Van stikstofcrisis tot dierenwelzijn: Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness. Lees meer

De intensieve veehouderij speelt in veel hedendaagse vraagstukken een centrale rol: de stikstofcrisis, de uitstoot van broeikasgassen, de opkomst van zoönosen. Follow the Money onderzoekt de belangen in de dierenbusiness.

Nederland heeft de ambitie de wereld te voeden met vlees, eieren en zuivelproducten. Jaarlijks exporteren we voor ruim 16 miljard euro aan vlees (8,7 miljard) en zuivel (8,2 miljard). Daar staat tegenover dat we granen en soja moeten importeren (ter waarde van zo’n 3 miljard euro) om al onze koeien, varkens, geiten en kippen te kunnen voeden.

Intussen wordt de grootschalige vleesindustrie een steeds groter probleem. Ze legt meer en meer beslag op de schaarse ruimte, vergiftigt de bodem en het (drink)water, en staat aan de wieg van dierziekten die soms ook mensen kunnen treffen (Q-koorts). En dan de dieren zelf. Steeds minder mensen vinden het acceptabel dat ze louter omwille van onze honger naar vlees worden geboren, vetgemest en geslacht.

In dit dossier onderzoekt Follow the Money de belangen achter de vleesindustrie, of en hoe er veranderingen mogelijk zijn, en welke krachten een omwenteling in de weg staan.

20 artikelen

Pleidooi voor onteigening van het platteland

1 Connectie

Relaties

mest
16 Bijdragen

Een paar jaar nadat onderzoeksjournalist Kees Kooman naar het Friese platteland verhuisde, vatte hij interesse op voor de boeren in zijn buurt. Tot die tijd had hij hun werk – en hun voedselproductie – voor lief genomen, net als de meeste andere consumenten. Nu wilde hij weten: hoe zit dat met dat mestoverschot en melkquota? Wat deed dat met de boeren, en met het platteland? Hij schreef er een boek over.

‘Schijten we ons dood tot de dood ons scheidt?’ zei Gerrit Braks ooit. Hij was een van de landbouwministers die de afgelopen decennia het hoofdpijndossier ‘intensieve landbouw en veehouderij’ in goede banen moesten leiden. Zonder veel succes, dat was er hooguit op het gebied van de export. Het citaat slaat op de enorme hoeveelheden mest die het gevolg waren van de steeds vollere stallen.

Dat proces was al decennia aan de gang toen Braks, samen met toenmalig milieuminister Pieter Winsemius, in november 1984 via een interimwet paal en perk stelde aan de uitbreiding van veestallen. Het doel: een einde maken aan de ‘zondvloed’ van stront en aan de groei van de veestapel. Ook weer grotendeels tevergeefs.

In datzelfde jaar deed ik in Los Angeles voor Het Vrije Volk verslag van de Olympische Spelen, me volkomen onbewust van de problemen die zich op het platteland voordeden. Ik behoorde tot de destijds ongeveer 15 miljoen Nederlanders die hun buikje rond aten zonder zich een seconde te bekommeren om de gevolgen van hun vraatzucht. Vlees hoorde ook bij mij tot het dagelijkse menu en ik vrees dat ik in de buurt van de Santa Monica Boulevard achteloos behoorlijk wat hamburgers heb weggewerkt.

In 2002 vestigde ik me als freelance onderzoeksjournalist in Ee, een nietig dorpje nabij Dokkum, en zag vanuit de keukenramen van onze woonboerderij – bouwjaar 1704 – melkveehouders aan het werk. Ik vroeg me nooit af waarvoor dat karretje diende dat achter de tractor hing; samen reden ze met grote regelmaat uit. Pas later kwam ik erachter dat het karretje kunstmest bevatte.

Toen kwam in 2015 het besluit om het melkquotum los te laten. Dat was ooit bedoeld om overschotten te voorkomen, en fungeerde ook als handrem om de zondvloed van stront tegen te gaan. In eerste instantie juichten de boeren: ze spraken van ‘bevrijdingsdag’, terwijl je achteraf beter kunt spreken van ‘bijltjesdag’. Hier begon mijn fascinatie voor het platteland en hoe de boeren er werken.

Behalve de propvolle stallen, met grote risico’s op milieuverontreiniging, is ook de potentiële uitputting van onze akkers een bron van zorg

Het beklemde land is mijn vierde boek over een sector die door de discussies over stikstof en plannen om de veestapel in te dammen nu eindelijk de aandacht krijgt die zij verdient, al zullen veel boeren daar misschien anders over denken. Gekscherend noem ik de publicaties wel eens ‘mijn kleine bijdrage aan de leefomgeving’. Daarbij moet ik eerlijkheidshalve aantekenen dat ik zeer laat ben wakker geschrokken – zeker vergeleken met degenen die al in 1972 waarschuwden voor ‘de metamorfose van het platteland’, die beschreven werd in het rapport Bio-industrie, Augiasstal in milieu en landschap. De overheid liet onverminderd haar oren hangen naar de lobbyisten uit de sector, die bleven volhouden dat er niets aan de hand was en ‘dat we ons zoveel mogelijk moeten inzetten om veehouders te doen overleven’.

De wal lijkt dit schip van eeuwige groei te keren. Behalve de propvolle stallen, met grote risico’s op milieuverontreiniging, is ook de potentiële uitputting van onze akkers een bron van zorg geworden. Dat er veel op het spel staat, meer dan stedelingen zich realiseren, lijkt me duidelijk. Maar hoe genereer je de aandacht van de consument die, net als ik destijds in Los Angeles, gedachteloos een stukje koe, varken of kip naar binnen schrokt, vaak met een blaadje ‘groen’ waarvan je ook geen idee hebt welke chemicaliën eraan te pas zijn gekomen? Ik dacht: volg het spoor van de geschiedenis, ‘de totale som van dingen die hadden kunnen worden vermeden’ en breng de boeren in beeld die willen leren van de lessen uit het verleden. Vandaar dit boek.

Uit Het beklemde land: die andere Mansholt

Akkerbouwer IJsbrand de Weerd, akkerbouwer Geert Jan Duisterwinkel en melkveehouder Ben van Tilburg vormen een driemanschap in de Westpolder. Ze werken in wat De Weerd ‘het Wassenaar van Groningen’ noemt: het neusje van de zalm qua grond, en dat tegen het decor van de loodzware geschiedenis die het ingepolderde land in zich draagt. Hier heeft de zee genomen, maar nog veel meer gegeven, in de vorm van vruchtbare grond. Dezelfde zeewind die zo stormachtig kan aanzwellen is een voorwaarde voor de aardappelteelt, de corebusiness in dit gebied. 

Volgens De Weerd en zijn kompanen moet de landbouw op een andere leest worden geschoeid. Al zal het niet gemakkelijk zijn om de landbouw, dat door het monster van de vrije markt een richting is opgestuurd die velen niet willen, te veranderen. Maar de grote vraag is: kan wat zij willen eigenlijk wel?

In het betoog van De Weerd kun je de echo horen van de boer die in de negentiende en twintigste eeuw in de Westpolder leefde en werkte. Hij is een telg van het geslacht Mansholt, dat beroemd werd dankzij de minister die min of meer verantwoordelijk moet worden geacht voor de intensivering van de Nederlandse landbouw: Sicco Mansholt. Maar misschien verdient zijn opa Derk Roelfs Mansholt veel meer eer. Roelfs Mansholt had een indrukwekkende snor en kijkt op foto’s enigszins melancholiek. Of is die opgetrokken wenkbrauw een uiting van verbazing?

Wie De donkere zijde van den handel leest, begrijpt waarom Roelfs lang sympathiseerde met de knalrode Ferdinand Domela Nieuwenhuis

Mansholt reed in 1882 voor het eerst het erf van Torum op en zou dat nooit meer verlaten, behalve dan voor vergaderingen als bestuurder en – heel soms – voor vakantie. De oude eigenaar, Roelf Eijes Torringa, in de wijde omgeving de boer met het meeste land, was na de watersnoodramp vijf jaar eerder nooit meer terug geweest op de plek. Derk Roelfs Mansholt maakte van akkerbouw een kunst, onder andere door technieken voor grondverbetering. In De graanrepubliek van Frank Westerman wordt zijn motto vermeld: ‘De natuur laat zich niets ontfutselen, maar zij is niet karig met haar loon voor wel bestuurde arbeid.’

Roelfs verbaasde zich eind negentiende, begin twintigste eeuw over van alles en nog wat. Hij schreef meerdere boeken, onder andere De donkere zijde van den handel (1907). Hij was bevriend met Multatuli, die kind aan huis was in de Westpolder en regelmatig op Torum langskwam om te praten en te schaken.

Wie De donkere zijde van den handel leest, begrijpt goed waarom deze telg van het Mansholt-geslacht lang sympathiseerde met de knalrode Ferdinand Domela Nieuwenhuis.

Roelfs haalt in zijn boek fel uit naar wat hij de geniepigheid noemde van de Oost-Indische Compagnie en ‘het uitmoorden der Indische bevolking’. Vandaar ook zijn verwantschap met Multatuli, auteur van Max Havelaar. Zwart op wit vereeuwigde Roelfs de ‘ongeschreven grondwet van de handel’: 1. Koop zoo goedkoop mogelijk, 2. Verkoop zoo duur mogelijk.

Roelfs richtte al begin twintigste eeuw zijn pijlen op ‘de prachtigste tarwe’ die voor een groot deel wordt geëxporteerd, terwijl onze eigen burgers brood krijgen voorgeschoteld, ‘gemaakt van afval van buitenlandse meelfabrieken’. En dan moest je als argeloze consument ook nog oppassen dat je niet stuitte op een lading giftige krenten, gewassen in Londens rioolwater en verkocht in Rotterdam, waar vier mensen stierven na het eten van een krentenbol. Zo gek was het niet dat er een speciaal tijdschrift vervaardigd werd met de veelzeggende titel Maandblad der Vereeniging tegen het vervalschen van levensmiddelen.

In de ogen van Roelfs was handel niets anders dan ‘een spel tussen bedriegers en bedrogenen’. Deze herenboer van Torum stond niet bekend als begenadigd spreker – naar verluidt kon hij wel mooi zingen – maar als schrijver stond hij zijn mannetje. Hij geloofde heilig in de gezamenlijke inspanningen van coöperaties, trad toe tot diverse besturen van dergelijke instanties, doopte zijn pen in bloed en azijn als hij misstanden wilde bestrijden. Toch was hij, als herenboer, voorwerp van kritiek, toen arbeiders zich verzetten tegen lage lonen en ellendige arbeidsomstandigheden. De opmars van machines die het werk lichter moesten maken, werd evenmin met gejuich ontvangen: zouden zulke innovaties niet ten koste gaan van arbeidsplaatsen?

Het bedrog van de vrije markt

Al aan het einde van de negentiende eeuw drong tot Mansholt door dat de vrije markt niet alleen een spel is tussen bedriegers en bedrogenen: het kan zelfs een nauwelijks te bedwingen monster zijn, dat doet wat het wil. Wie had voorzien dat die prachtige ‘champagnejaren’, waaraan geen einde leek te komen, plotseling voorbij bleken?

Dankzij betere en grotere schepen weren opeens grote hoeveelheden graan en andere landbouwproducten uit de Verenigde Staten geïmporteerd en raakten ‘onze’ prijzen in vrije val. Met de emigratie van de ‘landlieden’ die de grote oversteek naar de andere kant van de wereld hadden gewaagd, was ook onze expertise meegereisd. En Amerika was op het gebied van moderne agrarische hulpmiddelen altijd al een voorloper geweest. De kracht van de ‘Noord-Amerikaanse Republiek’ school volgens Roelfs in het streng bewaken van haar eigen grenzen door middel van invoerrechten.

‘De rijke kooplieden der grote steden’ zaten op hun dikke kont, naast de kassa uiteraard, terwijl ‘het platteland’ zich in het zweet ploeterde

Met zijn jong overleden zoon Ubbo publiceerde hij in 1900 het boek De stikstofvoeding der landbouwcultuurgewassen. Het boek kreeg een prijs en werd een hit in het landbouwonderwijs. Vader en zoon Mansholt toonden aan dat sommige gewassen, zoals klaver en erwten, de grond vruchtbaarder maakten. Zij konden het bedje spreiden voor de teelt van bijvoorbeeld aardappelen of uien. Roelfs Mansholt werd uitgever en de belangrijkste correspondent van het maandblad De grond. Omdat hij de weerberichten van De Bilt niet vertrouwde, deed hij eigen voorspellingen in de Veendammer Courant.

In 1888 brak de rode herenboer tevergeefs een lans voor een apart ministerie voor de Landbouw, volgens hem ‘de Assepoester’ van de Nederlandse maatschappij, die eindelijk eens wakker moest worden gekust. In mei 1912 – na gebroken te hebben met Domela Nieuwenhuis, in zijn ogen te radicaal en alleen maar op zoek naar revolutie – ging hij er in zijn kantoor met uitzicht op de zeedijk eens goed voor zitten. In het maandblad Cultura pleitte hij voor ‘een proeve van onderzoek naar den invloed van inkomende rechten op den winkelprijs der voornaamste levensmiddelen’. Met het Duitse Rijk, ‘ook een der rijkste landen’ als voorbeeld, pleitte hij voor een vorm van protectie om zich niet de wet te laten voorschrijven door ‘de rijke kooplieden der grote steden’. Die zaten alleen maar op hun dikke kont, naast de kassa uiteraard, terwijl ‘het platteland’ zich in het zweet ploeterde.

Moraliteit

Je kon goed zien, zo rekende Roelfs Mansholt voor, dat een Duitse arbeider veel rijker was dan een Nederlandse. Dat zag je aan de hoeveelheid vlees die ze aten. In 1883 aten ze allebei gemiddeld 30 kilo per persoon per jaar, maar 28 jaar later aten onze oosterburen jaarlijks 52,7 kilo per persoon, en de Nederlanders ‘maar’ 33 kilo. Daarnaast moest het maar eens uit zijn met de dwaze gedachte, ‘een soort dogma, een algemeen verspreid volksgeloof’, dat rijkdom en grootheid van de zeventiende en achttiende eeuw alleen maar ‘in het land vloeide’ vanwege ‘den buitenlandschen handel’. Voor geld zijn ‘wetten der moraliteit’ terzijde geschoven, vooral in de grote stad. En dat ‘terwijl de landbouw aan zichzelf was overgelaten’ en wel de zuur verdiende belastingpenningen moet opbrengen ‘om den rijkdom der steden te helpen vergroten’.

De zelfstandige boerenstand zou verworden tot afhankelijke pachters, met verwaarlozing van de grond als gevolg

Je hoefde, aldus deze telg van het beroemde landbouwgeslacht, niet te raden dat de ziektekiemen van de immoraliteit zich het snelst verspreidden in de grote steden. ‘Wie, zoals schrijver dezes,’ noteerde hij, ‘een halve eeuw dagelijks met veldarbeiders heeft verkeerd, zal weten dat opzettelijk bedrog en diefstal zo goed als niet voorkomen. En toch, hoeveel gemakkelijker en ongevaarlijker is het hier, in de eenzaamheid der velden beladen met vruchten van allerlei aard, zich andermans goed toe te eigenen zonder dat er een haan naar kraait!’ Productief werk verrichten, dus niet zoals veel kooplieden (en zeker de rijksten onder hen) met de armen over elkaar bij de kassa zitten, betekende volgens Roelfs Mansholt automatisch ‘een hogere zedelijk standpunt’.

Hoe langer hij leefde, hoe ‘roder’ hij in zijn opvattingen werd. Het was de schuld van de grootgrondbezitters, zo voorzag deze Mansholt, dat de zelfstandige boerenstand zou verworden tot afhankelijke pachters, met verwaarlozing van de grond als gevolg. Er was maar één oplossing voor een toekomst waarin die grond zou worden gekoesterd door de bewerkers: onteigening van het land, weliswaar op langere termijn en langs wettelijke weg. Het boerenland behoorde de gemeenschap toe.

De donkere zijde van de handel: breek IJsbrand de Weerd de bek niet open.