Beeld © Matthias Leuhof

‘Goed doen’ voor je personeel? Niet Unilevers cup of tea

Paul Polman werd als Mister Unilever bewierookt om zijn passie voor mensen- en vooral vrouwenrechten. Zijn motto: ook voor een multinational is goed doen belangrijker dan het maken van winst. Maar Unilever gaf niet thuis toen zijn eigen medewerkers – Keniaanse theeplukkers die slachtoffer werden van plundering, verkrachting en dodelijk geweld – smeekten om bescherming en hulp. En Polman keek weg toen zij hem rechtstreeks vroegen het voor hen op te nemen.

Dit stuk in 1 minuut
  • Unilever staat bekend als hét toonbeeld van een ethisch opererende multinational, en Paul Polman – voorganger van de huidige ceo Alan Jope – gold als hét bewijs dat een bevlogen baas het verschil kan maken. Goed doen is belangrijker dan het maken van winst, zei Polman. Maar werknemers van Unilevers Keniaanse Lipton-theeplantages maakten mee dat de multinational, als het er op aankomt, helemaal niet zo goed voor zijn mensen zorgt.
  • Toen de Keniaanse presidentsverkiezingen van 2007 eindigden in bloedige etnische onlusten kwamen naar schatting 1400 burgers om. Ook Unilevers theeplantages, in het zuidwesten van Kenia, vielen ten prooi aan het geweld.
  • Woedende meutes van gewapende mannen vielen de theeplantages binnen om er dood en verderf te zaaien. De aanvallen zouden elf mensen het leven kosten – werknemers en familieleden van werknemers. Tenminste 56 vrouwen en meisjes werden verkracht.
  • Veel slachtoffers zijn leden van de Kisii-stam, die als ‘arbeidsmigranten’ het lager betaalde werk doen: het oogsten van de theebladeren voor de theeën van Lipton. In de aanloop naar de verkiezingen kregen ze al te maken met intimidatie door collega’s van de Kalenjin-stam, van wie velen de betere baantjes hadden. Maar Unilever beschermde ze niet tegen de pesterijen. Het trof wel maatregelen om zijn hogere management en expat-personeel op tijd in veiligheid te brengen.
  • Na afloop van de beproevingen voelden de theeplukkers zich evenmin door Unilever gesteund. Ze kregen een schadevergoeding van 120 euro maar geen zorg voor hun lichamelijke en mentale klachten, en geen achterstallig loon. Pas wanneer ze na zes maanden hun werkzaamheden kunnen hervatten – het oogsten was zo lang stilgelegd – verdienen ze weer wat geld. In de tussentijd konden ze hun doktersrekeningen niet betalen, hun kinderen niet naar school sturen, en geen boodschappen doen zonder eerst van familie of vrienden te lenen.
  • In de jaren nadien groeit onder de Kisii-slachtoffers de onvrede over de rol van hun (voormalige) werkgever. Hun zaak wekt de sympathie van een prominent Brits advocatenkantoor. Dit start in 2015 namens 218 slachtoffers een procedure voor een schadevergoeding bij het hooggerechtshof in Engeland. Maar Unilever betoogt dat het niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de theeplukkers in Kenia, omdat die niet bij Unilever in dienst zijn maar bij een dochteronderneming: Unilever Tea Kenya. De rechter gaat daarin mee.
  • De slachtoffers proberen het met een noodkreet direct gericht aan ceo Paul Polman, in de hoop dat hij zijn reputatie als kampioen mensenrechten eer aan zal doen. Maar Polman houdt zich stil. Hij komt niet in actie om de Kenianen alsnog te helpen.
     

Over ons onderzoek

Dit artikel focust op Anne Johnson, een Keniaanse theeplukster op de Unilever-plantage, die haar man en dochter verloor. Follow the Money sprak daarnaast met één andere direct getroffen Unilever-medewerkster (Mary) en beschikt over meer dan 200 pagina’s met gerechtelijke documenten en verklaringen onder ede van tien voormalige medewerkers – onder wie oud-managers – en andere getuigen van de ontspoorde presidentsverkiezingen in Kenia.

 

Lees verder

Her Majesty’s High Court of Justice in England, het Engelse hooggerechtshof, ligt op een steenworp afstand van de noordoever van de Thames. Het is met zijn puntige, gotische architectuur een van de meest ontzagwekkende Victoriaanse gebouwen in Londen. 

Wandel zo’n tien minuten naar het oosten, richting de BlackFriars Bridge, en je stuit op een ander kenmerkend Victoriaans monument: Unilever House, het hoofdkwartier van de gelijknamige levensmiddelengigant. De architectuur van dit gebouw is veel vriendelijker. Neoclassicistisch, met een halfronde voorgevel en elegante pilaren. 

Volgens Polman had Lever begrepen wat de ultieme vorm is van leiderschap: werken voor het algemeen belang

Precies honderd jaar geleden tekende William Hesketh Lever, de bedenker van de beroemde Sunlight-zeepjes, de erfpachtovereenkomst voor deze plek. Pas dertien jaar later zou er het nieuwe hoofdkantoor verschijnen van zijn bedrijf Lever Brothers, dat in 1930 fuseerde met de Nederlandse Margarine Unie. William Lever – of Lord Leverhulme – was toen al overleden. Maar hij staat tot op de dag van vandaag bekend om zijn liefdadigheid , zijn ideeën over gelijkheid, en zijn zorgzaamheid voor het personeel – voor zijn Engelse personeel in elk geval.

Toen Paul Polman in 2009 bij Unilever aantrad als bestuursvoorzitter vond hij inspiratie in juist deze van zijn voorgangers. Volgens Polman had Lever namelijk heel goed begrepen wat de ultieme vorm is van leiderschap: ‘werken voor het algemeen belang.’ Polman in de Financial Times: ‘Toen hij [Lever, red.] bezig was met Sunlight-zeep en Lifebuoy was dat niet om aandeelhouders blij te maken met kwartaalrapportages. Het was om de hygiëneproblemen in Victoriaans Brittannië aan te pakken, die waren gigantisch.’

Mannen met machetes

Anne Johnson – een Keniaanse van middelbare leeftijd die voorheen bladeren plukte voor Unilevers Lipton-thee – heeft zo haar eigen gigantische problemen. Ze verloor in 2007 haar man en dochter na een geweldsorgie waarin mannen met machetes dagenlang op de theeplantages tekeergingen: verkrachten, plunderen, brandstichten en moorden.

In 2015 weerklinkt Anne’s naam in dat monumentale Victoriaanse hooggerechtshof in Londen. Het prominente Britse advocatenkantoor Leigh Day neemt het bij de rechter op voor haar en 217 andere slachtoffers en nabestaanden van de slachtpartij in Kenia. Leigh Day betoogt dat Unilever de slachting had moeten zien aankomen. En vooral dat het zijn theeplukkers had moeten beschermen tegen het voorzienbare geweld van doorgedraaide collega’s en criminele indringers.

Maar Unilever ziet dat anders. Het concern trekt alles uit de kast om de Kenianen hun day in court te ontzeggen en de rechters ervan te overtuigen hun zaak niet in behandeling te nemen. Ze werkten immers niet bij Unilever PLC maar bij Unilever Tea Kenya – weliswaar een volle dochteronderneming, maar dat betekent niet dat de multinational verantwoordelijk kan worden gesteld voor de werknemers van die dochter. Met succes: tot Anne’s verdriet oordeelt de rechter in 2018 in het voordeel van Unilever PLC en blokkeert daarmee de enige juridische route naar genoegdoening voor haar en haar collega’s. 

Juist ten tijde van het proces wint ceo Paul Polman verschillende prijzen voor zijn morele leiderschap en inzet voor kwetsbare vrouwen. De Verenigde Naties roepen hem in 2015 uit tot Champion of the Earth en een internationaal feministisch onderzoekscentrum geeft hem in 2017 een Champion for Change Leadership Award. De pluimen weerspiegelen hoe succesvol Polman is met het nieuw leven inblazen van William Lever’s ethos van barmhartigheid. 

Onder het motto purpose before profits, geeft hij elk merk een sociaal, en vaak feministisch tintje. Met Dove probeert Polman vrouwen meer zelfvertrouwen te geven, door in reclames ‘echte vrouwen, geen modellen’ te tonen. En met Lipton creëren theedrinkers ‘een betere toekomst voor onze planeet’. Hoe? Dat is een beetje vaag, maar Lipton's website benadrukt dat ‘goed voor mensen zorgen’ hier in ieder geval bij hoort. 

Unilever trekt alles uit de kast om de Kenianen hun day in court te ontzeggen

Unilever zou onder goededoelenorganisaties bekend komen te staan als hét voorbeeld van ethisch, zelfs feministisch, kapitalisme en het bewijs dat een bevlogen ceo het verschil kan maken. De vraag is voor wie precies, in elk geval niet voor Anne Johnson en honderden van haar collega-theeplukkers op de Lipton-plantages in Kenia. Zij maakten mee dat Unilever juist geen verantwoordelijkheid neemt voor zijn medewerkers – en helemaal niet ‘goed voor mensen zorgt’ als het erop aan komt.

Op de plantage

Anne’s ellende begon in 2007. De heuvelachtige theeplantages, grenzend aan de stad Kericho in het zuidwesten van Kenia, besloegen destijds nog zo’n 130 vierkante kilometer.  Ze zijn het eigendom van Unilevers dochteronderneming Unilever Tea Kenya, die thee produceert voor de in Nederland bekende merken Lipton en Pukka

De plantages vormden in 2007 nog een zelfvoorzienende gemeenschap van zo’n 100.000 bewoners – de 20.000 arbeiders en hun gezinnen – met eigen scholen, klinieken en winkels. Een gevarieerde gemeenschap ook: de medewerkers kwamen uit alle uithoeken van het land en behoorden tot verschillende stammen. De Johnsons waren afkomstig uit Kisii, een provincie op twee uur rijden afstand, en identificeerden zich ook als leden van de Kisii-stam, net als bijna de helft van hun collega’s op de plantages. 

Het nabijgelegen Kericho, een plaats met zo’n 30.000 inwoners, was en is het domein van de Kalenjin-stam. Op de plantages werkten dan ook veel Kalenjins – voornamelijk in managementfuncties – terwijl de Kisii’s en medewerkers van andere stammen meestal als theeplukker de kost verdienden. 

De lokale Kalenjins beschouwden de Kisii’s als ‘buitenlanders’ maar met onderlinge spanningen viel het mee, vertelt Anne in een telefonisch interview. Haar familie voelde zich thuis op de plantages. Haar twee tienerdochters en 11-jarige zoon waren er geboren, gingen er naar school, naar de kerk en hadden er hun vriendinnen en vriendjes. ‘We hadden niets te vrezen en leefden in harmonie. We vierden zelfs Kerstmis op de plantage, zonder er maar aan te denken om dan naar onze eigen provincie te gaan. Het begon allemaal pas te veranderen toen de verkiezingen naderden.’

Het plantageleven was wel zwaar, zegt Anne. ‘We meldden ons om half zeven ‘s ochtends en waren vaak pas twaalf uur later klaar.’ Overdag kregen de theeplukkkers van Unilever wat pap voor de lunch en tegen de tijd dat Anne en Makori thuiskwamen, waren de kinderen vaak al begonnen met koken – meestal ugali, een Keniaanse maisschotel of chapati's met rijst – wetende dat hun ouders na een lange werkdag flinke trek zouden hebben.

"De machtsverschillen tussen het management en de theeplukkers werden prangender in de weken voor de verkiezingen"

Anne en haar echtgenoot Makori werden betaald voor de kilo’s theebladeren die ze op hun rug verzamelden. Anne werkte meestal zeven dagen per week en verdiende ongeveer 100 euro per maand. Makori was sterker en kwam gemiddeld op 140 euro. Hun gezin van vijf personen had moeite rond te komen, zegt Anne. Aan het eind van de maand kochten ze hun boodschappen meestal op krediet, of ze vroegen een voorschot op hun loon van de volgende maand. Net als de meeste andere theeplukkers waren de Johnsons voor hun gezinsinkomen en voor hun behuizing afhankelijk van de goodwill van hun werkgever. 

De machtsverschillen tussen het management en de theeplukkers – en de etnische dimensies van die verschillen – werden prangender in de weken voorafgaand aan de verkiezingen van 27 december 2007. Veel managers maakten geen geheim van hun voorkeur voor presidentskandidaat Raila Odinga, de leider van de Orange Democratic Movement (ODM), die in Kericho brede steun genoot. Ze organiseerden zelfs campagnebijeenkomsten met partijkopstukken op de plantages. 

Dit politieke enthousiasme van de Kalenjins had een zure keerzijde voor de Kisii’s, en voor leden van andere stammen van wie hun etniciteit werd geassocieerd met Odinga’s rivaal, Mwai Kibaki van de Party of National Unity (PNU). Anne: ‘Ze gingen ervan uit dat wij als Kisii’s automatisch voor Kibaki waren. Hierdoor verslechterde de relatie tussen de Kalenjins en de Kisii’s enorm.’

Verkiezingen op komst

In de herinnering van Anne begon het met pesterijen, zoals die ochtenden dat haar teamleider haar werk, zonder enige verdere uitleg, toewees aan collega’s van andere stammen – en haar zo de kans ontnam op een inkomen voor die dagen. Ze durfde niet te protesteren, bang dat ze er alleen maar meer problemen mee zou uitlokken. 

Wat haar ook zwaar viel, is dat ze van haar manager geen toestemming kreeg om thuis in de provincie Kisii haar stem uit te brengen. Hij wees haar verzoek om een paar vrije dagen om onduidelijke reden af. Gevolg was dat zij met haar hele familie de verkiezingsperiode – die vier dagen zou duren – op de plantages moest uitzitten. Geen fijn vooruitzicht, want de sfeer werd met de week politieker en vijandiger.

Typische dreigementen waren dat ze als Kisii’s weggejaagd zouden worden en dat hen wat te wachten stond als Odinga zou verliezen 

Anne herinnert zich ook hoe collega-theeplukkers van andere stammen zich tegen de Kisii’s keerden. Ze deden geheimzinnig en negeerden haar als ze een praatje probeerde aan te knopen. Maar wat ze vooral eng vond, waren de posters op de plantages. Die hadden teksten als ‘buitenlanders wegwezen’ of ‘deze plekken worden opgeruimd’, waarbij het opruimen verwees naar ‘indringers’. Wie de posters ophing wist ze niet, maar ze wist wel dat ze voor Kisii’s en andere minderheden waren bedoeld. In Kericho zag ze vergelijkbare posters, en hing eenzelfde vijandige sfeer.

Veel van haar collega’s hadden in die dagen dezelfde angstige ervaringen: intimidatie en discriminatie door mede-theeplukkers en door managers. Typische dreigementen waren dat ze als Kisii’s weggejaagd zouden worden; dat hen ‘wat te wachten stond’ als Odinga zou verliezen; en dat ze ‘moesten vertrekken’ als ze een bloedbad wilden voorkomen. 

In Kenia én in het buitenland heerste toen al volop ongerustheid over de op handen zijnde verkiezingen. De BBC , Al Jazeera en Reuters zagen al wekenlang de dreiging van etnisch geweld. En de regio rond het stadje Kericho was, juist vanwege de vele plantage-arbeiders uit minderheidsgroepen, al aangemerkt als extra riskant. De lokale autoriteiten organiseerden er daarom zelfs ‘vredesbijeenkomsten’ om de gemoederen tot bedaren te brengen.

Iedereen die in 2007 het nieuws volgde over de Keniaanse verkiezingen wist dat die potentieel zouden eindigen in wijdverbreid geweld langs de lijnen van identiteit, zegt Tara Van Ho, docent mensenrechten aan de Universiteit van Essex. Volgens Van Ho hadden zowel Unilever Tea Kenya als het hoofdkantoor in Londen moeten weten dat de Kisii’s en andere minderheden liepen, omdat ze ‘immigranten’ waren. ‘Unilever had bijvoorbeeld extra beveiligers kunnen inhuren en evacuaties kunnen oefenen om zijn personeel te beschermen,’ aldus Van Ho.


Tara Van Ho, Universiteit van Essex

"Unilever had beveiligers kunnen inhuren en evacuaties kunnen oefenen om zijn personeel te beschermen"

Als ze de tijd had kunnen terugzetten, was Anne tegen het verbod van haar manager in alsnog met haar familie naar Kisii vertrokken. Maar destijds voelde het alsof ze geen keuze had: als theeplukker verzette je je niet tegen je baas. Bovendien had ze genoeg vertrouwen in Unilever, zegt Anne. Als het écht gevaarlijk zou worden, zou het bedrijf haar gezin beschermen. Ze geloofde in de filosofie van Unilever – dat de multinational verantwoordelijkheid nam voor het welzijn van zijn mensen – ook voor degenen die als ‘migranten’ werden gezien.

Sommige collega’s waren daar minder zeker van, die probeerden het management bewust te maken van de dreiging die uitging van de atmosfeer op de plantage en van de enge posters. Maar dan hoorden ze dat het only politics was, of de managers reageerden met alleen maar meer intimidatie. Een senior ict-manager zou later (schriftelijk) onder ede verklaren dat hij de afdeling personeelszaken persoonlijk over de bedreigingen had gemaild, en dat ook hij nooit antwoord had gekregen. 

Deze ict’er en een andere voormalig manager van Unilever Tea Kenya vertelden in hun getuigenissen dat het topmanagement wist van het gevaar. Maar dat het meer bezig was geweest met het veiligstellen van de bedrijfsgebouwen dan met het beschermen van de theeplukkers en hun gezinnen.

‘Unilever lette op zijn bedrijfseigendommen, niet op de veiligheid van zijn medewerkers’

Een zo’n manager – hij werkte vijftien jaar bij Unilever – schrijft in zijn verklaring onder ede: 

‘De verwachting was dat er onrust zou komen en dat de plantage zou kunnen worden binnengevallen. Er waren vergaderingen met het senior management, inclusief [voorzitter] Richard Fairburn, waar we de noodzaak bespraken om bedrijfseigendommen, fabrieken, machines, winkels, elektriciteitscentrales en managementhuizen te beveiligen tijdens de verkiezingsperiode. Er was echter geen discussie over de veiligheid van de theeplukkers en andere arbeiders. 

Het bedrijf heeft maatregelen genomen om belangrijke installaties (zoals elektriciteitscentrales en fabrieken) te beveiligen [...]. Maar aan het verhogen van de veiligheid van de woonkampen om de arbeiders te beschermen werd niet gedacht. Het zou niet moeilijk zijn geweest om de regering te vragen politieagenten of de General Service Unit [een militaire regeringseenheid, red.] uit andere delen van Kenia in te zetten voordat de aanslagen plaatsvonden. Ik denk dat dit de aanvallers, die alleen over ruwe wapens beschikten, gemakkelijk zou hebben afgestoten. 

Ze hadden het management ook kunnen adviseren om automatisch verlof toe te staan ​​aan bedreigde minderheidsstammen. Wat ik schokkend vind, is dat ze de beveiliging rond belangrijke installaties hebben verhoogd, inclusief managementwoningen, maar het niet nodig vonden dit voor hun eigen werknemers te doen.’

Richard Fairburn, de voormalige directeur van Unilever Tea Kenya, wil geen commentaar geven op de kwestie, zegt hij tegen Follow the Money.

Lees verder Inklappen

In plaats van de beveiliging op te schroeven voor alle plantagebewoners – of verlof toe te staan – dwong Unilever Tea Kenya zijn arbeiders op de plantages te blijven. Volgens de getuigenissen gingen veel topmanagers veiligheidshalve zelf wel op vakantie. 

Volgens Daniel Leader, advocaat van de slachtoffers, creëerde Unilever hiermee ‘een situatie waarin zijn werknemers als sitting ducks op de plantages bleven, als doelwit van geweld – puur vanwege hun etniciteit en status als migranten-arbeiders’. 

Knuppels en kerosinekruiken

Toen zondag 30 december rond 18 uur lokale tijd bekend werd dat Mwai Kibaki met een nauwe meerderheid had gewonnen, waren Anne en de kinderen aan het koken. Ze hoorden buiten ‘mensen schreeuwen’ en wisten dat het mis was. ‘We sloten snel onze deuren.’

Die nacht kwamen er honderden mannen met machetes, knuppels en kerosinekruiken de plantages binnen en vielen de theeplukkers en hun families aan. Hun voornaamste doelwitten waren Kisii’s, van wie ze de hutten met een X markeerden. Ze plunderden duizenden hutten en staken ze in brand. 

De onlusten beperkten zich niet tot de plantage of tot de regio rond Kericho. Met de overwinning van Mwai Kibaki – fel betwist door Raila Odinga – spoelde een golf van geweld over het land die weken zou aanhouden, naar schatting 1400 Kenianen het leven kostte en een half miljoen ontheemd zou maken.

"Veel slachtoffers herkenden in de aanvallers hun eigen collega’s en zouden die later in hun getuigenissen bij naam en functie identificeren"

Jaren later schetsen de getuigenissen van de slachtoffers een weerzinwekkend beeld van wat zich precies op de plantage afspeelde. Hoe hun belagers mensen met messen bewerkten, hoe ze collega’s in brand staken, en hoe ze anderen – degenen die tussen de theestruiken probeerden te schuilen – achterna joegen met honden. Veel slachtoffers herkenden in de aanvallers hun eigen collega’s en zouden die in hun getuigenissen bij naam en functie identificeren. 

Verstoppen tussen de theeplanten

Vrouwen en meisjes werden door groepen mannen verkracht. Sommige slachtoffers hoorden hun belagers schreeuwen dat ‘dit niet hun land’ was en dat ze ‘dood’ moesten of ‘wegwezen’. 

Een Kisii-theeplukster, Mary (niet haar echte naam), vertelt aan Follow the Money dat ze in de geweldsexplosie haar manager had gebeld en om beveiliging en vluchtauto's had gevraagd. Ze kreeg te horen dat ze zich maar tussen de theeplanten moest verstoppen. Daar in de struiken werd ze, in het bijzijn van haar kinderen, door meerdere mannen verkracht en bewusteloos achtergelaten. 

Een andere Kisii-vrouw beschreef voor de rechtbank hoe ze haar collega's 'gewapend met machetes en knuppels’ door de theeplantages had zien zwerven. Vijf van hen – ze kende ze bij naam en toenaam – ‘begonnen me te slaan met een metalen staaf op mijn rug en op mijn benen en wilden me verkrachten’. Ze hielden ermee op toen ‘een Kalenjin-buurman, die verpleger was, tussenbeide kwam’. 

Anne Johnson zegt niet te weten of de groep mannen die haar en haar dochters verkrachtte – en haar man in het bijzijn van hun 11-jarige zoon – collega's waren of mensen van buiten de plantage. Ze herinnert zich dat ze de lokale taal spraken. ‘Toen ze het huis binnendrongen, blinddoekten ze ons zodat we niet konden zien wie ze waren.’

Nadat de aanvallers waren vertrokken, vluchtte het gezin van Anne en Makori. Zij en hun drie kinderen verstopten zich drie nachten in de theestruiken voordat ze, bedekt met bloed en modder, de weg vonden naar het politiebureau in het zuidelijker gelegen dorpje Koiwa. Van daaruit begeleidden agenten hen naar Kisii – de enige plek die veilig leek en waar hun familie een stukje land had. 

Er was geen geld voor het ziekenhuis voor hun oudste dochter, die ernstig gewond was geraakt en met de dag zwakker werd. En evenmin voor Makori, die interne bloedingen had opgelopen. In de maanden daarna stierven beiden in het kleine lemen huisje in Kisii. Anne en haar twee overgebleven kinderen wonen er nog steeds.

Anne kreeg van Unilever nog haar loon over die laatste fatale decembermaand. Daarna hoorde ze zes maanden niets. Toen kwam er een uitnodiging om weer aan het werk te gaan op de inmiddels heropende plantages. Ze ging er niet op in.

Tien maanden erna kreeg Anne een brief waarin Unilever haar 120 euro aanbood ter vervanging van haar ‘verloren bezittingen’

Ook al had ze gedurfd, ze kon (en kan) haar zoon, nu midden twintig, niet alleen laten: ‘Hij heeft sinds de aanvallen zware paniekaanvallen en epilepsie en constante zorg nodig.’ Ze kan geen medische of psychologische hulp betalen, de kinderen zijn sinds de slachting ook amper naar school geweest. ‘We leven van giften van familieleden en buren, en van het beetje maïs dat we verbouwen.’

Zonder loon in diepe armoede

Tien maanden na het verkiezingsgeweld, in oktober 2008, kreeg Anne een brief waarin Unilever Tea Kenya haar 120 euro aanbood om haar ‘verloren bezittingen te vervangen’. De brief roemt de morele en materiële steun van Unilevers hoofdkantoor in Londen bij de totstandkoming van dit bedrag, dat bedoeld was om ‘het leven van onze werknemers en hun families tot normaal terug te [doen, red.] keren’.

Collega’s van Anne, die wel weer aan het werk gingen, zeggen dat ook zij zo’n schadevergoeding kregen. Die werd hen aangeboden toen de plantage weer openging, en vanaf dat moment werden ze ook weer betaald voor hun werk. Maar net als Anne hadden ze in de tussenliggende zes maanden geen loon meer gezien. Veel van hen zeggen dat ze sinds de aanval en de diefstal van hun spullen in diepe armoede zijn beland, dat ze met hoge ziekenhuisrekeningen werden opgezadeld en dat het onderwijs van hun kinderen moest worden onderbroken.

Een mannelijke theeplukker wiens kinderen niet meer naar school konden, schreef in zijn getuigenis dat hij zijn ‘ingehouden loon en het geld dat uit mijn huis is gestolen voor mijn kinderen en hun school [had] kunnen gebruiken.’ De theeplukker lijdt aan chronische borstpijn en zegt dat hij ‘nog steeds geen zinvol werk kan doen waarmee ik mijn kinderen en mijn vrouw kan onderhouden’.

Vooral schokkend voor degenen die weer aan het werk gingen, was dat veel van hun belagers – mannen die hen een half jaar daarvoor nog te lijf waren gegaan – er ook weer waren. Ze konden ze dagelijks tegen het lijf lopen. Op steun of solidariteit van het management hoefden ze nog steeds niet te rekenen. Dat droeg hen op zich ‘stil te houden’, zelfs wanneer ze collega’s met hun gestolen spullen zagen lopen. Ze moesten het verleden achter zich laten.

"Vooral schokkend was dat veel van hun belagers – mannen die hen een half jaar daarvoor nog te lijf waren gegaan – ook weer aan het werk waren"

Kort daarna, in januari 2009, wordt Paul Polman bestuursvoorzitter van Unilever, als opvolger van Patrick Cescau. Dat was kort nadat hijzelf maar net aan een gewelddadig einde was ontsnapt.

Polman in doodsangst

Op 26 november 2008 was Polman, met Cescau en anderen van de Unilever-top, in een zaaltje van het Taj Mahal Palace Hotel in Mumbai toen islamitische extremisten er een bloedbad aanrichtten. Urenlang lagen hij en z’n collega’s in doodsangst op de vloer, hopend dat de terroristen – die 174 gasten en personeelsleden zouden doodschieten – aan hun deur voorbij zouden gaan. Jeroen Smit beschrijft in Het grote gevecht & het eenzame gelijk van Paul Polman hoe de ceo, daar op de grond in Mumbai, diep nadacht over ‘de vluchtigheid van het leven [...] en de noodzaak om er iets goeds mee te doen.’ 

Smit: ‘Zo dichtbij het kwaad, zo dichtbij zijn eigen dood, is Paul Polman er opeens diep van doordrongen dat de goede krachten die in de mensen zitten het altijd zullen winnen. Het moeten winnen.’

Polman realiseert zich dat armoedebestrijding hét middel is om slachtpartijen als die in het Taj Mahal Palace te voorkomen. Hij neemt zich voor om in zijn nieuwe rol bij Unilever de doing well by doing good-mentaliteit van William Lever terug te halen. 

Feministische idealen – het bevorderen van vrouwenrechten, gendergelijkheid en het ‘empoweren’ van vrouwen – worden de hoeksteen van Polmans missie om hogere doelen na te streven. Zijn opvolger Alan Jope neemt dat ideaal bij zijn aantreden in 2019 met verve over : ‘Het loont om te investeren in vrouwen en meisjes.’ 

In zijn tijd doet Polman grootse beloftes en hij positioneert Unilever als een verlicht en moedig toonbeeld van een gewetensvolle multinational. Leiderschap gaat vooral ‘om het maken van moeilijke keuzes,’ vertelt hij de Financial Times, en om ‘proberen respect af te dwingen door waardigheid en respect voor mensen [te tonen]’. ‘Sommige mensen denken dat hebzucht goed is,’ zegt hij later tegen de The New York Times, ’maar keer op keer blijkt dat gulheid uiteindelijk beter is.’

Polman doet grootse beloftes en positioneert Unilever als een verlicht en moedig toonbeeld van een gewetensvolle multinational

Polmans verontwaardiging over seksistische stereotypes, achterhaalde culturele normen, en geweld tegen vrouwen maakt hem een uitzondering onder ceo’s. Zijn enthousiasme om andere mannelijke bestuurders de les te lezen, en een appel te doen op hun morele plicht zich in te zetten voor de vrouwenzaak, is verfrissend. 

Daverend succes

Hij is zich ervan bewust dat zo’n reputatie ook helpt bij het rekruteren van idealistische millennials. Op jongerenconferenties en Amerikaanse business schools verkondigt Polman dat ze met een baan ‘bij Unilevers voedselmerken net zoveel levens kunnen redden als bij een liefdadigheidsorganisatie’. Met succes: Unilevers jaarverslag van 2017 vermeldt dat 90 procent van de werknemers er trots op is voor het bedrijf te werken. 

Voorvechters van vrouwenrechten en armoedebestrijding struikelen over elkaar heen om de succes-ceo te belonen voor zijn visie en beloftes. Ze verspreiden Polmans inspirational quotes in hun brochures en op sociale media, loven awards aan hem uit en nemen hem op in hun adviesraden. Hij en zijn collega’s in de Unilever-top raken niet uitgepraat over het belang van ‘inclusiviteit’ en ‘partnerschappen’ voor de vrouwenzaak. De strategie van Polman – Unilever neerzetten als een baken van verantwoord, verlicht en vrouwvriendelijk kapitalisme – is een daverend succes. 

2015 is voor Polman een jaar vol mijlpalen. De secretaris-generaal van de Verenigde Naties betrekt hem bij het opstellen van de Sustainable Development Goals – ter bestrijding van armoede wereldwijd – en roept hem uit tot Champion of the Earth.

Het is in die periode dat Anne Johnson en 217 andere Kisii-overlevenden een dringend beroep doen op Unilever. 56 van hen zijn het slachtoffer van verkrachting en zeven verloren een of meer familieleden. Zij hebben geen behoefte aan inspirerende woorden of vrijblijvende liefdadigheid maar aan gerechtigheid en genoegdoening. Anne: ‘Het bedrijf beloofde dat het voor ons zou zorgen, maar dat deden ze niet. Dus nu moeten ze ons betalen zodat we eindelijk ons ​​leven weer kunnen opbouwen.’

‘Zorgplicht verzaakt’

Namens de slachtoffers vraagt Daniel Leader van het advocatenkantoor Leigh Day het Britse hooggerechtshof om inhoudelijke behandeling van hun zaak tegen Unilever Tea Kenya en Unilevers hoofdkantoor in Londen. Unilever, zo pleit Leader, heeft zijn zorgplicht tegenover zijn werknemers en hun gezinnen verzaakt. Het concern had moeten weten dat de Kisii’s en andere minderheden gevaar liepen in de verkiezingsstrijd, en het had stappen moeten ondernemen om hen te beschermen. 

In Kenia is er voor hen geen pad naar gerechtigheid, zegt Leader. Een rechtszaak daar zou de overlevenden en nabestaanden kwetsbaar maken voor nog meer agressie – een groot risico voor degenen die weer tussen hun vroegere belagers aan het werk zijn. Bovendien kunnen de slachtoffers zich in Kenia geen advocaten veroorloven. In het Verenigd Koninkrijk zet zijn advocatenkantoor zich pro bono voor hen in. 

Het proces zou drie jaar in beslag nemen en Polmans Unilever schuift elke vorm van verantwoordelijkheid van zich af

Het proces zou drie jaar in beslag nemen – van 2015 tot 2018 – en Polmans Unilever schuift elke vorm van verantwoordelijkheid van zich af. De zaak zou een Afrikaanse aangelegenheid zijn en niet thuishoren in een Londense rechtbank. De angst voor represailles zou overdreven zijn. De slachtoffers hadden beter samen kunnen werken, om de juridische kosten van een rechtszaak in Kenia door een crowdsourced actie onder familie en vrienden bij elkaar te krijgen. Een merkwaardige suggestie. Voor crowdsourcing hadden de Kenianen in eigen land de publiciteit moeten zoeken, wat het gevaar van wraakacties alleen maar groter had gemaakt.

In Unilevers jaarverslag over 2008 erkent het concern dat er negen werknemers op de plantages om het leven zijn gekomen (overleden familieleden van medewerkers, zoals Annes dochter, worden niet genoemd). Maar bij de rechter verschuilt het zich primair achter zijn bedrijfsstructuur: Unilever Londen is niet verantwoordelijk voor medewerkers van een buitenlandse dochteronderneming en een Londense rechter zou zich helemaal niet met de zaak moeten bezighouden.

Volgens de Britse wet hebben moedermaatschappijen niet per definitie een zorgplicht voor werknemers van bedrijfsonderdelen in het buitenland. Maar die plicht is er bijvoorbeeld wel als de moeder ‘een hoge mate van controle’ uitoefent over het beleid van die dochter. Om aan te tonen dat Unilever zich vanuit Londen actief bemoeide met het Keniaanse crisismanagement en veiligheidsbeleid getuigden vier ex-managers dat ‘Londen’ op de plantages zijn eigen veiligheidsprotocollen verplicht stelde, strikte opvolging vereiste en ook regelmatig controles uitvoerde. Volgens een van deze managers brachten overigens ook ‘topfunctionarissen als Paul Polman en Pier Luigi Sigismondi regelmatig een bezoek aan Kericho, minstens eenmaal per jaar.’ 

Unilever heeft zich met succes kunnen verbergen achter zijn internationale corporate-structuur

Unilever gaf in elk geval duidelijk invulling aan ‘een hoge mate van controle’, betogen de advocaten. Daarom hoorde de rechtszaak wel degelijk thuis in de stad van Unilevers hoofdkwartier en had het bedrijf een zorgplicht voor de werknemers in Kenia. Unilever had derhalve, aldus Leigh Day, samen met Unilever Tea Kenya niet alleen het hogere personeel moeten beschermen tegen voorzienbaar geweld maar ook zijn theeplukkers.

Voor de rechters was het bewijs niet overtuigend genoeg. In de zomer van 2018 valt het oordeel: Unilevers hoofdkantoor in Londen had en heeft geen zorgplicht voor de slachtoffers.

‘Grootschalige schending van mensenrechten’

Hiermee is, aldus Leader, hun enige juridische route naar herstelbetalingen geblokkeerd. Het ondernemen van juridische stappen in Kenia is immers onbetaalbaar en gevaarlijk voor ze. ‘Het was grootschalige schending van mensenrechten, met voor zover bekend de grootst concentratie aan Unilever-medewerkers ter wereld als slachtoffer’, zegt Leader in The Guardian. Maar Unilever heeft zich met succes ‘kunnen verbergen achter zijn internationale corporate-structuur om de overlevenden geen herstelbetalingen te doen – ondanks dat het duidelijk is dat Unilever zelf heeft gefaald in het beschermen van zijn werknemers’. 

Unilever stelt bij de rechter bovendien dat het na de slachtpartij helemaal niet stopte met het betalen van salarissen. En het claimt in een verklaring op Unilevers website – en later ook in een e-mail aan Follow the Money – dat de theeplukkers die in 2008 weer aan het werk gingen een passende schadevergoeding kregen. De multinational weigert in te gaan op de vraag hoe hoog die schadevergoeding dan is geweest.

Unilever ontkent in Londen ook ten stelligste dat zijn eigen personeel zich schuldig maakte aan intimidatie en geweld. Maar een ex-manager getuigt zich niet bewust te zijn van enig intern onderzoek naar eventuele betrokkenheid van de eigen medewerkers. En ook nu, vijf jaar later, wil Unilever niet zeggen of, en hoe, het de rol van zijn eigen mensen destijds heeft onderzocht. Unilever gaat ook niet in op de vraag of het mogelijk is dat sommige slachtoffers tot op de dag van vandaag tussen hun voormalige aanvallers en verkrachters werken. 

In een e-mail aan Follow the Money stelt Unilever dat ‘93 procent van alle getroffen mensen’ weer op de plantages aan het werk is gegaan. Ze zouden ook allemaal ruimschoots zijn gecompenseerd voor hun gestolen bezittingen, en voldoende medische hulp hebben ontvangen. Maar welke slachtoffers bedoelt Unilever met die ‘93 procent van de getroffen mensen’? Zijn de slachtoffers van verkrachting meegeteld? Ook die vragen blijven onbeantwoord.

Volgens advocaat Daniel Leader is het uiterst onwaarschijnlijk dat het concern enig zicht heeft op hoeveel van de vele tienduizenden plantagebewoners precies zijn aangevallen, en in welke mate die getroffen zijn. ‘Zelfs wij weten niet hoeveel mensen verkracht, vermoord of blijvend verminkt zijn.’ Leader vermoedt dat de groep van 218 mensen die hij vertegenwoordigde veel kleiner is dan het daadwerkelijke aantal getroffenen. ‘Veel van hen zijn veel te bang voor vergelding en voor hernieuwd geweld van hun collega’s.’

Kort na afloop van hun rechtszaak daarna schrijven Anne en de anderen Polman een brief . Ze laten hem weten dat het ‘niet juist is dat Unilever zegt dat het ons hielp, wij weten dat dit niet waar is.’

Uit de brief van Anne en andere slachtoffers aan Paul Polman:

‘Unilever wilde gewoon dat we weer aan het werk gingen alsof er niets was gebeurd. [Degenen die inderdaad het werk hervatten] kregen te horen dat we niet moesten praten over wat er was gebeurd. We zijn nog steeds bang dat we gestraft worden als we erover praten.[...] 

Unilever zegt dat na het geweld elke werknemer "compensatie in natura" kreeg om ons verloren loon te compenseren en dat we vervangende artikelen of contant geld kregen om nieuwe artikelen te kopen ter vervanging van onze gestolen eigendommen ... maar degenen die te bang waren om terug te keren, kregen niets en slechts enkelen van degenen die wel terugkeerden kregen 12.000 Keniaanse shilling, iets meer dan een maandsalaris, en een beetje mais, die vervolgens van ons salaris werd afgetrokken. Er is ons verteld dat we niets moesten zeggen als we mensen zagen met onze bezittingen.’

Lees verder Inklappen

Polman liet de brief onbeantwoord. Het kan geen centenkwestie zijn geweest. Net na de start van de rechtszaak van de Kenianen verhoogde hij de jaarlijkse bijdrage van Unilever aan UN Women van minder dan 40.000 dollar in 2015 naar bijna een miljoen dollar vanaf 2016. 

Het is een gulheid waarvoor Unilever mooie public relations terugkrijgt: UN Women prijst Polman en Alan Jope op social media, in brochures en zelfs in jaarverslagen voor hun leiderschap en verspreidt hun feministe quotes op Twitter.

Omgekeerd looft Unilever de VN-vrouwenorganisatie voor haar bijdrage aan projecten waarmee de multinational wereldwijd ‘miljoenen vrouwen’ zegt te ‘empoweren’ en te beschermen. Zo’n project is bijvoorbeeld de veiligheidsgids waarin Unilever zijn ervaring en expertise ter beschikking stelt aan andere theebedrijven, zodat ook zij leren hoe ze hun vrouwelijke werknemers tegen geweld kunnen beschermen. De gids maakt geen melding van de ervaringen van Anne en haar collega’s. 

Unilever wil aan Follow the Money niet kwijt hoeveel het zijn vrouwelijke theeplukkers tegenwoordig betaalt. En evenmin met welke methoden het bedrijf samen met UN Women de positie van vrouwelijke werknemers dan precies verbetert en beschermt. UN Women weigert ook in te gaan op vragen over Anne Johnson en haar strijd. 

Ze adviseert bedrijven om vrouwenrechten te benaderen zoals Unilever dat doet: als een zakelijke kans die de winst niet hoeft te schaden

Zelf rekruteerde UN Women een voormalige marketingmanager van Unilever voor een adviesfunctie over verantwoord ondernemen. In een recent webinar prijst zij haar vroegere werkgever omdat Unilever ‘women’s empowerment’ in zijn voordeel laat werken waardoor het als bedrijf ‘veerkrachtiger’ werd. Ze adviseert haar toehoorders – ondernemers in de kledingbranche – om vrouwenrechten te benaderen zoals Unilever dat doet: als een zakelijke kans, die de winst niet hoeft te schaden. En zelfs kan helpen jong talent aan te trekken – met de geruststelling dat ‘ze echt voor een goed bedrijf werken'. 

Business-case feminisme

Er is kritiek op deze win-winstrategie en het business-case feminisme dat eraan ten grondslag ligt. Economen als Genevieve Lebaron, Adrienne Roberts en Sofie Tornhill zeggen dat bedrijven er gratis reclame voor terugkrijgen, terwijl ze feministische idealen en principes verdraaien en goedkoper maken. 

Tornhill, auteur van The Business of Women’s Empowerment, legde in een interview met Follow the Money uit dat de vrouwenprogramma’s van multinationals – met hun optimistische maar oncontroleerbare ‘claims over impact en empowerment’ – vaak in schril contrast staan met de ‘uiterst precaire en kwetsbare omstandigheden waarin hun zogenaamde doelgroepen zich bevinden’. Tornhill: ‘Door de stemmen en goede intenties van ceo’s te verheffen maken groepen zoals UN Women de vrouwen voor wie ze zeggen te vechten soms minder zichtbaar.’ 


Lydia de Leeuw, Somo

"Verschuilen achter bedrijfsstructuren om verantwoordelijkheden te ontlopen, is het tegenovergestelde van wat de Richtlijnen voorschrijven"

In juli 2020 diende advocaat Daniel Leader namens Anne en de andere slachtoffers een klacht in bij de ‘Werkgroep voor Bedrijfsleven en Mensenrechten’ van de Verenigde Naties. Ze beargumenteren dat Unilever de VN-Richtlijnen schond, een reeks niet-afdwingbare werkgeversprincipes, die de multinational beweert te respecteren. Een vereiste is dat bedrijven ervoor moeten zorgen dat slachtoffers van mensenrechtenschendingen ‘in hun toeleveringsketen’ toegang hebben tot herstelmaatregelen.

Lydia de Leeuw van kenniscentrum Somo hoopt dat de VN-Werkgroep het met Anne eens zal zijn dat Unilever de Richtlijnen schond. "Zich verschuilen achter bedrijfsstructuren om verantwoordelijkheden voor mensenrechten te ontlopen en herstelbetalingen te vermijden, is precies het tegenovergestelde van wat de Richtlijnen voorschrijven.' De VN-groep heeft geen mandaat om Unilever te dwingen een schadevergoeding of genoegdoening te betalen maar ‘ervan uitgaande dat de klacht wordt opgepakt, hopen we dat de VN een constructieve rol kan spelen en Unilever ervan kan overtuigen zijn verantwoordelijkheid te nemen en te zorgen voor genoegdoening voor de slachtoffers.’ 

Anne hoopt dat de zaak de aandacht, de publieke druk en de solidariteit zal genereren die volgens haar nodig zijn om het concern de goede richting in te duwen. Op de vraag wat het voor haar zou betekenen als ze zou slagen, zei ze: ‘Dat zou het mooiste moment in mijn leven zijn.’

Paul Polman gaat niet in op de bevindingen en vragen van Follow the Money

In de afgelopen drie maanden stuurde Follow The Money Paul Polman drie e-mails met vragen, waarvan hij er geen heeft beantwoord.

Op een vraag aan Unilever, of Polman ooit heeft gereageerd op de brief van de slachtoffers, verklaart een woordvoerder van Unilever in een e-mail het volgende: ‘Deze brief is op een openbare website geplaatst, ondanks het feit dat de juridische procedure destijds nog aan de gang was en de eisers hun bezorgdheid over publiciteit over de zaak hadden geuit. Gezien de aard van de kwesties heeft Unilever met een verklaring op diezelfde website gereageerd, maar gezien een beslissing over het beroep destijds nog in behandeling was had de toenmalige CEO, de heer Polman, geen persoonlijke correspondentie met de eisers of hun vertegenwoordigers aan kunnen gaan.’

De door de woordvoerder genoemde verklaring is hier te vinden.

 

 

Lees verder Inklappen