© DC Comics

Gezocht: superman/-vrouw

    De Nederlands-Vlaamse Vereniging van Onderzoeksjournalisten (VVOJ) vroeg aan onze Vlaamse strijdmakkers van Apache om de staat van de journalistiek eens grondig door te lichten. Daar hadden hoofdredacteur Karl van den Broeck en journalist Tom Cochez wel oren naar.

    ‘Willen jullie een essay schrijven waarin ons vak kritisch wordt doorgelicht?’ Die vraag stelde ons de VVOJ, de Nederlands-Vlaamse Vereniging van Onderzoeksjournalisten. Eerlijk gezegd: we waren geen klein beetje verrast. Aangenaam verrast, dat wel. Apache is immers een kleine speler en sommigen proberen ons bovendien het zwijgen op te leggen door schadeclaims, die ons eigen vermogen flink overstijgen.

    Maar de vraag verraste ons om nog een andere reden. Journalisten hebben namelijk niet echt de gewoonte hun eigen vakgebied kritisch tegen het licht te houden. Of beter: we doen dat wel, vaak zelfs vol overgave, maar dan enkel tussen pot en pint, op café. Zelden of nooit in de kolommen die we dagelijks voltikken. Daarin fileren we, in de naam van de vierde macht, ongenadig het politieke spel. We berichten zonder verpinken over fraudeurs. We bijten ons vast in schimmige zakendeals of we brengen criminele feiten aan het licht, maar slechts bij hoge uitzondering hebben we het over onszelf. Over wat we doen. Over waarom we het doen. Laat staan over de vraag of we het wel goed doen.

    Moeten we de mensen daar dan echt mee lastigvallen, klinkt het vaak. Hebben ze wel een boodschap aan al die navelstaarderij? Zijn ze daar echt in geïnteresseerd? Het antwoord doet er eigenlijk niet toe. De journalistiek is het simpelweg aan haar eigen maatschappelijke opdracht verplicht verantwoording af te leggen. Een wereld waarin iemand president van de Verenigde Staten kan worden, enkel en alleen omdat media elkaar maandenlang hebben verdrongen om toch maar de strafste quotes uit zijn mond op te tekenen, smeekt om journalistieke zelfreflectie en verantwoording.

    De journalistiek is het aan haar eigen maatschappelijke opdracht verplicht verantwoording af te leggen

    Doen we het goed?

    Neen, het is niet allemaal de schuld van de media, zoals de dooddoener wil, maar er is wel een realiteit: aan de ene kant is er een verhaal, aan de andere kant zijn er lezers of kijkers. Daar tussenin staat altijd een medium. Dat medium bepaalt om te beginnen al of er een verhaal is, of niet. Het bepaalt het frame, het bepaalt de toonzetting, de mensen die aan het woord komen… Het medium heeft met andere woorden macht en journalisten die ervoor werken, moeten durven nadenken en reflecteren over hun eigen rol daarin. Onze lezers en kijkers hebben het recht daarover te horen. We moeten erover durven schrijven en spreken: wat doen we? Waarom doen we het? Doen we het wel goed?

    Die overtuiging hebben we bij Apache al langer en daarom viel de vraag van de VVOJ om een essay te schrijven waarin we kritisch kijken naar ons eigen vakgebied, bepaald niet op een koude steen. Het tegendeel is waar: we zijn vereerd dat we de spits mogen afbijten van wat de komende jaren hopelijk een mooie, nieuwe VVOJ-traditie zal worden: kanttekeningen plaatsen bij ons eigen vakgebied. Niet om elkaar de oren te wassen, maar om echt te reflecteren over zaken die bij ons boeiende beroep horen. Laat onze deontologie te wensen over? In welke verhalen stappen we al dan niet mee? Hoe verhouden we ons daarbij tot onze werkgever? Welke nieuwe uitdagingen komen op ons af? Waar liggen de kansen? Hoe gaan we daarmee om?

    Als journalist lijken we vandaag meer dan ooit veroordeeld om mee te lopen in een nieuwswedloop. Een wedloop die steeds sneller gaat en die geen aankomstlijn heeft. De waan van de dag wordt stilaan de waan van het uur. Nieuws wordt in ijltempo gecreëerd, geconsumeerd en weer uitgespuwd. En of je het nu wilt of niet, aan die realiteit kun je jezelf als journalist maar moeilijk onttrekken.

    Het maakt een afstandelijke reflectie op zijn tijd des te belangrijker. Dat mochten we de voorbije weken zelf aan den lijve ondervinden. Amper een paar weken na de vraag van de VVOJ vielen immers twee dagvaardingen in onze brievenbus: een van een vastgoedbedrijf en een van de ex-kabinetschef van Antwerps burgemeester Bart De Wever. Hun eisen zijn niet min: in totaal willen ze 350.000 euro schadevergoeding en het verwijderen van de gecontesteerde artikelenreeks. Ook al gaat het om een klassieke intimidatiepoging en hebben ze geen poot om op te staan, de dagvaardingen hielden ons de voorbije weken flink uit onze slaap.

    De waan van de dag wordt stilaan de waan van het uur

    Ons eerste antwoord op de vraag te reflecteren over de belangrijkste uitdagingen waarmee onderzoeksjournalistiek vandaag wordt geconfronteerd, ligt dan ook voor de hand: machtige spelers die onderzoeksjournalistiek in de kiem willen smoren met de hulp van een batterij dure advocaten en een exorbitante schadeclaim.

    Wellicht zou niemand het ons kwalijk nemen mochten we daar prompt de grootste bedreiging voor onderzoeksjournalistiek van maken. Maar mochten we dat doen, dan zouden we onszelf laten verblinden door de waan van de dag. De stelling klopt namelijk niet. Intimiderende schadeclaims vormen niet de grootste uitdaging voor onderzoeksjournalisten. Of op zijn minst is die uitdaging niet nieuw. Vergelijkbare pogingen zijn er altijd geweest. Onderzoeksjournalistiek raakt per definitie aan grote belangen en wie erdoor wordt geviseerd, heeft altijd geantwoord met pogingen de persvrijheid aan banden te leggen.

    Kleinschalige initiatieven, internationale samenwerking

    Pogingen tot censuur zijn zo oud als de mensheid. Wat de voorbije jaren wel fundamenteel is beginnen schuiven, zijn de kanalen waarlangs nieuws, en dan in het bijzonder onderzoeksjournalistiek, naar buiten komt.

    De trend is dubbel: aan de ene kant zie je kleinere nieuwsorganisaties en freelance collectieven ontstaan, die inzetten op onderzoeksjournalistiek. Hun kleinschalige karakter maakt hen extra kwetsbaar voor financiële claims. In Mediaforum, op de Nederlandse Radio 1, suggereerde Yoeri Albrecht, directeur van het Amsterdamse debatcentrum De Balie, recent nog de oprichting van een garantiefonds, gefinancierd door de overheid, waar journalisten zouden kunnen aankloppen voor het terugbetalen van de proceskosten. Dat zou zonder twijfel een stap in de goede richting zijn, maar alle leed is er niet mee uit de wereld. Zeker voor freelancers weegt de tijd en de energie die in de hele administratieve afwikkeling van een rechtszaak kruipt financieel bijzonder zwaar door. De zin om verder te onderzoeken en waar nodig tegen de schenen van de macht te schoppen, lijdt daaronder. En dat is net de bedoeling.

    Een andere evolutie staat in zekere zin haaks op de kleinschaligheid van nieuwe initiatieven: de trend naar internationale samenwerking. Het International Consortium of Investigative Journalists (ICIJ), dat de voorbije jaren de spectaculaire resultaten van immense datalekken naar buiten bracht, is ongetwijfeld het bekendste voorbeeld, maar ze zijn lang niet de enigen die internationale samenwerking propageren. Ook het European Journalism Fund koppelt journalisten uit verschillende windstreken aan elkaar en vorige maand viel nog een folder van de Vlaams-Nederlandse Journalistenbeurs in de brievenbus. Dergelijke samenwerkingsvormen zijn een even logisch als noodzakelijk antwoord op de mondialisering.


