De economische religie

Gaat het echt beter met ons wanneer de economie groeit? Lees meer

'De economie groeit, dus het gaat goed met Nederland.' Dit soort uitspraken hoor je vast wel eens voorbij komen. Maar klopt dat wel? Waar praten we nu eigenlijk over als we het over de economie hebben?

Economie is een sociale wetenschap – het gaat over mensen en hun interactie. In veel economische discussies is deze menselijke factor alleen ver te zoeken en wordt er vooral gegoocheld met cijfertjes. Economie wordt zo een onnavolgbaar onderwerp voor iedereen die niet van wiskunde houdt; en daar lijdt het maatschappelijk debat onder. Economische argumenten worden regelmatig op dogmatische wijze ingezet om politieke besluiten te legitimeren – zonder aandacht te schenken aan de sociale implicaties. De economische leer vormt zo de perfecte sluier voor machtsmisbruik.

Het geloof in 'economische groei' heeft daarmee veel weg van een religie: in de veronderstelling dat het goed voor ons is – maar zonder echt te begrijpen waarom – lopen we als makke lammetjes achter de predikers van de economische waarheid aan. In het dossier 'De economische religie' ontkrachten we economische mythes en belichten we het maatschappelijke aspect achter de cijfertjes.

Economie is namelijk geen exacte - maar een sociale gedragswetenschap en in tegenstelling tot de natuurwetten kunnen we ons gedrag wel veranderen.

42 Artikelen

Goede ideeën van dode economen

2 Connecties

Onderwerpen

Adam Smith Liberalen

De oorspronkelijke liberale economen zouden zich omdraaien in hun graf als ze zagen wat er in hun naam werd gedaan.

 Adam Smith en zijn onzichtbare hand, David Ricardo en zijn verdediging van de vrijhandel en John Stuart Mill en het liberale schadebeginsel. Allemaal worden ze door de diepe denkers in liberale kringen aangehaald. De klassiek liberale economen van weleer worden vaak geciteerd, maar helaas weinig gelezen. 

 
De economen uit het verleden zouden zich omdraaien in hun graf als ze zagen wat er in hun naam wordt gedaan door zelfbenoemde liberalen. Wat Adam Smith, David Ricardo en John Stuart Mill voor ogen hadden was een meritocratische maatschappij, waarin, anders dan in het feodalisme, iedereen beloond zou worden naar gelang zijn inzet -- zijn bijdrage aan de gemeenschap. In de woorden van John Stuart Mill, wiens liberale principes het meest naar voren komen in zijn economische werk: “Private property, in every defence made of it, is supposed to mean, the guarantee to individuals of the fruits of their own labour and abstinence.
 
Mill had geen probleem met de kapitalist die door hard te werken en slim te investeren zijn geld verdient. Mill was daarom, als een echte liberaal, tegen progressieve inkomstenbelasting. ‘To tax the larger incomes at a higher percentage than the smaller, is to lay a tax on industry and economy; to impose a penalty on people for having worked harder and saved more than their neighbors,’ schreef Mill. Er waren echter ook klassen die geld verdienden zonder daarvoor iets te doen en in dat geval was publieke interventie noodzakelijk. ‘It is not the fortunes which are earned, but those which are unearned, that it is for the public good to place under limitation.
 
De klassieke economen, van de liberale Mill tot de radicale Marx, probeerden op hun eigen manier vormen van ‘unearned income’ te identificeren. Zij realiseerden zich dat niet alles wat ‘de markt’ doet per definitie zorgt dat iedereen beloond krijgt voor zijn inzet. Een vrije markt was een markt vrij van ‘unearned income’, niet alleen een markt vrij van overheidsinterventie. 
 
David Ricardo: De grote theoreticus van de vrijhandel. Zijn vrijhandelstheorie werd ondermeer ontwikkeld om het monopolie van de grootgrondbezitters op voedsel te doorbreken. 
 
‘Unearned Income’
De radicale visie van de vroegste klassieke economen was een directe aanval op het rentenierinkomen van de Britse aristocratie. Deze klasse van grootgrondbezitters hoefde nauwelijks een poot te verzetten om in luxe te kunnen leven. Ze verhuurden grond die al generaties lang werd doorgegeven en verdienden hier grof geld aan. Dit was geen beloning naar inzet, maar beloning naar geboorte. Het inkomen van de grootgrondbezitter was daarom grotendeels ‘unearned income’ zo oordeelde Mill. 
 
Om inzet meer in lijn te brengen met beloning stelden Smith, Ricardo en Mill dan ook voor om de grondhuur te belasten. Mill verwoordde de theoretische grondslag voor het instellen van deze belasting in groot detail. Het was volgens hem rechtmatig wanneer de grondbezitter verdiende aan zijn eigen investeringen, de kosten van de bouw en de kosten van het onderhoud van zijn vastgoed. Wanneer de grondbezitter echter zijn geld verdiende door een waardestijging van de grond dan was dit onrechtmatig en behoorde de waardestijging te worden belast.
 
De grondhuur is puur en alleen het gevolg van de inzet van de gemeenschap als geheel, niet van de productieve inzet van de grondbezitter. Ter illustratie: Stel dat een grondbezitter een stuk grond heeft in niemandsland. De overheid besluit een weg aan te leggen en private partijen bouwen een winkelcentrum in de buurt. De waarde van de grond stijgt waardoor meer huur gevraagd kan worden, maar deze hogere inkomsten zijn geenszins het gevolg van de productieve inzet van de grondbezitter. 
 
Suppose that there is a kind of income which constantly tends to increase, without any exertion or sacrifice on the part of the owners: those owners constituting a class in the community, whom the natural course of things progressively enriches, consistently with complete passiveness on their own part. In such a case it would be no violation of the principles on which private property is grounded, if the state should appropriate this increase of wealth, or part of it, as it arises. This would not properly be taking anything from anybody; it would merely be applying an accession of wealth, created by circumstances, to the benefit of society, instead of allowing it to become an unearned appendage to the riches of a particular class,” schreef de immer eloquente Mill. 
 
John Stuart Mill
 
De hedendaagse renteniers
Smith, Ricardo en Mill waren figuren uit een andere tijd. Hun boeken werden geschreven in een periode waarin de Britse aristocratie vrijwel alle grond in handen had. Vandaag is het inkomen van de rentenier niet langer identificeerbaar met één enkele klasse. Het rentenierinkomen uit de grond bestaat echter nog altijd, alhoewel deze niet altijd meer als huur wordt geïnd, maar steeds vaker als rente en waardestijgingen van de grond. De nieuwe aristocraten zijn de bank, de makelaar, de huisjesmelker, de financieel adviseur, de verzekeraar, met andere woorden de FIRE sector (Finance, Insurance and Real Estate).  
 
Waar een gemiddeld werknemergezin in 1950 slechts 8 procent van het beschikbaar inkomen kwijt was aan woonlasten, betaalt een huurder vandaag de dag netto 24 procent van het beschikbaar inkomen aan huur en een koper netto 19 procent van zijn inkomen aan de hypotheek. 
 
Is het noodzakelijk dat de woonlasten zo zijn gestegen? Zijn de woningprijzen een functie van fundamentele economische factoren als de bouwkosten? Dit is overduidelijk niet het geval. De bouwkosten zijn veel minder hard gestegen dan de prijs van nieuwbouwwoningen. De prijsstijgingen zijn dus niet het gevolg van hogere kosten van het vastgoed zelf, maar van hogere door krediet opgedreven grondprijzen. 
 
De huren en prijzen van woningen zijn niet langer alleen afhankelijk van de kwaliteit van de locatie en de kwaliteit van de woning, maar ook van de ontwikkelingen in de financiële sector. Hoogleraar Housing Systems Peter Boelhouwer laat zien dat tot de liberalisering van de kredietmarkt begin jaren ’70 de woningprijzen min of meer gelijk liepen met de bouwkosten, na de liberalisering verdwijnt de correlatie. 
 
Hiervoor is een simpele verklaring: kan een bank in plaats van drie maal je inkomen zes maal je inkomen lenen voor een hypotheek, dan verdubbelt de vraag naar koopwoningen, waardoor de prijzen stijgen. Stijgende prijzen zorgen vervolgens weer voor meer vraag naar krediet en meer krediet zorgt weer voor stijgende prijzen. Op een zelfde manier als een tolpoort de kosten van het gebruik van een al bestaande weg verhoogt, zo verhoogt de financiële sector de kosten van al bestaande woningen door haar kredietbeleid.
 
Resultaat is dat door de hoge woningprijzen de Nederlander vandaag de dag een groter deel van zijn inkomen afstaat aan een rentenierklasse van bankiers (in de vorm van rente), makelaars (in de vorm van meegefinancierde makelaarscourtages), verzekeraars (in de vorm van woekerpolissen die de hypotheek moeten aflossen), financieel adviseurs (in de vorm van provisies) en ga zo maar door. Iedereen wil een vinger hebben in de vetpot van ‘unearned income’. 
 
Grafiek 1: Woningprijzen en de kredietverlening (Bron: CBS, Kadaster en NVM)
 
 
 
Waar is het ‘unearned income’ heen?
De analyse van economische rente en het ‘unearned income’ dat eruit voortvloeide werd uiteindelijk vergeten door de opkomst van de neoklassieke school in de economie, die de nadruk legden op individuele keuze, in plaats van klassenanalyse. ‘It’s the purpose of this book,’ schreef John Bates Clark (1847-1938), een pionier van de neoklassieke school, in het voorwoord van zijn magnum opus. ‘To show that the distribution of the income of society is controlled by a natural law, and this law, if it worked without friction, would give every agent of production the amount of wealth which that agent creates.’ De natuurlijke wet van de markt zou er als vanzelf voor zorgen dat iedereen krijgt wat hij of zij verdient.
 
Dit is eigenlijk nog steeds de conventionele wijsheid onder economen: als er geen fricties waren, veelal veroorzaakt door een bemoeizuchtige staat, zou iedereen krijgen wat hij of zij verdient. Geen woord meer over het ‘unearned income’ waar de klassieke economen zo bezorgd over waren. In een recente discussie in het maandblad The Economist wordt deze conventionele wijsheid nog maar eens geïllustreerd. ‘Voluntary transactions benefit both parties. If they did not, they would not happen. In a free market, everyone serves those they deal with. Anyone who gets rich must have done others a lot of service,’ aldus filosoof Jamie Whyte. 
 
Het idealisme van de klassieke economen werd zo dus vervangen door een status quo ideologie waarin het inkomen van de rentenier kon worden verdedigd met een verwijzing naar de natuurlijke wetten van de markt. Smith en Mill waren geenszins status quo ideologen. “The very idea of distributive justice, or any proportionality between success and merit or between success and exertion, is in the present state of society so manifestly chimerical as to be relegated to the regions of romance,” schreef Mill. Er diende dus nog een hoop hervormd te worden alvorens de maatschappij zou voldoen aan zijn meritocratische ideaal. 
 
Het idealisme van Adam Smith was zo groot dat hij verwachtte dat de maatschappij als vanzelf zou transformeren naar zijn ideaal. Het einde van de renteniersklasse werd ingeluid door de opkomst van de productieve kapitalist. Smith: ‘As any particular commodity comes to be more manufactured, that part of the price which resolves itself into wages and profit comes to be greater in proportion to that which resolves itself into rent.’ Met de groei van industriële productie zouden het de kapitalisten en arbeiders zijn die de toekomst hadden. Dit optimisme lijkt achteraf bezien niet gerechtvaardigd. De renteniersklasse is terug en groter dan ooit. Dit maakt de ideeën van de echte liberalen van weleer des te relevanter.
Jesse Frederik
Jesse Frederik
In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...
Gevolgd door 54 leden