Het economische wereldbeeld van Arnon Grunberg

2 Connecties

Onderwerpen

grunberg

Werkvelden

Economie
5 Bijdragen

Wat de economische wetenschap en het werk van Arnon Grunberg gemeen hebben. Literatuur gaat verder waar economie ophoudt.

Een schrijver kan niet zonder wereldbeeld. Arnon Grunberg zijn wereldbeeld wordt samengevat door de dichtbundeltitel Liefde is business. Bij Grunberg is alle menselijke omgang een zakelijke transactie. Mensen zijn aardig tegen je omdat ze iets van je willen. En als je wil dat mensen je aardig vinden moet je ze bijgevolg iets te bieden hebben. Dat is niet cynisch, zo is het leven. Zo werkt economie. Zo werkt alles. Dat is niet de enige overeenkomst tussen de economische wetenschap en het wereldbeeld van Arnon Grunberg; in veel zijn beide gelijk, op het vocabulaire na dan. Toch is Arnon Grunberg geen econoom geworden maar schrijver. En dat heeft -behalve met het voortijdig verlaten van de middelbare school- alles te maken met de poging die Arnon Grunberg en diens personages doen zich toch te onttrekken aan het eigen wereldbeeld dat elk menselijk contact een transactie is. Er moet meer zijn. Literatuur als ontsnappingskunst, als zoektocht of niet toch werkelijk menselijk contact mogelijk is, waarbij het antwoord van stonde aan eigenlijk vast staat. Het staat vast en toch moet het verwoord worden.

Het Economisch Wereldbeeld

Alvorens Grunberg zijn romans te bespreken, eerst zijn economische wereldbeeld, zoals dat blijkt uit columns en opinieartikelen. De kern van economie is door de econoom Edgeworth (1881) als volgt verwoord:’The first principle of Economics is that every agent is actuated only by self-interest. The workings of this principle may be viewed under two aspects, according as the agent acts without, or with, the consent of others affected by his actions. In wide senses, the first species of action may be called war; the second, contract’. Ruil is ook maar één manier waarop transacties plaats kunnen hebben, oorlog is de andere. En dat klinkt bij Grunberg zo: “oorlog is niet alleen de logische voortzetting van competitie, hij is het natuurlijke gevolg ervan. De mededeling dat oorlog onbeschaafd is, betekent niet meer dan dat het onbeschaafd is dat er naast Albert Heijn nog andere supermarkten bestaan.” Oorlog is niet het tegendeel van de vrije markt, maar is er de voortzetting van. Dat is natuurlijk niet de officiële verklaring voor oorlog, maar officiële verklaringen zijn in de eerste plaats officieel en pas in de laatste plaats een verklaring, althans: “Oorlogen worden gevoerd om strategische redenen; de moraal is marketing.” De kost gaat voor de baat uit, en de baat gaat voor alles uit. Een standpunt waar ook economen zich soms wel in vinden kunnen: “I am saddened that it is politically inconvenient to acknowledge what everyone knows: the Iraq war is largely about oil.” Dit zijn de woorden van oud-president van de Amerikaanse centrale bank Greenspan, die deze woorden later overigens deels terugnam. Misschien won politiek opportunisme het bij nader inzien toch weer van zijn droefheid. Dat zou dan in het wereldbeeld van Grunberg passen, waar opportunisme het altijd wint. Dat geldt ook voor de nobele zaak van de ontwikkelingshulp. De econoom Easterly hekelde in zijn boek The Great White Burden wat hij de dubbele tragedie noemt; de eerste tragedie is dat de derde wereld arm is, de tweede is dat de elk decennium verdubbelde ontwikkelingshulp niet aankomt. Steeds weer blijkt de wens geld aan goede doelen te geven groter dan het verlangen te controleren of het daarvoor ook gebruikt wordt. Grunberg op zijn beurt stelt dat armoedebestrijding vooral goed is voor de armoedebestrijders: “Van elke tien dollar uitgegeven aan armoedebestrijding, gaan er negen dollars naar de armoedebestrijders, één dollar gaat naar de arme zelf.” Engagement is maar ijdelheid, waarvan het symptoom is dat “min of meer bekende personen naar gebieden reizen waar ze met een gerust geweten kunnen verklaren ‘vreselijk, vreselijk, vreselijk’.” Armoedebestrijding is de voortzetting van eigen belang met andere middelen, dat weliswaar vergezeld gaat van vrome verklaringen, maar dat maakt het eigenbelang er niet minder om. Het maakt het alleen maar groter eigenlijk.

Stemmen met Grunberg

Een ander voorbeeld. Veel mensen stemmen niet en vote or die was de versie van ‘vreselijk, vreselijk, vreselijk’ waarmee min of meer bekende Amerikanen ooit uiting gaven aan hun engagement. Wie niet stemt, bevindt zich evenwel in goed gezelschap, daar het economen ook altijd verbaasd heeft dat mensen stemmen. De uit de moeite van het stemmen bestaande shoeletter costs zijn klein en toch niet verwaarloosbaar, terwijl de kans dat de stem er toe zal blijken te doen wel degelijk verwaarloosbaar is. Er gaat geen zetel naar een andere partij door iemand zijn of haar stem –laat staan dat het uiteindelijke kabinetsbeleid beïnvloed wordt. Rationele stemmers stemmen niet. Bij Grunberg wordt deze zogeheten stem paradox: “In een klein hokje een vakje rood maken en dan denken dat je macht uitoefent, is een vorm van bijgeloof.” Hieruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat democratie afkeurenswaardig is, want de schijn van invloed die een democratie uitdeelt valt “te verkiezen boven een staat die niet meer de moeite neemt dergelijke schijn uit te delen.” Alle pogingen van barricadelopers, pamflettisten, pennenklimmers en actievoerders om de schijn van invloed om te zetten in daadwerkelijke invloed zijn daarbij ook weer even hypocriete als ineffectieve ijdelheid, want “Systeembestrijders zijn er voornamelijk op uit om onder gunstigere voorwaarden deel te nemen aan dat systeem.” En dat doet denken aan de democratiseringsthese van de economen Acemoglu en Robinson volgens wie democratisering het middel van de elite is om revolutie af te kopen als repressie te kostbaar geworden is. Een definitie van democratie is dan, nu weer in de woorden van Grunberg, “een systeem waarbij de leiders niet al te veel last hebben van het volk en het volk niet al te veel last van de leiders.”
Democratie is een systeem waarbij de leiders niet al te veel last hebben van het volk en het volk niet al te veel last van de leiders

Geluk is te koop!

Arnon Grunberg zijn schrijven bestaan veelal uit staccato achter elkaar geplaatste aforismen en oneliners. Grunberg wordt dan ook wel verweten dat hij het verschil niet weet -of niet maakt- tussen stellen en aantonen. Hij beweert veel, maar hij doet geen moeite er een uitgewerkte theorie op na te houden, die moet de lezer zelf bedenken. En dan is economie de theorie die er bij Grunberg bij gedacht kan worden, bij gedacht moet worden. Zo nonchalant als bij Grunberg het debiteren van economische aforismen is, zo zorgvuldig en onontkoombaar is zijn literaire oeuvre opgebouwd.
Economie valt in vier woorden samen te vatten: geluk is te koop
In de roman Figuranten schrijft Grunberg: “Economie valt in vier woorden samen te vatten: geluk is te koop. En iets dat te koop is, daar ga je niet op zitten wachten aan de kant van de weg. Daar ga je op af. Met je portemonnee. En als je geen portemonnee hebt met je creditcard. En als je ook geen creditcard hebt met de portemonnee van iemand anders.” Zie daar, geluk is te koop. Maar als dat zo was, althans als Grunberg hier werkelijk van overtuigd was, dan zou literatuur geen functie hebben. Toch is hij schrijver en geen bankier, actuaris of advocaat geworden. Hij is er wellicht toch niet zeker van dat geluk te koop is. De verhouding tussen economie en literatuur wordt hier relevant: “Alles wat je met geld kon kopen, moest je met geld kopen, en woorden moest je gebruiken voor dat wat niet met geld kan worden gekocht. Gemist worden bijvoorbeeld.” En uit alles blijkt dat het uiteindelijk daar om gaat, om gemist worden, dat wil zeggen: contact. Dan is geld toch niet genoeg. Daar zijn woorden voor nodig. Daar is literatuur voor nodig. Je zou kunnen zeggen dat literatuur verder gaat waar economie ophoudt.

De angst overwonnen

Grunberg zijn universum wordt bevolkt door mensen die gemist willen worden. Om dat te bereiken zetten ze alle middelen in die ze tot hun beschikking hebben en dat blijken uiteindelijk alleen woorden te zijn. Nog voor zijn debuut Blauwe maandagen gaf Grunberg in eigen beheer Brief aan M. uit. Woorden moeten daarin doen wat de schrijver zelf niet kan: de begeerde, genaamd M., veroveren. De brief mist evenwel doel, en het was ook eigenlijk nooit meer dan een wanhoopsoffensief van een jongeling wiens behoefte tot contact uiteindelijk overtroffen wordt door de angst daarvoor. Schrijven is het compromis tussen behoefte aan contact en de angst daarvoor. Worden de personages in het vroege werk vooral beheerst door angst, in de roman Fantoompijn heeft het hoofdpersonage de angst overwonnen. De angst heeft plaatsgemaakt voor de overtuiging dat alles spel is en woorden het middel om dat spel te winnen. In bijzonder is een relatie een spel om te kijken wie er als eerste kapot gaat aan dat spel. Er is in deze roman nog wel behoefte aan contact, maar er is ook de zekerheid dat aan dat contact vroeg of laat iemand kapot zal gaan. En om die onvermijdelijke pijn te ontlopen, om onkwetsbaar te worden, om de angst niet meer te voelen, moet de relatie opgevat worden als een spel. Een spel dat met ernst gespeeld moet worden, dat wel. In Fantoompijn is de hoofdpersoon Robert Mehlman bezig zijn relatie te winnen door een permanente staat van eloquentie te beleggen: de inzet is om de ander altijd te kunnen aftroeven, om nooit zonder woorden zijn. De hoofdpersoon meent te doorzien hoe het verlangen gemist te worden kan worden gerealiseerd. Het komt er op aan woorden in te zetten zoals een generaal zijn soldaten inzet, om van de ander te winnen, de ander afhankelijk te maken en zo zelf nooit zonder publiek te zijn. In zulke gemankeerde relaties is de vraag op zijn plaats of wat de winnaar wint het winnen wel waard is. Het interessante aan Fantoompijn is de proloog en de epiloog; hierin neemt de zoon van de hoofdpersoon afstand van zijn vader. De zoon kan en wil niet in de werkelijkheid van zijn vader leven, omdat die werkelijkheid onleefbaar is. Die werkelijkheid is failliet; zijn vader eindigt als een eenzame, fabulerende mythomaan. Contact is niet dichterbij gekomen; ook literatuur en woorden zijn uitstel van het onvermijdelijke gebleken. Het vermoeden dat het in feite Grunberg is die hier afstand doet van zichzelf is met zijn latere boeken uitgegroeid tot een zekerheid.

Mensen die niet meer gemist worden

De laatste romans tonen mensen die uitgespeeld zijn, mensen die nog maar één rol hebben, hun laatste, en daar aan vast houden. Mensen die niet meer gemist worden, en woorden kunnen daaraan niets veranderen, die kunnen dat hoogstens formuleren. Wat rest iemand die niet meer gemist wordt, die verlaten en overtollig verklaard is?  Tegen beter weten in kan er dan alleen nog een daad gesteld worden –een aanslag in de Asielzoeker, een moord in Tirza, een militaire operatie in Onze Oom. In de één na laatste roman Huid en Haar onderneemt de hoofdpersoon definitief geen poging meer om contact te leggen met anderen. De hoofdpersoon Roland Oberstein is universitair docent economie die zich met de geschiedenis van de bubbel ('de geschiedenis van het menselijk bedrog') bezig houdt. Voor Oberstein is menselijk contact een noodzakelijk kwaad ('ik ben niet zelfvoorzienend') dat tussen hem en zijn werk staat. Zijn werk is ook eigenlijk alleen maar een verdedigingslinie tegen sociaal contact. Relaties verschaffen niet eens meer de illusie van verlossing. Ze maken de onmogelijkheid daarvan duidelijk, een relatie is de 'binnenplaats van de gevangenis'. De pijnstillende verdoving die Oberstein zichzelf toedient door zich op zijn werk te storten, blijkt aan het einde uitgewerkt. Hij legt toch contact met een studente die zijn femme fatale zal blijken. Hij zal alles verliezen. Zijn fout was om zich toch een keer open te stellen voor contact, het fatale contact. Vanaf dan rest de maatschappelijk uitgerangeerde Oberstein slechts afhankelijkheid. Het spel is uit. Het spel kan de werkelijkheid niet meer op afstand houden. En daarmee is Grunberg zijn oeuvre het antwoord op de door de 21-jarige Grunberg in Brief aan M. opgeworpen vraag: “Ik dacht na over wat er met hoop gebeurt als zij door niets meer wordt gevoed.” Grunberg zijn in columns en artikelen geformuleerde wereldbeeld vertoont meer dan toevallige gelijkenis met de economische wetenschap. Toch heeft de economie het laatste woord niet bij Grunberg. Literatuur gaat bij hem door waar economie ophoudt. Woorden zijn er in zijn eerste romans voor alles wat niet met geld te koop is: gemist worden. Zijn laatste romans verwoorden de teleurstelling over de valse munt die ook woorden blijken te zijn. Menselijk contact is een transactie die niet werkelijk tot stand komt, alle woorden ten spijt. Die laatste teleurstelling, alleen daar gaat literatuur dan nog maar over.

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

David Hollanders

Gevolgd door 179 leden

Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.