Het Baltische drama

    Het Baltische experiment met radicaal bezuinigen en loonmatiging is een waarschuwing voor de PIIGS.

    Toen de crisis toesloeg raakte dat een aantal landen disproportioneel hard. IJsland met haar uit de kluiten gewassen banken, maar ook de voormalig communistische Baltische landen (Estland, Letland en in –iets- mindere mate Litouwen). Deze landen waren binnen een aantal jaar overgestapt van een staatsgeleide planeconomie naar een vorm van turbokapitalisme waarin elk programmapunt van het neoliberaal manifest werd geïmplementeerd, een vlaktaks; geen enkele vermogensheffing; vrije kapitaalstromen en ga zo maar door. De resultaten zijn desastreus gebleken. De Baltische economieën zijn na een spectaculaire vlucht ineengestort en hebben een krimp doorgemaakt die slechts is geëvenaard door de VS tijdens de Grote Depressie

     
    Weg met het communisme
    Toen de Sovjet-Unie uiteenviel stonden de voormalige sovjeteconomieën voor een groot probleem. Het industrieel stelsel in Oost-Europa was in hoge mate geïntegreerd, onderdelen van een auto werden b.v. in Hongarije gemaakt, het design in Letland en de auto zelf in Rusland. Het uiteenvallen van de Sovjet-Unie zorgde er voor dat dit industriële stelsel ook uiteenviel, waardoor de exportmarkt volledig instortte en de lokale industrie stil kwam te liggen. De Letse economie kromp binnen 3 jaar met een schokkende 48 procent, om pas in 2005 weer terug te zijn op het economisch peil van voor de val van de Sovjet-Unie. 
     
    Grafiek 1: BBP-Index Baltische landen in constante prijzen (Bron: Eurostat)
     
    Hoewel de industrie verdween floreerde een andere bedrijfstak, de FIRE sector (Finance, Insurance en Real Estate). Onder het communisme hadden bedrijven en huishoudens geen schulden, alle landen die uit het communisme kwamen begonnen dus zonder private schuldenlast. 
     
    Tot 2000 was er in de Baltische landen sprake van lage economische groei en grootschalige werkloosheid. Rond deze tijd begonnen buitenlandse banken, bijna uitsluitend Zweedse banken, enthousiast te lenen aan Baltische inzittenden. Deze schulden waren grotendeels niet in de lokale munteenheid gedenomineerd, 87 procent van de Letse schulden zijn in euro’s uitgedrukt. Door te lenen in euro’s konden de Letten gebruik maken van de lage rente in de eurolanden.
     
    Grafiek 2: Externe schuld als  procent van het bbp (Bron: BIS/IMF/World Bank Joint External Debt Hub)
     
    De economie begon, door de instroom van krediet, vanaf 2000 enorm te groeien, op jaarbasis met wel 10 procent. Het economisch succes van de ‘Baltische tijgers’ werd door economen en Europese beleidsmakers geprezen. Net als de ‘Keltische tijger’ kenden de ‘Baltische tijgers’ echter een groot probleem. Hoewel de economie explosief groeide door de instroom van buitenlands krediet, werd dit geleende geld vooral gebruikt om te speculeren en consumeren, niet om te investeren in productieve capaciteit. Alle drie de Baltische landen ontwikkelden een vastgoedbubbel van Ierse proporties. De bubbel werd ondersteund door een regressief belastingregime dat arbeid zwaar belastte (een vlaktaks van 51 procent) terwijl vastgoed bijna volledig vrij was van enige belasting. Sectoren gerelateerd aan vastgoed, de bouw, makelaars, het financiële intermediair, deden het steeds beter, terwijl de productieve sectoren achter bleven. Ten opzichte van 1995 daalde het aandeel van de industrie en nijverheid in de Letse economie van 20,7 procent naar 10,6 procent, terwijl het aandeel vastgoed en bouw steeg van 14,6 procent naar 26,5 procent. Productie werd opgeofferd voor  speculatieve consumptie gedreven door goedkoop buitenlands hypothecair krediet. 
     
    Toen in 2008 de crisis toesloeg draaide de stroom van buitenlands krediet zich om. Het piramidespel, waarin schulden constant geherfinancierd moesten worden tegen de steeds maar oplopende woningwaarde, kon niet langer worden volgehouden. De Letse economie kromp met 24 procent van de piek tot het dieptepunt en de woningprijzen daalden met maar liefst 65 procent. 
     
    Interne devaluatie
    Een groot probleem bij het reageren op de crisis was dat de Baltische munteenheden waren gekoppeld aan de euro. Deze koppeling maakte de munteenheid structureel overgewaardeerd. Vóór de crisis had Letland een handelstekort -gefinancierd door buitenlands krediet- van maar liefst 22,3 procent van het bbp. Door de koppeling waren Letland en Estland ook niet in staat hun eigen monetair beleid te voeren tijdens de crisis, waardoor grote renteschommelingen optraden. Begin 2009 steeg de Letse rente zelfs naar 28 procent, een onwelkome ontwikkeling midden in een crisis. 
     
    Het loslaten van de wisselkoerskoppeling was ondenkbaar voor Baltische politici. Ten eerste wilde men graag toetreden tot de Euro, ten tweede waren de schulden grotendeels gedenomineerd in euro’s. Een devaluering ten opzichte van de euro zou betekenen dat deze schulden compleet onbetaalbaar zouden worden. Een bankroet moest koste wat het kost worden vermeden. 
     
    Net als Griekenland konden de Baltische landen dus alleen concurrerend worden door intern te devalueren, d.w.z. door het binnenlands loon- en prijsniveau omlaag te drukken. Het IMF was van mening dat dit de enige juiste koers was voor de Baltische landen. Waar de meeste westerse landen op de crisis reageerden door de overheidsuitgaven op te schroeven, reageerden de Baltische landen door te bezuinigen. Dit maakte de toch al problematische situatie alleen nog maar erger. Terwijl de binnenlandse private sector probeerde haar schulden af te betalen, probeerde de overheid verder te bezuinigen. De export werd zo het enige dat de Baltische staten nog kon redden.
     
    De radicale loonmatiging heeft inderdaad zijn effect gesorteerd, de export is aangetrokken, terwijl de import bijna halveerde. De Letse handelsbalans laat sinds 2010 zelfs een klein overschot zien, een prestatie van formaat voor een land dat vóór de crisis nog een gigantisch tekort had. Ondanks de verbeterde handelsbalans is de economische groei nog steeds erg zwak, zeker gezien de grootte van de krimp. Als de Letse economie in dit tempo door blijft groeien, dan is het pas in 2016 op het niveau van vóór de crisis. Letland zou dus 9 jaar nodig hebben om te herstellen! Estland doet het beter en zou eind 2012 zijn hersteld als het in dit tempo doorgroeit. Estland trad in januari 2011 toe tot de euro en kreeg veel hulp van de EU, die haar ondersteunde met hulpgelden ter waarde van 8,3 procent van het bbp in 2010 en 6,7 procent in het voorgaande jaar. Bovendien herstellen de grootste handelspartners van Estland, Zweden en Finland, zich sneller dan de rest van Europa. Ondanks de aantrekkende groei  is de werkloosheid, in zowel Estland als Letland nog steeds erg hoog, respectievelijk 12,8 procent en 15,6 procent. De terugval van de werkloosheid sinds de tweede helft van 2010 is bovendien voor een groot deel te wijten aan emigratie, niet aan een vergroting van de werkgelegenheid. 
     
    Het Baltische voorbeeld
    De Baltische ervaring met interne devaluatie wordt nu gebruikt als een succesverhaal, een voorbeeld voor andere Europese schuldenlanden. Dit is een merkwaardige interpretatie van het Baltische drama. Letland’s BBP is door deze crisis weer terug op het niveau van voor de val van het communisme; de bevolking verlaat en masse het land; er heerst grootschalige werkloosheid; en het begrotingstekort is nog altijd groot. 
     
    Het contrast met Polen is opvallend. De Poolse zloty  werd tijdens de crisis met 20 procent gedevalueerd en de rente werd verlaagd. Het Poolse bbp daalde maar één kwartaal en de werkloosheid is vrijwel gelijk gebleven ten opzichte van 2007. Een zelfde verhaal is te vertellen voor Zweden. Ironisch, omdat de Zweedse minister van buitenlandse zaken Letland prijst voor haar vasthoudendheid en moed in het uitvoeren van het draconische bezuinigingsprogramma en het vasthouden van de wisselkoers. Misschien ook niet zo verwonderlijk gezien het feit dat Zweedse banken flink zouden moeten afboeken op hun Letse leningen mocht Letland ooit de koppeling met de euro loslaten. 
     
    De Baltische ervaring leert ons dus eigenlijk dat interne devaluatie een sociale en economische ramp is, die maar beter niet kan worden herhaald in andere landen. De Eurolanden lijken precies het omgekeerde te concluderen nu Spanje, Griekenland, Italië, Ierland en Portugal worden gedwongen eenzelfde soort beleid te voeren, met tot dusver soortgelijke uitkomsten.
     
    *****
     
    Een spreadsheet met gegevens gebruikt in dit artikel is hier te verkrijgen. 

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jesse Frederik

    In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...

    Volg Jesse Frederik
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren