeuwen, waarover ik in het begin van dit hoofdstuk schreef:

Zulke beweringen werden niet regelmatig empirisch getoetst. Dat was geen wonder, want niet alleen de juiste apparatuur ontbrak daarvoor, ook de interesse. Het testen van vermoedens werd vooral in het hoofd gedaan en niet met de ogen: intuïtie en gevoel voor logica waren de toetssteen, niet de waarnemingen.

Inderdaad is de interesse in empirische toetsing van economische modellen niet groot. Maar eerlijk is eerlijk: het vakgebied beschikt ook niet over een heel groot scala aan mogelijkheden om experimenten uit te voeren. Waar bij andere vakgebieden uitgebreid gelegenheid is om een experiment talloze malen te herhalen, al dan niet voorzien van variaties, daar heeft de economie weinig tot zijn beschikking.

Je kunt ruwweg vier categorieën van experimenten onderscheiden die de economie kan inzetten.

In de eerste plaats zijn er de onderzoeken naar het gedrag van mensen: in hun rol van verantwoordelijke burger, in die van consument, of in die van professional in een werkomgeving. Feitelijk gaat het hier eerder om psychologische of sociale dan om economische experimenten. Een nadeel van zulke experimenten is dat ze bijzonder moeilijk reproduceerbaar zijn. In de laatste jaren zijn tal van oude onderzoeken herhaald, waarbij vaak bleek dat de eerdere resultaten niet bevestigd werden. Een ander bezwaar is, dat de experimenten doorgaans kleinschalig zijn en weinig zeggen over het gedrag van veel grotere groepen mensen, terwijl dat is waar de studie van de wereldeconomie behoefte aan heeft.

De tweede categorie experimenten is wel echt van economische aard. Het gaat daarbij om lokaal opgezette economieën, vaak met een eigen munt- of ruilsysteem, meestal met alternatieve visies op de relaties tussen mensen, bedrijven en de natuur. Permacultuur, biologische landbouw, lokale producten en voedselparken en ‑bossen behoren tot de kernwoorden van deze benadering. De kracht, en daarmee tegelijk de zwakte van deze experimenten is dat ze plaatsvinden op een schaal waar de afstand tussen de mensen klein is. Vaak kent iedereen elkaar, of in elk geval is zelfs de hoogste ‘degree of separation’ maar klein. Deze lokaliteit met het daaruit voortvloeiende ‘wij-gevoel’ is een belangrijke factor in het succes. De zwakte, gezien vanuit macro-economisch perspectief, is dan ook dat er een grote kans is dat deze experimenten falen zodra je probeert om ze op te schalen naar de omvang van een groot land of zelfs de hele wereld.

In de derde categorie worden bestaande bedrijven, overheden en andere organisaties bestudeerd. Hun kenmerken en gedrag worden afgezet tegen de resultaten die ze behalen, in positieve zin (financiële winst, maatschappelijke bijdrage) of in negatieve (schade en vervuiling, overlast en gevaar, gebruik van schaarse grondstoffen). De schaal van zulke onderzoekingen varieert; de herhaalbaarheid is meestal maar klein.

En dan is er tenslotte een categorie van experimenten die werkelijk grootschalig is. De invoering van de euro is er een voorbeeld van, net als Brexit, het vertrek van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, die trouwens zelf ook zo’n experiment is. Niet alleen zijn zulke experimenten zelden of nooit herhaalbaar, ze houden bovendien een enorm risico in. Dat blijkt uit andere voorbeelden van zulke experimenten: de invoering van het communisme in de Sovjetunie, eerst vormgegeven onder leiding van Lenin en daarna van Stalin, en de Chinese variant daarvan, ingevoerd door Mao Zedong. Beide experimenten zijn rampzalig verlopen en veroorzaakten de dood of andere ellende voor honderden miljoenen mensen. Niet alleen zijn zulke experimenten niet herhaalbaar, ze zijn ethisch ontoelaatbaar.

En dus kampt de economie met een lelijk probleem. Is het gebrek aan mogelijkheden voor relevante grootschalige en herhaalbare experimenten de oorzaak van het gebrek aan interesse in empirische toetsing? Of komt dat voort uit eigenbelang van de vaak vermogende onderzoekers en bestuurders, die misschien meer geïnteresseerd zijn in handhaving van de gevestigde orde dan in nieuwe experimenten? Wellicht is het allebei een beetje waar.

Conclusie: protowetenschap

Denk nu even terug aan de definitie die ik gaf van ‘protowetenschap’. Daarin staat een checklist van zeven eigenschappen. Daarvan heb ik er nu vijf besproken: een veelheid aan scholen; mythen die het vakgebied domineren; gekopieerde, niet goed toegepaste methoden; overversimpeling; en een gebrek aan empirische toetsing. Op alle vijf eigenschappen scoort de economie hoog.

Over een ander kenmerk, een gebrek aan succes, gaat het gehele volgende hoofdstuk. Vooreerst resteert nu één ander kenmerk: impetuswoorden in de economie.

Tenslotte

Over scholen gesproken: dankzij de hulp en de adviezen van FtM-lezers heb ik de afbeelding die ik daarover op 10 maart liet zien bijgesteld. Dank aan de commentatoren! Het (voorlopige) resultaat laat ik hier zien. Verdere opmerkingen zijn vanzelfsprekend welkom.

Figuur 2.2 (bijgesteld). Enkele economische scholen

Impetuswoorden (ik introduceerde de term op 3 maart) in de economie, ik kondigde ze zojuist aan: die vormen het onderwerp van de volgende aflevering, waarmee ik Hoofdstuk 2 ga afronden.

Misschien vind je het prettig om een overzicht te krijgen van de gepubliceerde en de geplande hoofdstukken. Je kunt de inhoudsopgave downloaden. Dat geldt ook voor de literatuurlijst.

Een korte introductie van het boek is beschikbaar in het Nederlands en het Engels.

Tot volgende week.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 732 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1295 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier