Een boorplatform voor de kust van Texel (1984).
© ANP / Hans Steinmeier

Goedkope corona-olie en de ongewisse gevolgen voor het klimaat

De prijs van een vat ruwe aardolie daalde van 68 dollar in januari naar ongeveer 26 dollar eind maart. De ervaring leert dat oliebedrijven gaan bezuinigen als de olieprijs zakt. Hun klimaatambities sneuvelen dan meestal als eerste. Toch is een lage olieprijs niet per se slecht voor het klimaat en de energietransitie.

De olieprijs zakt al maanden. De neergang begon voordat de coronacrisis in alle ernst om zich heen greep. De directe aanleiding was een ruzie tussen Rusland en Saudi-Arabië. Zij overlegden in januari over het verlagen van de olieproductie, maar kwamen er niet uit. Daarop gooiden de Saudi's de productie omhoog, waardoor het aanbod steeg en de prijzen daalden. 

Geopolitiek armpjedrukken

De ruzie tussen Rusland en Saudi-Arabië is geopolitiek van het allerhoogste niveau, waarbij niemand precies weet welke belangen op welke manier worden gediend. Dit zijn de feiten: Amerika, Rusland en Saudi-Arabië zijn met respectievelijk 13, 12 en 11 miljoen vaten per dag de grootste olieproducenten ter wereld. De Amerikaanse komt voor een belangrijk deel uit schalieolievelden. Het winnen daarvan is met een kostprijs van ongeveer 50 dollar per vat veruit het duurst. De productie van Russische en Arabische olie kost respectievelijk gemiddeld 30 en 10 tot 20 dollar per vat.

Daar staat tegenover dat de Amerikaanse schalieolie-industrie flexibeler is. Deze olie komt uit veel kleine velden, die telkens opnieuw moeten worden aangeboord. Amerikaanse oliebedrijven kunnen dus makkelijker op- en afschalen. (Overigens betekent 'afschalen' in de praktijk dikwijls: failliet gaan. Maar als de olieprijs stijgt, kunnen nieuwe of overgebleven bedrijven weer in het gat springen.)

Wat verder meespeelt, is dat de Saudi-Arabische staatsfinanciën zijn gebaseerd op olie-inkomsten van rond de 70 dollar per vat. Bij een lagere prijs loopt de overheid tegen begrotingstekorten aan en moet ze impopulaire maatregelen nemen, zoals bezuinigen op het enorme ambtenarenapparaat of belastingen verhogen – allemaal risico’s op sociale onrust. Rusland heeft daar iets minder last van en Amerika veel minder omdat zij voor hun staatsfinanciën minder eenzijdig van olie-inkomsten afhankelijk zijn. Daar staat dan weer tegenover dat de Saudi's flinke financiële reserves hebben. Zij kunnen een prijzenslag lang volhouden, in tegenstelling tot de Russen.

De belangen lopen dus sterk uiteen. Bij een lage olieprijs drukken Saudi-Arabië en Rusland de Amerikaanse schalieolie uit de markt, maar dat heeft gevolgen voor hun eigen staatskas. Terwijl de Amerikanen bij een hogere olieprijs weer relatief eenvoudig kunnen opschalen.

Lees verder Inklappen

En toen kwam de coronacrisis. Waar de Saudi-Russische ruzie resulteert in overaanbod, zorgt het virus voor vraaguitval. Vliegtuigen staan aan de grond en verbranden dus minder kerosine, werknemers zitten thuis waardoor fabrieken minder produceren. De geopolitieke strijd gaat over een verlaging van het aanbod met ongeveer 1,5 miljoen vaten per dag, maar de coronacrisis kan leiden tot een verminderde vraag met wel 10 tot 15 miljoen vaten per dag. Het gevolg: een razendsnel dalende olieprijs. Op 9 maart zakte die met 30 procent, de scherpste daling sinds de Golfoorlog in 1991.

De huidige lage olieprijs kan de strijd tegen klimaatverandering zowel positief als negatief beïnvloeden. Het is daarom zinvol om de effecten in kaart te brengen. 

Schalieolie onder druk

De ene olie is de andere niet. De manier waarop olie wordt gewonnen, heeft impact op zowel de prijs als op het klimaat. Amerikaanse schalieolie is bijvoorbeeld relatief duur. Voor de winning worden ondergrondse aardlagen hydraulisch gekraakt (fracking), waarna de olie eruit wordt gehaald. Er moeten telkens nieuwe boorputten worden geslagen, wat de winning erg kostbaar maakt. Het omhooghalen van een vat schalieolie kost gemiddeld zo'n 50 dollar; het winnen van een vat olie in Saudi-Arabië gemiddeld slechts 10 tot 20 dollar. Bij de huidige lage olieprijs is schalieoliewinning dus niet vol te houden. Inmiddels zitten verschillende Amerikaanse bedrijven dan ook in de problemen.

Dat lijkt goed nieuws voor het klimaat. Uit onderzoek van de universiteit van Stanford uit 2015 blijkt dat oliewinning waarbij ook aardgas vrijkomt een zeer hoge CO2-uitstoot heeft. Dit komt omdat het aardgas vaak wordt afgefakkeld – of soms zelfs zonder verbranding de lucht in gaat – waardoor methaan in de atmosfeer terechtkomt, een extreem zwaar broeikasgas. Zo’n mix van olie en gas komt bij veel Amerikaanse schalieoliebronnen naar boven. Een deel van het vrijkomende aardgas wordt tegenwoordig weliswaar ‘afgevangen’ en verkocht, maar veel lijkt dat nog niet te helpen. Volgens het Amerikaanse agentschap Energy Information Administration (EIA) verdrievoudigde in de Verenigde Staten de hoeveelheid afgefakkeld en in de atmosfeer vrijgelaten aardgas van ongeveer 7 miljoen kubieke meter in 2000 naar ruim 21 miljoen kubieke meter in 2018. Per dag. 

Amerikaanse schalieolie is dus niet alleen erg duur, maar ook schadelijk voor het klimaat. Dat deze methode van oliewinning dankzij de lage olieprijs nu in de problemen komt, lijkt vanuit klimaatperspectief dus een gunstige ontwikkeling. 

Energie-efficiëntie onder druk

Maar Fatih Birol, directeur van het internationale energieagentschap IEA, ziet de lage olieprijs juist als een bedreiging van één van de belangrijkste pijlers onder de energietransitie: energiebesparing. 'De scherpe daling in de oliemarkt kan de transitie naar schone energie ondermijnen, omdat het de impuls verzwakt om er spaarzaam mee om te springen. Als de overheid niet ingrijpt, leidt goedkope energie er altijd toe dat consumenten die energie minder efficiënt gaan gebruiken. Het aanschaffen van efficiëntere auto's of het energiezuinig maken van woningen en kantoren wordt minder aantrekkelijk.'

Het IEA noemt energie-efficiëntie ‘de eerste brandstof' in het wereldwijde energiesysteem; belangrijker voor het halen van de wereldwijde klimaatdoelen dan het bouwen van windmolens of zonneparken. Maar liefst 35 procent van de totale CO2-besparing in 2050 zou moeten komen uit energiebesparende maatregelen. 

Energiebesparing is dan ook verreweg de goedkoopste manier om klimaatverandering tegen te gaan. Eerder schreef Follow the Money al dat het besparen van een petajoule energie gemiddeld 7,2 miljoen euro kost, terwijl het gemiddeld 29,2 miljoen euro vergt om diezelfde petajoule op te wekken door middel van windenergie. Het IEA stelt dat er jaarlijks minimaal 3 procent zuiniger met energie moet worden omgegaan, maar in 2018 werd slechts 1,2 procent bereikt. Een lage olieprijs kan ervoor zorgen dat deze doelstelling nog verder uit het zicht raakt, omdat de business case voor energiebesparende maatregelen verslechtert. 

Goedkope energie leidt er altijd toe dat consumenten die energie minder efficiënt gaan gebruiken

In Nederland wordt energie-efficiëntie op verschillende manieren nagestreefd. De allergrootste energieverbruikers, zoals de raffinaderijen van Shell en BP en de hoogovens van Tata Steel, doen mee aan het ETS, het Europese systeem voor emissiehandel (zie kader). De overheid gaat ervan uit dat het handelssysteem bij zulke grote bedrijven energiebesparing vanzelf afdwingt. Een wettelijke verplichting is er daarom niet. Voor duizenden kleinere bedrijven bestaat die verplichting wél. Op grond van de Wet Milieubeheer zijn sinds 2013 zogeheten MJA3-bedrijven verplicht om álle energiebesparende investeringen door te voeren die zich binnen vijf jaar terugverdienen. Veel bedrijven voldoen daar niet aan, zo blijkt onder meer uit de masterscriptie van Kimberley Tjon-Ka-Jie Zij ontdekte dat maatregelen met een terugverdientijd van meer dan 3 jaar zelden worden uitgevoerd, en dat soms zelfs maatregelen met een terugverdientijd van amper anderhalf jaar op de plank blijven liggen. 

De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) publiceerde in 2018 een onderzoek waaruit blijkt dat de Nederlandse industrie maar liefst 13 miljoen ton CO2 kan besparen met maatregelen die zich gemiddeld binnen 5,2 jaar terugverdienen. Sinds vorig jaar moeten bedrijven aan de RVO rapporteren welke besparingsstappen ze zetten. De 29 omgevingsdiensten, die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de Wet Milieubeheer, houden toezicht. Zo voerde de Omgevingsdienst Regio Nijmegen (ODRN) 254 controles uit. Maar liefst 76 procent van de bedrijven bleek niet te voldoen aan de energiebesparingsplicht. De omgevingsdiensten hebben hier dus een interessant instrument in handen. Zij kunnen ervoor zorgen dat bedrijven, en zogeheten Energy Service Companies (ESCo), meer in energie-efficiëntie investeren – met maatregelen die de uitstoot van broeikasgassen tegengaan én zichzelf terugverdienen. Economische groei en de aanpak van klimaatverandering gaan zo hand in hand. 

De logica achter lagere ETS-prijzen

Een direct gevolg van de geringe vraag naar olie is, naast een dalende olieprijs, een dalende prijs van emissierechten in het Europees handelssysteem ETS. Er wordt immers minder energie verbruikt, minder CO2 uitgestoten en daarom is er ook minder vraag naar uitstootrechten. Begin dit jaar kostte het recht om een ton CO2 uit te stoten 25 euro en half maart nog maar 15 euro; een daling van 40 procent. 

Dit heeft gevolgen: kolencentrales die het afgelopen jaar soms werden uitgezet omdat ze financieel niet rendeerden, hebben plotseling betere vooruitzichten. Zij stoten immers veel meer CO2 uit dan gascentrales, maar betalen daar nu minder voor. Daarnaast weerspiegelt een lage prijs van CO2-uitstootrechten de maatschappelijke schade nóg slechter. De conservatiefste schatting van de schadepost voor de maatschappij is 34 euro per ton CO2, maar economen houden het meestal op 100 tot 200 euro per ton. 

Toch is het te kort door de bocht om goedkope emissierechten alleen te interpreteren als slecht voor het klimaat. Veel meer is het een teken dat de CO2-markt, na jaren proberen, eindelijk op gang lijkt te komen. Een dalende vraag naar CO2-rechten resulteert nu eigenlijk voor het eerst in een flinke prijsdaling, en de verwachting lijkt dus gerechtvaardigd dat de prijs weer opveert als de vraag naar CO2-rechten straks stijgt. Zorgwekkender zou het zijn geweest als de ETS-prijs niet op de plotseling dalende vraag naar olie had gereageerd. Dat zou immers betekenen dat Europa's belangrijkste instrument om de CO2-uitstoot te beperken stuk is.

Lees verder Inklappen

Investeringsruimte onder druk

De lage olieprijzen houden nog wel even aan. Vanwege het coronavirus blijft de vraag naar olie volgens het onderzoeksbureau Rystad Energy zeker tot september lager dan normaal. Rystad stelt dat hierdoor komende maand het grootste mondiale olieoverschot in de geschiedenis ontstaat. Maar ook nadat het virus is verslagen, is de prijs niet zomaar op het oude niveau. Overal ter wereld worden nu grote voorraden aangelegd, die volgens Hans van Cleef, senior energie-econoom bij de ABN Amro, als een plafond boven de markt hangen. Hij verwacht dat de olieprijs hierdoor zeker tot eind 2021 onder de 50 dollar per vat blijft. 

Vanzelfsprekend raakt dit de winstgevendheid van oliebedrijven en daar reageren ze nu al op. Zo heeft Shell aan Het Financieele Dagblad laten weten dat het de aandeelhouders wenst te sparen: 'Shell heeft zijn dividend nog nooit verlaagd sinds de Tweede Wereldoorlog en is vastbesloten dat zo te houden.' Shell stopt wel met het terugkopen van de eigen aandelen en snijdt daarnaast in de investeringen; die worden dit jaar met 5 miljard dollar teruggebracht, zo'n 20 procent van het totale investeringsprogramma van 25 miljard dollar. BP en Total kondigden vergelijkbare bezuinigingsoperaties aan, waarbij BP aantekent dat een deel van de bezuinigingen in de Amerikaanse schalieolievelden zal landen. Saudi Aramco brengt zijn investeringsuitgaven zelfs terug met 25 tot 29 procent. 

De afgelopen jaren hebben met name Shell en BP op het oog ambitieuze klimaatdoelstellingen geformuleerd, waarbij ze ook verantwoordelijkheid nemen voor zogeheten 'scope 3-emissies'; emissies die gepaard gaan met het gebruik van hun producten. Shell streeft daarom sinds 2017 naar een ‘relatieve uitstootreductie’: per verkochte joule energie moet de uitstoot van broeikasgassen worden gehalveerd. BP maakte vorig jaar bekend dat het in 2050 de scope 3-emissies wil terugbrengen naar nul.

Adders onder het groene gras van fossiele klimaatambities

Het is goed om je te realiseren dat deze klimaatambities nog lang niet in lijn zijn met het Klimaatakkoord van Parijs en zelfs ruimte laten voor een absolute stijging van de CO2-uitstoot. De relatieve uitstootvermindering van Shell betekent bijvoorbeeld dat het bedrijf best méér kan investeren in olie en gas, zolang het er maar voldoende duurzame energie naast zet. Per joule energie daalt dan de uitstoot, maar in absolute zin kan die gewoon verder stijgen. Halvering van de uitstoot in 2050 is eveneens onvoldoende. Om ‘Parijs’ te halen, is een absolute uitstootvermindering nodig van 95 tot 100 procent. 

De adder onder het gras bij BP is dat het alleen verantwoordelijkheid wil nemen voor de energieproducten die het zélf produceert. Maar BP verkoopt veel meer. De benzine die het in tankstations verkoopt, komt bijvoorbeeld voor een belangrijk deel van andere fabrikanten. Bovendien laat de klimaatambitie van BP alle ruimte om bedrijfsonderdelen af te stoten of te verzelfstandigen, om vervolgens alsnog de producten van die onderdelen af te nemen. 

Lees verder Inklappen

Het is nog onduidelijk of, en hoe, de actuele bezuinigingsmaatregelen de klimaatambities van oliebedrijven gaan raken. Mark van Baal, oprichter van Follow This, wijst erop dat BP en Shell in het verleden op crises reageerden door duurzame projecten stil te zetten: 'BP heeft na de olieramp met de Deepwater Horizon bijvoorbeeld 10 jaar lang niet in duurzame energie geïnvesteerd.' Ook Shell kieperde na het reserveschandaal van 2004 alle investeringen in zonne-energie het raam uit, zegt oliemarktexpert Van Baal. 'Pas sinds 2016 wordt weer geïnvesteerd in duurzame energie, zij het mondjesmaat. Volgens Shell is tot januari van dit jaar 2,3 miljard dollar gestoken in het bedrijfsonderdeel New Energies, met investeringen in onder meer biobrandstoffen, waterstof, CO2-opslag en duurzame energie. Dat is gemiddeld dus 575 miljoen dollar per jaar, ofwel 2,3 procent van het totale investeringsprogramma.' 

Kind van de rekening

De ruzie tussen Saudi-Arabië en Rusland is nog niet bijgelegd, het coronavirus nog niet uitgewoed, en er zijn enorme voorraden die de olieprijs voorlopig zullen dempen. Een lage prijs lijkt aan de productiekant (upstream) gunstig voor het klimaat, omdat vervuilende schalieolie uit de markt wordt gedrukt. Maar het verbruik (downstream) wordt goedkoper, en dat is nadelig omdat daarmee de terugverdientijd van energie-efficiënte maatregelen langer wordt. Bovendien reageren oliebedrijven op crises meestal met bezuinigingen en dat is zeker iets om in de gaten te houden. De strijd tegen klimaatverandering wordt dan al gauw het kind van de rekening.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Ties Joosten

Gevolgd door 2748 leden

Journalist. Schrijver. Haven. Klimaat. Feyenoord. Soms wat hiphop. Voorheen hoofdredacteur van Blendle.

Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren