Hedonisme voor Holland

    Nederlanders leven al sinds de Tweede Wereldoorlog onder hun stand. Het wordt hoog tijd dat daar verandering in komt, meent Jesse Frederik

    In het internationale spel van de commercie wint het land dat meer uitvoert dan invoert. En in dit spelletje speelt Nederland mee in de topklasse. Sinds de Tweede Wereldoorlog heeft Nederland vrijwel onafgebroken een handels­overschot gehad. Of men nou links of rechts is, daar zijn we apetrots op. Ten onrechte: het handels­overschot verarmt ons. Een gedachte-experiment: stel dat de Amerikanen minder sympathiek waren geweest na de Tweede Wereldoorlog. Stel dat de kosten van de bevrijding terugbetaald moesten worden. Mét rente. Om de erfschuld aan de bevrijder te kunnen aflossen, had Nederland jaar in, jaar uit een handelsoverschot moeten hebben, de invoer beperken, de export bevorderen, terwijl de bevolking verarmt. Een internationaal schandaal, zou je met recht kunnen zeggen. Toch heeft Nederland zich vrijwillig overgeleverd aan dit verarmingsregime. En, vreemd genoeg: daar is het enorm blij mee.
    'Nederland leeft al sinds de Tweede Wereldoorlog onder zijn stand!'
    Net als bij zoveel vraagstukken wordt de handelsbalans enkel door een financiële bril bekeken. Uitvoer brengt geld op en daarom is het goed. Invoer kost geld en daarom is het slecht. Maar uiteindelijk is geld geen doel op zich. Geld is wenselijk omdat we er dingen mee kunnen kopen. Echte spullen. Als we door een reële bril naar Nederland kijken ziet het plaatje er minder florissant uit. Al zestig jaar verscheept Nederland een – steeds groter – deel van wat het produceert naar het buitenland, terwijl we elk jaar relatief minder terug krijgen. Nederland leeft al sinds de Tweede Wereldoorlog onder zijn stand!

    Zwoegen voor de export

    Maar al die noeste arbeid heeft toch ook iets opgeleverd? Ja en nee. De opbrengst van export is uiteindelijk import, en die blijft achter. Ondertussen lopen de pensioenpotten en de bedrijfskassen wel vol met claims op het buitenland. Nederland kan die later weer gebruiken voor de import. Maar in de tussentijd offeren we het heden op voor de toekomst. Die buitenlandse beleggingen zijn bovendien niet waardevast. Als we onze handelsoverschotten nu zouden verzilveren, krijgen we lang niet evenveel terug als we ooit verstuurd hebben. Sinds 1986 heeft Nederland een cumulatief overschot op de lopende rekening van ongeveer 471 miljard euro. In dezelfde periode nam het extern vermogen echter met slechts 236 miljard euro toe. In feite maken we dus structureel een verlies op onze handelsoverschotten. De ironie wil dat bijvoorbeeld België, ondanks een veel beroerdere handelspositie, eind 2011 een extern vermogen van zestig procent van het bruto binnenlands product had, terwijl Nederland het moest doen met een extern vermogen van slechts 41 procent. Ons land zwoegt voor de export, en wordt vervolgens ook nog ingehaald door die bourgondiërs beneden ons. Wat ons bij de grote vraag brengt: wie is hier nu eigenlijk de verliezer? Het land dat al zestig jaar onder zijn stand leeft om claims op het buitenland op te bouwen, die vervolgens in waarde kelderen? Of het land dat al zestig jaar boven zijn stand leeft, terwijl zijn verplichtingen in waarde dalen? In de eurozone is het antwoord: beide. Niet alleen de verzender, maar ook de ontvanger van spullen is de pineut. Handelsoverschotten moeten elders in de wereld leiden tot handelstekorten. Tussen 1999 en 2007 hadden de Noord-Europese landen een gemiddeld handelsoverschot van 4,6 procent van hun bbp, terwijl het Zuiden een handels­tekort liet zien van 6,8 procent. Die handelstekorten moeten op de een of andere manier gefinancierd worden. En dat werden ze. Buitenlands kapitaal vloeide naar het Zuiden, om daar weinig productief geïnvesteerd te worden in de bouw van vakantie­huizen, golfbanen en bejaarden­resorts. De lonen in de bouw en andere aan vastgoed gerelateerde sectoren schoten omhoog. Er ontstonden banen en de invoer nam toe.

    Geld moet rollen

    Met de crisis is er een einde gekomen aan dat vastgoedfeestje. De import is ineengeklapt. Het grote lenen is voorbij, het grote sparen begonnen. Wil het Zuiden zich ontworstelen aan zijn schuldenlast, dan zal het meer moeten exporteren en minder moeten importeren. Dat wordt er niet makkelijker op als de Grote Nederlandse Besparingsmachine internationale geldstromen blijft opslokken. Geld moet rollen, zo leert de tegeltjes­wijsheid ons, maar in Nederland rolt het niet. Pensioenfondsen sparen, bedrijven sparen, ja, zelfs de overheid spaart. Nederland verkoopt, maar koopt niet. Daarmee komt Europa in een negatieve bestedings­spiraal. Het antwoord op het wegvallen van de import uit Zuid-Europa is niet, zoals nu het geval is, om de goede tijden van weleer te elimineren en de recessie te accepteren. Het gaat erom de goede tijden op duurzamere voet voort te zetten. Overschotlanden als Nederland zullen daarom hun best moeten doen om te stoppen met onder hun stand te leven. Ze moeten hun invoer bevorderen. Weg dus met Calvijn en tijd voor meer hedonisme. Meer Spaanse wijn met Portugese kurk in een Italiaanse zwembroek op een Grieks strand!

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren