© @ CC0 (publiek domein)

  • Dat zijn dus geen betaalmiddelen maar ruilmiddelen. Dus geen geld maar een goed.
  • Moet staan: Privaat fiat geld
  • Hoe komen we nu weer opeens op goud? Goud is geen geld.
  • Juist niet. Liefst van goedkope materialen omdat het vertrouwen komt door de wettelijke verankering.
  • Vanaf eind jaren '70 ontstonden tekorten en werd vooral Duitsland een overschot land. Waardoor het Bretton Woods systeem onhoudbaar werd.
  • De reden is dat Amerika een overschot land was dat de Dollar kon recyclen.
  • Yanis Varoufakis behandeld het ontstaan vna Bretton Woods in 'And the Weak Suffer as they Must?'.
  • Het heeft ook met de seizoenen te maken. Als vlees wilde ruilen voor graan dan kon dat alleen na het oogsten van het graan.

Heel vroeger bestond er geen geld: je moest zelf maar uitvogelen hoeveel kippen je voor je paard kon krijgen. Tegenwoordig wisselen we papieren biljetten uit waarvan de waarde op niets anders is gestoeld dan ons vertrouwen in de overheid. Hoe is dat zo gekomen? In deze aflevering neemt Niko Roorda je mee door de geschiedenis van het geldstelsel.

Wat ís geld eigenlijk? Dat was de vraag waarmee aflevering 7 eindigde. En waarmee aflevering 8 dus begint. Die vraag is nog niet zo eenvoudig, want ik ga je laten zien dat er heel wat verschillende definities van ‘geld’ te geven zijn. 

Om dat goed te kunnen doen, neem ik je mee door de eeuwen heen. Daarbij volgen we de geschiedenis van het geld. Dat gebeurt in twee afleveringen, want het verhaal is echt te omvangrijk om in één aflevering te persen. Vandaag presenteer ik dus paragraaf 2.3, over de geboorte van het geld. Volgende keer, over twee weken, gaat het verhaal van paragraaf 2.4 over de verdere abstrahering van het geld, die net zolang doorgaat tot het zo’n beetje onzichtbaar is geworden.

Het wordt een verhaal met veel plaatjes, een soort stripverhaal.

2.3. De geboorte van geld

In het begin was het allemaal nog niet zo ingewikkeld. Eerst was er helemaal geen geld; daarna bestond het uit schelpjes of goudstukken. Die kon je gewoon vastpakken, je kon erin knijpen, je kon ze tellen. Lekker concreet, lekker WYSIWYG: What you see is what you get. Maar dat bleef niet zo.

Pecunia

Ruilhandel was simpel te begrijpen. Denk nog maar eens terug aan de eigenaar van kippen die, op zoek naar een paard, onderhandelde over de vraag of tienduizend kippen genoeg waren als betaling. Dat was volkomen concreet. Wel moet gezegd worden dat er bij dit voorbeeld een zekere mate van vertrouwen aan te pas kwam — bijvoorbeeld over de vraag of het paard in deze ruil wel echt 6 jaar oud was, en niet 12 (Jewison, 1971).

Ook de grootste bezwaren tegen ruilhandel zijn al genoemd: zo kan het wat onhandig zijn om de ruilgoederen te vervoeren, zeker als ze zwaar, levend of bederfelijk zijn. En: wat is de dagwaarde van de wisselkoers tussen paarden en kippen?

Daarom begon geld zijn carrière in de menselijke samenleving: het was een handig middel om het ruilen (betaalmethode 1, figuur 2.5) te vergemakkelijken (Dalton, 1965). Of misschien was geld aanvankelijk vooral een middel om elkaar krediet te geven (zoals ook wel vermoed wordt door bijvoorbeeld Keynes, 1914). Of juist als manier om geschenken over te dragen (Eisenstein, 2011), die dan weer handig aan anderen konden worden doorgegeven.

Nadat geld een tijdlang bestond uit natura zoals schelpen of schapen (methode 2, figuur 2.6), nam het meer en meer de vorm aan die we intuïtief koppelen aan traditioneel geld: echte munten, oftewel methode 3 (figuur 2.7). Liefst waren deze munten van goud of zilver, want deze edele metalen gaven veel vertrouwen.

Geld bleek niet alleen nuttig om handel te bedrijven: ook voor de belastinginning, en dus voor de handhaving van de gevestigde orde, was het een uitstekend middel. Vanaf dat moment ging het ‘recht van de sterkste’ niet langer over wie de meeste spieren of wapens had: vanaf nu waren de ‘sterksten’ de financieel oppermachtigen. Dat was veel beschaafder.

Case 2.2. Pecunia non olet

Abominationem! (Gadverdamme!): Dat moet Titus zo ongeveer gedacht hebben toen zijn vader Vespasianus, Keizer van het Romeinse Rijk, in het jaar 70 na Christus de vectigal urinae opnieuw invoerde: de urinebelasting. Maar de arme keizer moest wel: hij kampte met een enorm begrotingstekort, nadat Rome geplaagd was door een reeks financiële tegenslagen. Zijn voorganger Nero had de eeuwige stad in brand gezet, waarna het vierkeizerjaar 69 tot chaos had geleid, die ook nog eens werd versterkt door een opstand van de Batavieren.

De urinebelasting moest betaald worden door de eigenaren van publieke pispotten. Daarin konden buurtgenoten en voorbijgangers hun blaas legen. De urine was een nuttige grondstof, bijvoorbeeld voor wasserijen en volders (wol-vervilters) en als kleurstof. De eigenaren van de urinalen verdienden aardig met de verkoop, en dus moesten ze ook maar eens belasting betalen, vond de keizer.

De pispotten werden vanaf dat moment spottend vespasiani genoemd. Zo heten ze in Italië nog steeds, net als in Frankrijk: vespasiennes.

Volgens de schrijver Suetonius (121 AD, 23:3), die het leven van Vespasianus en van andere keizers registreerde, protesteerde Titus bij zijn vader. Maar die stak koeltjes een gouden munt omhoog die afkomstig was van de eerste inning, en informeerde of die soms stonk (aldus Suetonius). Toen Titus ontkennend antwoordde, riep de keizer triomfantelijk: ‘Atqui e lotio est’ ( ‘Toch komt die uit de urine!’).

Hoewel Vespasianus het zelf nooit zo letterlijk gezegd heeft, vatten anderen zijn uitspraak later samen als pecunia non olet: Geld stinkt niet.

Lees verder Inklappen

De introductie van munten betekende dat er in hogere mate dan voorheen een beroep werd gedaan op vertrouwen. De vorige betaalmiddelen waren rechtstreeks nuttig (schapen, zout) of op zijn minst mooi om te zien (schelpen aan een halsketting). Munten waren weliswaar ook mooi, maar je liep er liever niet mee te koop, want je kon er gemakkelijk van beroofd worden. Dit geld had dus geen intrinsieke waarde: het was uitsluitend waardevol omdat mensen dat onderling zo hadden afgesproken

‘Geld’ was dus:

Een verzameling tastbare objecten, die je kon tellen, waarvan je met je eigen ogen of tanden kon constateren dat ze ‘echt’ waren, en die je kon overhandigen ter verkrijging van waardevolle of plezierige goederen of diensten.

Maar daar bleef het niet bij. Het beroep op wederzijds vertrouwen ging sterk toenemen, want geld zou spoedig veel abstracter worden.

Tegoedbonnen

Wie erg rijk was, wilde natuurlijk niet graag gebukt gaan onder het gewicht van al die tonnen goud. Het was ook geen prettig idee om de geldstapels thuis achter te laten, direct beschikbaar voor inbrekers. Dus werd het geld ondergebracht bij lieden met een stevige kluis; in ruil daarvoor verkreeg men dan een tegoedbon, waarop precies stond waar men recht op had. De eerste banken waren geboren.

De tegoedbonnen werden aanvankelijk op naam uitgeschreven, waardoor alleen de rechtmatige eigenaar zijn goud kon opeisen. Toen de naam niet meer op de waardepapieren vermeld werd, veranderden ze in cheques ‘aan toonder’: die hoefden niet per se bij de bank te worden ingeleverd, maar konden ook aan anderen worden doorgegeven. Een papieren betaalmiddel! Zo ontstond betaalmethode 4 (figuur 2.8): het eerste bankbiljet. In China in 960, en vervolgens in Zweden in 1661.

‘Geld’ was nu:

Een stuk papier met opdruk, dat door een bank als ‘echt’ gegarandeerd werd (met handtekeningen, watermerken, hologrammen en een ‘knisperend’ gevoel), dat je kon overhandigen ter verkrijging van waardevolle of plezierige goederen of diensten, en dat altijd inwisselbaar was tegen goud of zilver.

Vanzelfsprekend borgen de bankiers al dat geld dat ze ontvingen niet gewoon in de kluis op. Dat zou zonde zijn, want daarmee verdienden ze er niet of nauwelijks aan. Ze leenden het liever uit aan anderen. Aan personen die een huis wilden kopen bijvoorbeeld: zij konden een hypotheek krijgen, betaalmethode 5 (figuur 2.9).

En zie: plotseling kon je met geld betalen dat je helemaal niet bezat! Het huis kon worden aangeschaft, maar de zogenaamde ‘huiseigenaar’ was nooit zeker dat hij zijn bezit mocht behouden, tot het moment waarop de hypotheek geheel en al was terugbetaald. Het huis was immers een onderpand; bij wanbetaling kon de bewoner subiet door de bankier uitgezet worden.

Daarnaast investeerden bankiers het door hen ontvangen geld ook in ondernemingen of overheden in de vorm van obligaties. Of ze kochten er een stukje van een bedrijf mee, in de vorm van aandelen.

Het Torentje van Vertrouwen

Daarmee nam de abstractie verder toe. De belofte om iedereen zijn geld uit te betalen in goud of zilver werd immers daarmee onhaalbaar, daar een gedeelte van het door de bank ontvangen geld niet in de kluis verbleef maar de wijde wereld inging (Mujagic, 2017). Als een enkeling zijn tegoeden zou opeisen, was er geen probleem. Maar als alle klanten van de bank tegelijk hun geld zouden komen halen, zou er een bank run ontstaan. Dan zou de bank failliet gaan, ‘omvallen’ zoals dat zo mooi heet, en zou het merendeel van de klanten zijn geld nooit krijgen. 

Zoals je ziet, werd het systeem daarmee nóg meer gebaseerd op vertrouwen. 

‘Geld’ werd daarmee:

Iets dat je niet per se hoefde te bezitten om toch te kunnen overhandigen ter verkrijging van waardevolle of plezierige goederen of diensten. 

In de loop van de eeuwen waren er nogal wat verschillende munteenheden ontstaan: elk zichzelf respecterend land had er een. En dus waren er ook wisselkoersen, die lang niet altijd stabiel of logisch waren. Dat belemmerde de internationale handel en remde de economische groei.

Na de crisis van de jaren dertig van de twintigste eeuw, de Great Depression, werd duidelijk dat het zo niet langer kon. En dus werden er in 1944 internationale afspraken gemaakt: in het akkoord van Bretton Woods, voorgesteld door John Maynard Keynes, werden door de grote landen regels vastgelegd voor de internationale handel en het monetair beheer.

Het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en de Wereldbank werden opgericht; de Amerikaanse dollar werd aangewezen als de basis van het wereldwijde monetaire systeem. Alle andere nationale munten legden hun wisselkoersen met de dollar vast. Tegelijk werd de waarde van de dollar keihard gekoppeld aan die van goud. Het waren de aangenaam duidelijke jaren van de Gouden Standaard.

Stel je de situatie van de periode na 1944 eens voor. De waarde van echte goederen en diensten (bijvoorbeeld dingen die je kunt eten, of waarin je kunt wonen) werd uitgedrukt in geld van een bepaalde munteenheid, afhankelijk van het land waar je woonde. Dat geld had van zichzelf geen waarde: niemand kan munten eten, niemand kan van bankbiljetten een huis bouwen. De waarde van het geld was gebaseerd op gezamenlijk vertrouwen. Dat vertrouwen in je eigen valuta werd (als je niet in de VS woonde) gebaseerd op het vertrouwen in een andere munt, die je niet bezat: de dollar. Van die dollar werd de waarde vooral vertrouwd dankzij een gouden fundament, dat op zichzelf ook al geen echte waarde bezat: goudstaven kun je immers ook niet eten. 

Toegegeven: je kunt ze als bakstenen gebruiken om een huis mee te bouwen, maar wie doet dat?

Samen vormde dit alles een gebouw met vier lagen: onderop een verdieping van goud, daarop een verdieping van dollars, vervolgens een verdieping van de munteenheid van je eigen land, en als toplaag een verzameling goederen en diensten waar je écht iets aan hebt. Het was een Torentje van Vertrouwen, want dat was de grondstof voor de metselspecie die de verdiepingen met elkaar verbond: vertrouwen. Geloof, kun je ook zeggen.

Fiat geld

In 1971 ging er een aardbeving door dat Torentje van Vertrouwen. Het gebouw schudde op zijn grondvesten, nadat de Amerikaanse president Richard M. Nixon de onderste verdieping er onderuit had getrokken. Het besluit van de president zou bekend komen te staan als de ‘Nixon Shock’: per direct werd de vaste koppeling van de dollar aan goud afgeschaft. Door deze beslissing werd de dollar een fiat currency, betaalmethode 6 (figuur 2.10): een munt die als geld beschouwd wordt, puur omdat een regering aldus besloten heeft. 

Aangezien de dollar niet meer aan goud gekoppeld was, waren de andere munteenheden dat ook niet meer. De rol van ‘vertrouwen’ werd zodoende alweer groter. Voor het Torentje van Vertrouwen werd het gouden fundament vervangen door een papieren belofte, gedaan door een overheid.

‘Geld’ is:

Iets dat je kunt gebruiken ter verkrijging van waardevolle of plezierige goederen of diensten, omdat je regering, of je Centrale Bank of je plaatselijke dorpsbank belooft dat dat kan en iedereen dat gelooft.

Tot (voorlopig) slot

Het verhaal van de geschiedenis van geld is hiermee natuurlijk nog lang niet af. Maar ik moet het hier onderbreken, anders wordt deze aflevering erg lang — langer dan ik met de redactie heb afgesproken. Volgende keer pak ik de draad weer op. Dan wordt geld nog veel abstracter: na eerst achtereenvolgens gemaakt te zijn van schelpen, goud en papier, wordt het dan vervaardigd uit onder meer plastic, elektronen en tijd.

Als gevolg daarvan zal het woord ‘geld’ nog een aantal keren opnieuw moeten worden gedefinieerd. Als dat dan uiteindelijk klaar is, heb je kans dat jou hetzelfde overkomt als wat ik meemaakte: dat je na afloop nog minder snapt wat geld is dan tevoren. Ik waarschuw je maar vast vooraf, dus als dat gebeurt moet je bij mij niet komen klagen!

Intussen heb ik een vraag aan je, waarde lezer. In aflevering 7 heb ik een woord ingevoerd voor het vakgebied van de economie, om dat te onderscheiden van de economie als systeem. In het Engels bestaan er twee aparte woorden: economy en economics. Voor dat laatste heb ik het woord ‘economistiek’ ingevoerd, nadat ik eerder ‘economica’ probeerde.

In de forumdiscussies naar aanleiding van aflevering 7 kwam naar voren dat niet iedereen helemaal gelukkig is met die woordkeuze. Als je wilt weten waarom, lees die discussie er dan nog even op na. Sommigen vonden het überhaupt geen goed idee om een nieuw woord in te voeren, waarop ik uitlegde waarom ik dat toch belangrijk vind:

“Het is voor mij in ieder geval geen optie om gewoon 'economie' te blijven gebruiken in de betekenis van het Engelse woord 'economics'. Dat geeft teveel problemen. Ik merkte dat toen ik probeerde op te schrijven: 'De economie is nog geen wetenschap.' Dat is een vage zin, juist omdat 'economie' twee dingen betekent. Maar ook 'De economische wetenschap is nog geen wetenschap' gaat niet goed, want dat is zichtbaar een onware uitspraak, van de vorm 'a is niet a'. Ook zoiets als 'De economische protowetenschap is nog geen wetenschap' snijdt geen hout, want dat is feitelijk een tautologie. Ik gebruikte daarom maar zinnen zoals 'Het vakgebied (van de) economie is een protowetenschap'. Dat is taalkundig en logisch correct, maar wordt op den duur omslachtig.”

Er zijn alternatieve woorden voorgesteld: economiologie en economilogica. Daarnaast blijven economica en economistiek natuurlijk opties, en daarmee zijn er nu vier voorstellen.

Ik wil jullie graag je voorkeur laten uitspreken via een panel op FTM, zodat ik op basis van de stemmen een beeld krijg van jullie voorkeuren. Voordat ik de redactie vraag om me te helpen om dat op te zetten, is mijn vraag eerst: heeft iemand een voorstel voor een ander woord? Een (al dan niet bestaand) Nederlands woord dat het equivalent kan zijn van het Engelse woord ‘economics’?

Feitelijk gaat het zelfs om drie keuzen. De bovenstaande, plus een bijbehorend bijvoeglijk naamwoord (bijvoorbeeld 'economistisch'), plus een zelfstandig naamwoord voor de beoefenaar (bijvoorbeeld 'economist'). De drie keuzen moeten uiteraard onderling samenhangen. 

Wil je iets laten horen?

Tot slot de vaste mededeling: op de website die bij dit boek hoort kun je diverse documenten downloaden. Dat betreft de immer groeiende literatuurlijst, de voorlopige inhoudsopgave van het boek, en de bij aflevering 7 behorende spreadsheet ‘What’s it worth.xlsx’.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Niko Roorda

Gevolgd door 754 leden

Niko Roorda is spreker, schrijver en consultant. Hij promoveerde in sociale wetenschappen en is specialist in duurzaamheid.

Volg Niko Roorda
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Een duurzame economie

Gevolgd door 1355 leden

Onze economie is in zijn wezen niet duurzaam. Was ze dat wel, dan zou de wereld er een stuk beter uitzien. Het goede nieuws i...

Volg dossier