Handhaaf de dominante positie van de neoklassieke economie in het onderwijs

    Er komt steeds meer kritiek op de dominante positie van de neoklassieke theorie in het universitaire economie onderwijs. Ook een groep studenten pleit voor meer pluriformiteit. Gastauteur en hoogleraar Openbare Financiën Harrie Verbon houdt evenwel een pleidooi voor handhaving van de neoklassieke theorie.

    Vlak voor de zomer publiceerde FTM.nl een pleidooi voor meer pluriformiteit in de academische economieopleidingen, geschreven door economiestudenten uit Maastricht. Het curriculum wordt al decennia gedomineerd door de neoklassieke economie; andere scholen worden verwaarloosd. De neoklassieke economie leidt, volgens de studenten, tot een wereldvreemde kijk op de economie, door de aanname 'van alwetende, perfect rationele individuen'.

    Monopolie

    Het nieuwe studiejaar is alweer begonnen en in ieder geval in Tilburg heeft de neoklassieke economie nog steeds een monopolie in het economieonderwijs. Hoewel, lees het standaard leerboek in de macro-economie van Gregory Mankiw en je komt in bijna de helft van het boek de klassieken tegen, met hun onwankelbare geloof in de werking van de markt. Maar er is zeker heel veel neoklassiek in het onderwijsprogramma. Heb je wat aan de neoklassieke theorie? Minder dan sommigen denken. Je kunt er niet mee voorspellen, zoals de grote econoom John Maynard Keynes 75 jaar geleden al onze eigen Jan Tinbergen (1903-1994; vader van het CPB; Nobelprijs voor de economie in 1969) tevergeefs probeerde duidelijk te maken. Het economische beleid heeft ook weinig aan de neoklassieke economie en eigenlijk om dezelfde reden: je hebt niks aan de voorspellingen.

    Vertrouwen

    Desondanks is er in Nederland een groot vertrouwen in beleidstoepassingen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het gezag dat het CPB heeft. Dat gaat zelfs zo ver dat politieke partijen aan het CPB vragen hun politieke programma’s ‘door te rekenen’. Het CPB berekent met behulp van een model wat de effecten van de beleidsvoorstellen zijn op de werkgelegenheid, de overheidsfinanciën, de inflatie, enzovoorts. Deze doorrekeningen hebben grote invloed op verkiezingscampagnes en misschien zelfs wel op de verkiezingsuitslag, maar het is onmogelijk om de voorspelde effecten van de beleidsvoorstellen later te vergelijken met de feitelijke effecten.
    Met de neoklassieke economie kun je alle kanten op
    Hoewel de (neoklassieke) economische kennis niet geschikt is voor voorspellingen en je er ook geen beleid mee kunt voeren, moeten we de prominente positie van de neoklassieke economie in het academisch economisch onderwijs toch handhaven. Een neoklassieke ‘theorie’ is niets meer dan een logische redenering, gebaseerd op een aantal uitgangspunten, die tot een bepaalde conclusie leidt. Dat wil niet zeggen dat op basis van de theorie een ééndimensionale beschrijving van de werkelijkheid volgt. Met de neoklassieke economie kun je alle kanten op.

    Pensioenen

    Neem als voorbeeld de onderbouwing van het overheidspensioen, zoals de AOW. In 1958 publiceerde Paul Samuelson (1915-2009, Nobelprijs voor de economie in 1970) een artikel waarin hij met een neoklassiek model aantoonde dat een AOW een logisch voortvloeisel is van het ontbreken van een markt voor ruil tussen generaties. De jongeren zouden een deel van hun huidige inkomen willen ruilen voor toekomstig inkomen, maar de generatie waar ze mee kunnen ruilen, is er nog niet. De overheid kan die ruil dwingend opleggen door middel van een overheidspensioen. Een andere Nobelprijswinnaar in de economie en verdediger van de vrije markt, Milton Friedman (1912-2006, Nobelprijs 1976), was fel tegen overheidspensioenen. Als mensen willen kunnen ze zich verzekeren tegen ouderdom en daar is de overheid helemaal niet bij nodig.
    Mensen kunnen zich verzekeren tegen ouderdom en daar is de overheid helemaal niet bij nodig
    Twee briljante neoklassieke economen, twee tegengestelde wereldbeelden, maar beiden beriepen ze zich op een zelfde soort redenering om tot een tegengestelde beleidsaanbeveling te komen (handhaaf de AOW, respectievelijk schaf de AOW af).  

    Discussie

    De theorie is een raamwerk voor discussie. Als je de aannames goed kiest, kun je je punt maken (we hebben de AOW nodig, Samuelson, of niet, Friedman). De neoklassieke theorie (maar dé theorie bestaat dus eigenlijk niet; iedereen kan zijn eigen theorie opstellen) is dus een grote gereedschapskist waar ieder uit kan halen wat hij wil en waar iedereen ook willekeurig welk bouwwerk mee kan bouwen. Met, maar desgewenst zonder, superrationele individuen: van klassieke laissez-faire constructies, via neoliberale tot neoMarxistische constructies.
    De neoklassieke theorie is een grote gereedschapskist waar ieder uit kan halen wat hij wil
    Laten we als voorbeeld het werk van de befaamde econoom Thomas Piketty nemen. Zoals bekend gaat zijn monumentale boek Capital over het aandeel van kapitaal in het nationaal inkomen ten opzichte van het aandeel van arbeid. De overstijgende conclusie van zijn boek is dat het kapitaalaandeel in de 21e eeuw in de richting gaat van het aandeel dat kapitaal had in de 18e en begin 19e eeuw toen een feodale landinrichting (rijke landeigenaren en arme boeren) nog de overheersende productiemethode was.

    Piketty

    Piketty is een van de meest productieve economen in de economische topbladen waar hij zich, met anderen, van het geijkte neoklassieke instrumentarium bedient. In het voorwoord van zijn boek zegt hij dat hij deze manier van economiebeoefening steriel vond en meer aan ‘echte’ problemen wilde werken. Zo zegt hij op blz. 32 (mijn vertaling): 'De economische wetenschap is nog niet over zijn jeugdpassie voor wiskunde en puur theoretische modellen met vaak een hoge graad van ideologische speculatie heen gegroeid. Dit is ten koste gegaan van historisch onderzoek en van mogelijke samenwerking met andere sociale wetenschappen'. De Maastrichtse studenten zullen ongetwijfeld smullen van dit citaat. Piketty’s boek gaat ongetwijfeld over echte problemen en maakt zeer uitgebreid gebruik van historische bronnen, zelfs van Engelse en Franse 18e en 19e eeuwse romans om een idee te krijgen over het jaarinkomen dat de toenmalige hogere klassen dachten nodig te hebben om een ‘comfortabel en elegant’ leven te kunnen leiden.
    De conclusies van Piketty leunen sterk op het gebruik van het neoklassiek instrumentarium
    Desondanks leunen de conclusies van Piketty heel sterk op het gebruik van het neoklassiek instrumentarium. Met name baseert hij zich bij zijn berekeningen op de neo-klassieke groeitheorie zoals die door Robert Solow in 1956 voor het eerst werd geformuleerd. Zo gebruikt hij in zijn boek geregeld de ‘stelling’ dat in een economie waar kapitaal efficiënt wordt aangewend het rendement op kapitaal hoger moet zijn dan de groeivoet van de economie. Deze stelling kan men alleen met het gebruik van de neoklassieke groeitheorie afleiden. Het is, met andere woorden, tamelijk ondenkbaar dat Piketty zijn dramatische resultaten betreffende inkomensverdeling tussen arbeid en kapitaal had kunnen bereiken als hij geen weet van de neoklassieke theorie zou hebben gehad. Of, met nog andere woorden, Capital had niet geschreven kunnen worden door een Marxistische econoom die de neoklassieke groeitheorie verwerpt. Het beste bewijs voor het dominante belang van de neo-klassieke economie in hedendaagse discussies wordt dus geleverd door een econoom die beweert niet meer in theoretische modellen van de neo-klassieke economie te geloven. Professor Harrie Verbon is hoogleraar Openbare financiën aan de Universiteit van Tilburg
    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 157 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Lees meer

    Volg deze auteur en blijf op de hoogte via e-mail

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren