Gerrit Voerman

Gerrit Voerman © Fenna Jensma

Expert partijpolitiek Gerrit Voerman: ‘Het gelijke speelveld in de politiek is verdwenen’

5 Connecties

Relaties

Verkiezingen Campagne Kiezers

Personen

Steven Schuurman

Werkvelden

Politiek
18 Bijdragen

In de laatste twee jaar kwamen er in Nederlandse verkiezingscampagnes voor het eerst miljoenendonaties voorbij. Schimmige stichtingen kochten invloed en één partij had zelfs een buitenlandse suikeroom. Genoeg aanleiding om het oor te luister te leggen bij Gerrit Voerman, hoogleraar Ontwikkeling en functioneren van het Nederlandse en Europese partijstelsel aan de Rijksuniversiteit Groningen. Voerman is een lopende encyclopedie op het gebied van partijfinanciering en daarmee dé persoon om deze ontwikkelingen te duiden. ‘We moeten concluderen dat het gelijke speelveld in de politiek is verdwenen.’

Dat Gerrit Voerman in 2024 met pensioen gaat is niet af te zien aan zijn werkkamer. Her en der opgestelde bureaus zuchten onder hoge stapels boeken, documenten, rapporten en notulen die verraden dat hij nog volop bezig is met nieuwe onderzoeksprojecten. 

Naast zijn hoogleraarschap is Voerman directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse Politieke Partijen. Op de bovenste verdieping van het universiteitsgebouw, tussen uitpuilende archiefkasten, ontstaan nog altijd nieuwe plannen. ‘Ik ben al jaren bezig met een boek over de SP. Daar heb ik wellicht straks wat meer tijd voor.’

Wie de oude dag ziet naderen ontkomt niet aan een terugblik. In het geval van Gerrit Voerman betekent dit een tocht langs tientallen jaren politiek. Hij schreef boeken over zo ongeveer elke Nederlandse partij die er in de afgelopen decennia toe deed en werkte mee aan gezaghebbende rapporten.

Zo was hij lid van een commissie onder leiding van oud-ChristenUnie Kamerlid Kars Veling, die de Wet financiering politieke partijen evalueerde in 2017 en 2018. Aanbevelingen uit het eindrapport werden onlangs in de Kamer besproken en deels overgenomen. Zo komt er onder andere een maximum van 100.000 euro op giften (voorheen was er geen limiet) en moeten partijen donaties van boven de 1000 euro openbaren dit (was 4500 euro). 

Er is sinds het verschijnen van jullie evaluatie veel nieuws naar boven gekomen op het gebied van partijfinanciering: miljoenengiften, schimmige buitenlandse donaties en stichtingen die via fondsenwervingdiners geld ophalen voor partijen. Hoe zijn de geldstromen naar politieke partijen in Nederland eigenlijk begonnen?

‘Door de ontzuiling in de jaren zestig liep het ledenaantal van partijen stevig terug. De Katholieke Volkspartij (KVP) kende midden jaren vijftig nog meer dan 400.000 leden, daar was in 1970 nog minder dan een kwart van over. Dat betekende dat de financiële basis, inkomsten uit ledencontributie, ook afbrokkelde.’ 

‘Met het weglopen van leden verloren partijen ook vaste vaste kiezers – de volatiliteit bij verkiezingen werd groter. Om die verloren kiezers toch te kunnen blijven bereiken, moesten voortaan dure campagnes worden opgetuigd. Er moest meer onderzoek gedaan worden naar kiezers, om die vervolgens met advertenties in dagbladen binnen te kunnen hengelen. Daarnaast dreven partijen van oudsher op vrijwilligers, een goedkoop middel tijdens campagnes. Met het afnemen van het ledenaantal waren er ook daar steeds minder van. Dus tegelijkertijd met het verdwijnen van inkomsten, ontstond er een extra behoefte aan inkomsten. Het was Norbert Schmelzer, fractievoorzitter namens de KVP en vooral beroemd door de naar hem genoemde nacht waarin hij het kabinet Cals liet vallen, die eind jaren zestig voor het eerst vroeg om subsidie voor politieke partijen.’

Hoe werd dat ontvangen?

‘Het schuurde nogal met het typisch Nederlandse uitgangspunt dat de staat zich niet bemoeit met de organisatie van een politieke partij. Om die inmenging te vermijden werd er in eerste instantie gekozen voor een indirecte manier van subsidiëring. Vanaf 1970 ging er geld naar de wetenschappelijke bureaus, dus niet naar de partijen zelf. Partijen moesten in die tijd evenveel bijdragen aan de wetenschappelijke bureaus als wat ze aan subsidie ontvingen.’ 

‘In 1999 werd die indirecte subsidiëring een directe subsidiëring. Dat was een belangrijk omslagpunt, omdat het geld vanaf dat moment naar de partijen zelf ging. In eerste instantie werd dat geld voor bepaalde doelen bestemd, maar vanaf 2005 werd ook dat losgelaten. Tegenwoordig mogen partijen in feite doen wat ze willen met de subsidie die ze krijgen. Nederlandse partijen hebben zichzelf dus erg veel autonomie gegeven over de subsidies en hoe die te besteden. Daarbij moet je wel aantekenen dat, in vergelijking met landen als Duitsland en Oostenrijk, de overheidsbijdrage hier bescheiden is.’

Tien jaar geleden schreef u in een rapport over het voortbestaan van de politieke partij het volgende: ‘Door toegenomen nadruk op campagnes neemt de financiële afhankelijkheid van de staat steeds verder toe.’ U heeft gelijk gekregen: door een motie in 2019 van toenmalig D66-Kamerlid Rob Jetten werd de subsidie aan politieke partijen verhoogd, naar in totaal 25 miljoen euro

‘De afhankelijkheid van geld is er altijd al geweest, of dat nu subsidies of donaties zijn. De voorloper van de VVD, de Partij van de Vrijheid, kreeg eind jaren veertig, via partijvoorzitter Dirk Stikker, geld van een aantal ondernemers. Hans Wiegel hield in zijn tijd als VVD-leider diners waar mensen als Alfred Heineken de portemonnee trokken. Dat werd niet bekendgemaakt, zoals er veel in dit dossier in nevelen is gehuld. 

‘Er is een zekere Amerikanisatie gaande’

De rode draad is dat partijen sinds de toenemende individualisering en ontzuiling steeds meer geld nodig hebben, maar door teruglopende ledenaantallen steeds minder binnen krijgen. Parallel aan die ontwikkeling is de toename van subsidies en de steeds vrijere keuze voor partijen waaraan ze die subsidies mogen besteden. Hierdoor is de autonomie van partijen sinds 1970 veel groter geworden.’

Hoe zou u de huidige situatie rondom de partijfinanciering in Nederland omschrijven?

‘Vanaf 1999 is er weinig gebeurd op het gebied van transparantie en het reguleren van donaties. Nu, 25 jaar later, ligt het anders. Ik denk dat de politieke cultuur, waarin er enige terughoudendheid was ten aanzien van het geven van donaties, is veranderd. Er is nu een zekere Amerikanisering gaande. Dat land is natuurlijk veel verder op het gebied van campagne voeren en dat sijpelt langzaam door. Een directe gift van een miljoen aan D66, dat was nog niet eerder voorgekomen. Nu, zo’n vijf jaar na onze evaluatie van de Wet Financiering Politieke Partijen, komt er nieuwe wetgeving waarin ook een maximum voor giften is opgenomen.’

Daar zegt u eens wat: uw commissierapport heeft een goede vier jaar op de plank gelegen. Dat klinkt nogal lang.

‘Dat is het ook. Maar achteraf is het een blessing in disguise geweest. Die grote donaties hebben zonder meer het debat beïnvloed. Als de nieuwe wet al in 2020 was behandeld, nog voor die grote donaties, dan waren de veranderingen die er nu zijn er misschien niet geweest. Ik vind dat maximum op donaties een goed idee.’

Is transparantie alleen niet voldoende? 

‘Nee, want daarmee heb je nog geen gelijk speelveld, en dat is juist zo belangrijk. En daarbij is het goed ons te realiseren dat het al lang niet meer zo is dat alleen rijke VVD-industriëlen geld geven. Iemand die begaan is met het klimaat kan ook een grote donatie doen.

‘Het gelijke speelveld in de politiek is verdwenen’

Ik zag bij de gemeenteraadsverkiezingen enorme advertenties van Kaag. Dan denk je toch: oh, ze hebben nog geld over van dat miljoen van Schuurman. Als zo’n partij dat ook inzet bij de raadsverkiezingen, moet je concluderen dat het gelijke speelveld in de politiek is verdwenen. We moeten oppassen dat het niet nog ongelijker wordt.’

Wat verwijt u partijen die grote donaties aannemen?

‘Van D66 viel het me tegen dat ze in het recente debat over aanpassingen aan de Wet financiering politieke partijen aanvankelijk zo onduidelijk waren over het maximeren van giften. Als er toch van oudsher één partij was die zich sterk maakte voor het principe one person, one vote is het D66. Dan is het niet de bedoeling dat de ene persoon meer gewicht in de schaal legt dan de ander.’

Wat is het effect van zo’n grote donatie?

‘Het is een verstorende factor bij de startposities van partijen. Opeens zie je tijdens verkiezingscampagnes grote advertenties van D66, waarvan je weet dat ze die hebben kunnen kopen door die miljoenengift van Steven Schuurman. Andere partijen hebben dat niet en kunnen daardoor minder makkelijk hun boodschap kwijt aan de kiezer.’ 

Is geld binnen de politiek niet per definitie een factor die ongelijkheid in de hand werkt?

‘Nee, dat hoeft niet. Als je kiezers weet te overtuigen lid te worden van een partij, zorgt dat voor gerechtvaardigde verschillen. Als een partij daardoor een grotere hap mag nemen uit de subsidiepot, is dat legitiem. Dit geldt ook voor zetels, dat je meer geld krijgt bij meer kiezers is redelijk. Crowdfunding – veel mensen die kleine bijdragen geven – is ook geen probleem. Maar als de ene partij wel een suikeroom heeft en de andere niet, werkt dat verstorend.’

Bepaalde mensen kunnen hun verhaal kwijt bij een bewindspersoon, terwijl andere mensen die toegang niet hebben

‘Toen ik hoorde van die fondsenwervingdiners bij de VVD en het CDA, dacht ik wel: ‘Waarom doe je dat? De schijn van belangenverstrengeling hangt daar aan vast. We moeten vaststellen dat dit al heel lang gebeurt: in de tijd van Wiegel, maar ook Fortuyn had een rijtje vastgoedmensen om zich heen. Ed Maas, Chris Thünnessen – die later ook 50PLUS sponsorde – en zo nog een paar. Wat je kunt zeggen is dat dit soort activiteiten in de laatste twintig jaar geaccepteerd is geworden.’

Hoe verklaart u dat?

‘Voor een deel zijn het nieuwe partijen. LPF, Forum voor Democratie en 50PLUS kennen geen traditie, die de meeste oudere partijen wel hebben, om dit soort zaken af te houden. Je hoorde het Joost Eerdmans van JA21 ook zeggen: hij wil geen maximering van donaties voor nieuwe partijen, omdat je geen subsidie krijgt zolang je niet in de Kamer zit. Hoewel hij daar wellicht een punt mee heeft, ben ik voorstander van de nieuwe wet. Die biedt nog steeds ruimte voor nieuwe initiatieven, maar legt tegelijk een beperking op het kunnen kopen van politieke invloed. Bewijs je maar als nieuweling.’

Geld mag niet doorslaggevend zijn?

‘Exact. En die nieuwe wet waakt daarvoor. Neem de PvdA. Die heeft er de afgelopen jaren voor gekozen het netjes te doen en niet afhankelijk te raken van grote donoren. Daardoor hebben ze zichzelf wel op achterstand geplaatst ten opzichte van andere partijen die daar minder terughoudend in waren.’ 

Zijn partijen daarmee niet onderdeel van het probleem geworden? Kunnen we niet zonder ze? 

‘Nee. Politieke partijen zijn ondanks alles onmisbaar. Je hebt een intermediair nodig tussen belangen, wensen en behoeften die leven in de samenleving en hoe die in het politieke domein worden gebracht. Partijen zorgen ook voor structuur. 150 individuele Kamerleden die ieder voor zich opereren, dat wordt erg ingewikkeld.’

‘In het algemeen geldt: als je op de kandidatenlijst wil, helpt het niet als je te kritisch bent’

Zorgt fractiediscipline ervoor dat Kamerleden minder uitgesproken durven zijn over grote donaties aan hun partij?

‘In het algemeen geldt: als je op de kandidatenlijst wil, helpt het niet als je te kritisch bent. Bij het CDA is de Bedrijfsopvolgingsregeling een gevoelig onderwerp. Daar was Omtzigt erg kritisch op. Het waren juist CDA-sponsoren als Hans van der Wind, door Follow the Money beschreven, die voordeel hebben bij die regeling. We weten inmiddels wie die strijd gewonnen heeft. Maar fractiediscipline op zich is hier niet het probleem. De vraag is wat de partij gaat doen als een volgende Van der Wind zich aandient.’

Is de controle op partijfinanciering op dit moment goed geregeld?

‘Ja, ik denk het wel, met accountants die de financiële verslagen van de partijen controleren en het ministerie van Binnenlandse Zaken dat er bovenop zit. Wel zouden er in de Commissie van toezicht financiën politieke partijen mensen moeten zitten van buiten de politiek. Buitenstaanders. Dat is nu niet zo.’

Het toezicht ten spijt: zakenlieden als Hans van der Wind, Steven Schuurman en Cor van Zadelhoff weten hun weg naar Den Haag goed te vinden. Wat vindt u daarvan?

‘Dat zijn natuurlijk entrepreneurs. Met een mentaliteit van: als het niet verboden is, pak ik de ruimte die er is.’ 

Trekken deze mensen vooral naar de klassieke machtspartijen?

‘Eén belang gaat altijd voorop: dat de partij waar je aan geeft groter wordt. En omdat de klassieke machtspartijen meer invloed hebben op het landsbestuur, is het logisch dat donateurs juist daar uitkomen. Maar ook nieuwe partijen die de gevestigde uitdagen zijn in trek – zie de LPF en nu FVD. ’

Hoe ziet u de rol van geld in onze parlementaire democratie überhaupt?

‘We weten allemaal dat het er is, en we weten ook dat we niet weten wat er allemaal mee gebeurt. Daarom is het zo belangrijk om in kaart te brengen hoe het zit met de businessclubs en de stichtingen rondom partijen die geld bijeenbrengen voor campagnes.’

Waarom is dat belangrijk?

‘Omdat het ondoorzichtig is wat daar gebeurt. Het is onduidelijk waar het geld dat vanuit die clubs naar partijen vloeit vandaan komt. En het leidt ertoe dat bepaalde mensen hun verhaal kunnen laten horen bij een bewindspersoon, omdat die bijvoorbeeld aanschuift bij een fondsenwervingdiner, terwijl andere mensen die toegang niet hebben.’

Wat ziet u in de komende tien jaar gebeuren op het gebied van partijfinanciering, terwijl u van uw pensionering geniet?

‘Door de komende wetswijzigingen, en dan met name de maximering van de hoogte van donaties, zal de trend van de afgelopen jaren, die van steeds grotere donaties, afvlakken. Waar ik vervolgens wél benieuwd naar ben: komen er meer donaties van onder een ton, het nieuwe maximum? En wat ook interessant wordt: komen er nieuwe sluiproutes om toch grote giften te doen?’

‘Het op drift raken van de kiezer, wat begon in de jaren zestig, heeft een onstilbare honger naar geld in gang gezet bij partijen. Gezien de voortschrijdende professionalisering van partijen en de steeds duurdere verkiezingscampagnes zie ik het niet gebeuren dat die honger in de nabije toekomst zal gaan liggen.’