    "Als een sector niet goed weet van welk hout pijlen te maken, dan blijkt het een goed idee om terug te grijpen naar de core business: goede verhalen schrijven"

    Journalistieke drive

    Fijn om vast te stellen is dat de drive achter zowel de kleinere media-initiatieven als de grensoverschrijdende samenwerkingsprojecten journalistiek van aard is. Het zijn geen pogingen om snel geld te verdienen, het gaat in essentie om de zoektocht naar nieuwe biotopen waarin onderzoeksjournalistiek goed kan gedijen, naar samenwerkingsverbanden waarbij de krachten worden gebundeld, met sterke, onthullende verhalen als einddoel.

    Er is een tijd geweest, zowat anderhalf decennium geleden, dat toenmalig ICIJ-directeur Charles Lewis vruchteloos door onze contreien werd rondgereden door Fonds Pascal Decroos-directeur Ides Debruyne, in een poging hem als interviewee aan te bieden aan kranten en televisiezenders. Daar was toen geen interesse voor. Er was voetbal op televisie. Een debatavond met Lewis en de Belgische onderzoeksjournalisten Alain Lallemand en Walter De Bock, toen al betrokken bij ICIJ, lokte welgeteld vijf (!) geïnteresseerden.

    Vandaag zijn de resultaten die ICIJ boekt zo dwingend dat reguliere mediabedrijven ervoor in de rij staan. Het is mede dankzij de koppigheid van mensen zoals Lewis dat media vandaag gedwongen worden opnieuw journalistiek te denken.

    Het is wellicht wat voorbarig zware woorden als de wederopstanding van de (onderzoeks)journalistiek uit de kast te halen, maar je kunt er niet omheen: terwijl directeurs en marketeers van mediabedrijven het voorbije decennium koortsachtig op zoek waren naar nieuwe verdienmodellen, werd op zijn minst een deel van de oplossing op een dienblaadje aangereikt door journalisten. Zij confronteerden mediabedrijven met de eigen kernopdracht: goede journalistiek brengen, en als het even kan goede onderzoeksjournalistiek. Dat levert uiteindelijk op, ook financieel. Want wat blijkt? Mensen zijn echt niet alleen geïnteresseerd in het nieuwe lief van Brad Pitt.

    Mensen zijn echt niet alleen geïnteresseerd in het nieuwe lief van Brad Pitt

    Als een sector niet goed weet van welk hout pijlen te maken, oftewel: als journalistenopleidingen niet meer weten voor welke markt ze geacht worden studenten klaar te stomen, omdat mediabedrijven het zelf niet weten, dan blijkt het een goed idee om terug te grijpen naar de core business: goede verhalen schrijven, stevig journalistiek onderzoek doen, journalisten in wording het journalistieke ambacht bijbrengen.

    Vierde macht

    Het is niet de bedoeling in het kader van deze denkoefening financiële kwesties aan te raken, maar kort toch dit: vandaag worden de drie machten door de overheid gefinancierd. De wetgevende macht, de rechterlijke macht en de uitvoerende macht. De werking van de vierde macht wordt niet gefinancierd door de overheid. Of beter; ze wordt wel indirect gesubsidieerd via distributiesteun en verlaagde btw-tarieven, maar daarbij maakt de overheid de klassieke fout journalistiek te verwarren met media. Alsof mediabedrijven de vierde macht zouden zijn.

    De bestaande systemen van indirecte subsidie bieden geen enkele garantie dat de financiële ondersteuning door de overheid de journalistiek ten goede komt. Er zijn studies die zelfs het tegenovergestelde suggereren.

    Nochtans zijn er evidente modellen om journalistiek in plaats van mediagroepen financieel te ondersteunen. Dat kan perfect via een onafhankelijke buffer tussen overheidsgeld en journalisten. Het hoeft de overheid ook niet meer te kosten dan vandaag. Het volstaat de bestaande geldstromen te heroriënteren, zodat ze hun doel bereiken: journalistiek, de vierde macht, ondersteunen. Bovendien, zo leert een studie van de OESO, verdient onderzoeksjournalistiek zichzelf voor de maatschappij ruimschoots terug.

    Sjakie-en-de-chocoladefebriek

    Maar zoals gezegd, het financiële is maar één ding. Zelfs als we erin zouden slagen om de ideale biotoop te creëren om aan onderzoeksjournalistiek te doen, dan nog worden we geconfronteerd met een resem nieuwe uitdagingen.

    Een onderzoeksjournalist – maar eigenlijk kunnen we het opentrekken naar andere vormen van journalistiek – moet vandaag van meer markten thuis zijn dan vroeger. Zonder de ‘oude basisvaardigheden’ red je het ook vandaag niet. Wie er niet in slaagt de juiste vragen te stellen, hoofdzaak van bijzaak te scheiden, een goede chronologie op te stellen en de juiste bronnen – al dan niet openbaar – aan te boren, komt er niet. Je mag nog zo’n kei zijn in dataverwerking, alle geheimen van Excel kennen of een topscraper zijn, zonder de juiste journalistieke vraag levert die kunde bijzonder weinig op. De juiste vraag op het juiste moment blijft een absolute voorwaarde voor een goed verhaal.

    De juiste vraag op het juiste moment blijft een absolute voorwaarde voor een goed verhaal

    Het verschil zit vandaag vooral in de manier waarop we aan ons materiaal komen, in hoe het wordt verwerkt en voor een deel ook in hoe we het naar buiten brengen.

    Het internet is een eindeloze speeltuin. De beschikbare tools zijn overweldigend. Quasi dagelijks zijn er nieuwe technieken die helpen om gigantische hoeveelheden data te verwerken. Er wordt fantastische nieuwe software ontwikkeld, de nieuwe manieren om online te zoeken en te vinden zijn niet bij te houden. Een soort Sjakie-en-de-chocoladefebriek-gevoel is de moderne onderzoeksjournalist bijgevolg niet vreemd.

    We vinden meer dan waar we ooit van konden dromen, maar tegelijk riskeren we verloren te lopen in het overaanbod. Een van de klassieke bekommernissen voor iedereen die een groter onderzoeksproject op poten tracht te krijgen, is het aflijnen ervan. We hebben altijd al nieuwe zijsporen gevonden die de moeite van het verder uitpluizen waard zijn. Al die mogelijk interessante zijwegen gedecideerd links laten liggen, is van oudsher een zware dobber. Helaas heeft de technologie intussen nog vele duizenden nieuwe zijwegen geopend. En bijna allemaal zijn ze geweldig interessant.

    Te midden van de nieuwste technologische snufjes, de zoekmachines, de Excels, de online tools, en alle andere nieuwigheden die de moderne onderzoeksjournalist idealiter beheerst, wordt de vaardigheid van grensbewaking alleen maar belangrijker.


    "Het beeld van de onderzoeksjournalist als superman of -vrouw is niet ver weg"

    Superman/-vrouw

    Hetzelfde zwaard snijdt ook langs twee kanten als het over crowdsourcing gaat. Initiatieven als ProPublica zetten geweldige resultaten neer door ‘de kennis uit de crowd te halen’, maar dit vergt bijzonder veel technische bagage en vooral de gave om het overzicht te bewaren.

    Voeg daarbij de kennis van de talloze tools, die helpen een verhaal overzichtelijk te illustreren, maar ook de meer klassieke kunde om een verhaal meeslepend te vertellen, en het beeld van de onderzoeksjournalist als superman of -vrouw is niet ver weg.

    En er zijn nog meer kwalificaties vereist. Onderzoeksjournalistiek zal altijd de wegen van het geld blijven volgen en dat kapitaal stoort zich niet aan grenzen, integendeel. Het maakt onze opdracht er niet makkelijker op, maar tegelijk is de mogelijke impact van het journalistieke verhaal een stuk groter. Denk aan de politieke en andere gevolgen van de Panama Papers. Er wordt op hoog niveau gespeeld. De belangen zijn gigantisch en die schaalvergroting blijft niet zonder gevolgen. In wezen is elk onderzoeksproject gevoelig aan sturing, maar samen met de omvang van het project neemt ook de gevoeligheid ervoor toe. De vraag in welk verhaal we als onderzoeksjournalist meestappen, wordt er enkel relevanter door. Voor wie tot over de oren in een onderzoek zit, is die reflex niet vanzelfsprekend, maar wel broodnodig.

    Nog een belangrijke uitdaging, zeker als het over het aspect follow the money gaat, is de complexiteit. Het volstaat al lang niet meer een simpele boekhouding te kunnen lezen, of een jaarrekening te interpreteren. Fiscale spitstechnologie heerst en wie over die kennis beschikt, werpt een geweldige dam op. Niet enkel voor overheden die hun deel van de koek willen, ook voor onderzoekjournalisten. Het wordt steeds moeilijker om daar een bres in te slaan.

    Nog een belangrijke uitdaging, zeker als het over het aspect follow the money gaat, is de complexiteit

    Bovendien zijn de verhalen door hun complexiteit bijna niet meer uit te schrijven. Als kapitaal langs twintig vehikels in evenveel landen passeert, dan kun je zo’n traject niet in het lang en het breed uitschrijven zonder dat de lezer verzinkt in het moeras. Het enige dat we daar tegenover kunnen plaatsen is vertelkracht, het vermogen om een almaar complexere realiteit in leesbare verhalen te gieten, de lezer als het ware bij de hand te nemen en hem duidelijk te maken dat er iets belangwekkend wordt verteld. En dat liefst ook nog eens op een niet-betuttelende wijze.

    Vacature

    Het toeval wil dat we bij Apache net op zoek zijn naar een bijkomende onderzoeksjournalist. Een kleine greep uit wat we van die persoon verwachten, zou als volgt kunnen klinken: het vermogen om de juiste vragen te stellen, een brede (historische) achtergrond, een ruim netwerk en breed bronnenkader, ervaring met het omgaan met bronnen en gevoelige informatie, een feilloos inschattingsvermogen dat toelaat te bepalen in welk breder verhaal hij of zij meespeelt, meeslepend verhalenverteller, ongenadig in grensbewaking, met een sterk ontwikkeld vermogen om het overzicht te bewaren, doorgedreven kennis van fiscale spitstechnologie, een uitgebreide kennis van Excel, (meta)dataverwerking, online zoek- en presentatietools, een ruime kennis en ervaring met het opzetten van projecten rond crowdsourcing…

    Het is slechts een greep uit het helaas totaal overspannen verwachtingspatroon waaraan een onderzoeksjournalist anno 2016 moet beantwoorden.

    Daarmee lijkt de belangrijkste uitdaging geschetst: er moet zoveel dat het eenvoudigweg niet kan. Dat is de realiteit waar we mee verder moeten.

    Lokale onderzoeksjournalistiek

    Vooraleer nog kort even stil te staan bij mogelijke antwoorden op de uitdagingen waar onze stiel vandaag mee te maken krijgt, willen we graag nog één punt maken. Een vaststelling eigenlijk: terwijl met de mondialisering van onderzoeksjournalistiek geweldige verhalen naar buiten komen, zien we dat aan de andere kant van het spectrum de aandacht taant. We hebben het dan over lokale journalistiek.

    We hadden het genoegen de voorbije twee jaar telkens een twintigtal studenten te begeleiden bij hun eindwerk voor de opleiding Internationale Researchjournalistiek. Een van de zaken die daarbij opvielen, is hoe de spectaculaire internationale voorbeelden tot de verbeelding spreken. Het is mooi om te zien hoe deze verhalen een generatie onderzoeksjournalisten in wording raken en enthousiasmeren.

    De andere kant van de medaille is dat het heel wat overtuigingskracht vergt de aanstormende Woodwards en Bernsteins ervan te overtuigen dat de beste verhalen vaak vlak voor de eigen deur liggen. Regio-onderzoeksjournalistiek, als die term al bestaat, zit in het verdomhoekje en dat is bijzonder jammer. Al was het omdat de verhalen vaak behapbaar zijn en een ideale leerschool vormen.

    Het vergt heel wat overtuigingskracht de aanstormende Woodwards en Bernsteins te overtuigen dat de beste verhalen vlak voor de eigen deur liggen

    Het staat ook haaks op de interesse voor regionieuws. Mensen zijn duidelijk geïnteresseerd in een nieuwe horecazaak die in het dorp de deuren opent of in de aanleg van een nieuwe parking, maar ze zijn ongetwijfeld ook geïnteresseerd in de bruine enveloppe die de bevoegde schepen daarvoor onder tafel aangereikt heeft gekregen. Dat we dergelijke verhalen zelden lezen, betekent niet noodzakelijk dat ze er niet zijn. Het vertelt vooral iets over de hedendaagse focus van regiojournalistiek. Dat steeds meer regiojournalisten voor een hongerloon freelance werken, is ongetwijfeld niet vreemd aan die evolutie.

    Antwoorden

    Maar goed, we hadden ook nog antwoorden beloofd. Hoe gaan we om met de uitdagingen waar we allemaal mee te maken hebben? Voor die antwoorden moeten we onvermijdelijk naar de overheid kijken. Journalistiek is een maatschappelijk goed en voor onderzoeksjournalistiek geldt dat in het kwadraat. Het is iets dat we zouden moeten koesteren.

    Onder druk van dalende lees- en kijkcijfers, en deels ook vanuit angst voor de macht van grote mediaspelers die politieke carrières kunnen maken en kraken, heeft de overheid de voorbije jaren vooral naar de sector gekeken. Dat ging ten koste van aandacht voor journalistiek – toch de noodzakelijke grondstof voor die mediabedrijven. De achterliggende gedachte is al die tijd geweest dat wie journalistiek wil steunen, best van al de mediabedrijven overeind houdt.

    Daarnaast leeft ook de gedachte dat de overheid zich vooral niet mag bemoeien met journalistiek. Als het over concrete inhoud gaat, klopt dat natuurlijk als een bus, maar het ontslaat de overheid niet van haar plicht over journalistiek na te denken en beleidsmaatregelen te nemen die kritische, diepgravende (onderzoeks)journalistiek mogelijk maken. De zuiverende kracht ervan geeft een democratie adem.

    Met dank aan de internationale onderzoeksverhalen is er opnieuw enthousiasme voor onze stiel. Met dank aan koppigaards die wereldwijd blijven strijden voor de goede zaak beleven we momenteel een voorzichtige revival van de onderzoeksjournalistiek. Het is voor de overheid een opdracht die prille evolutie mee te ondersteunen, zodat we paraat staan voor de uitdagingen die op ons afkomen.

    Over de auteurs

    Over Tom Cochez

    Licentiaat criminologie. Werkte van 1997 tot 2008 voor De Morgen. Hij volgde er vooral gezondheidszorg, sociale zaken en milieu en verdiepte zich in de politieke partijen Vlaams Belang en Groen. In 2008 koos hij ervoor om opnieuw op freelance basis te werken onder meer ook voor Knack en Humo. Een jaar later stond hij mee aan de wieg van De Werktitel, het latere Apache.be. Vandaag werkt hij als redacteur en coördinator.

    Over Karl van den Broeck

    Apache.be-hoofdredacteur Karl van den Broeck (°1966) is journalist sinds zijn 20ste. Eerst 18 jaar bij De Morgen, dan vijf jaar als hoofdredacteur bij Knack en sinds 2011 freelance. Cultuur (en dan vooral literatuur) politiek en geschiedenis zijn zijn passies. Tussendoor maakt hij tentoonstellingen en schreef hij een boek waarin hij probeert te verklaren waarom we nog altijd de indianen willen redden. Sinds 2014 is hij deeltijds Agora-coördinator bij BOZAR. In 2001 won hij de Vacature Persprijs. Op Twitter gekend als kvdbroec.

    Lees verder Inklappen

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid