Dossier DSB: de feiten op een rij

2 Connecties

Onderwerpen

Scheringa

Organisaties

DSB Bank
0 Reacties

Waar ging Scheringa’s subprime imperium aan de Polder aan ten onder?

Afgelopen woensdag was het tweejarige jubileum van het faillissement van DSB. Nog altijd bestaat hier en daar verwarring over de oorzaken. Was het de oproep van Lakeman? Een complot van de toezichthouders? Of toch de incompetentie van Scheringa zelf? 

 
De verwarring is niet terecht. Sinds het faillissement is er veel informatie over de financiële positie en de gang van zaken bij DSB beschikbaar gekomen. Deze informatie laat zien dat, hoewel de oproep van Lakeman de directe aanleiding was, DSB omstreeks 2007 eigenlijk al verliesgevend was en zichzelf met boekhoudkundig kunst- en vliegwerk overeind hield.  
 
Koopsompolissen en provisies
Het verdienmodel van DSB was gebaseerd op het verkopen van koopsompolissen. Tot 2008 verdiende DSB veruit het grootste deel van de inkomsten uit provisies (grafiek 1). Deze provisies waren grotendeels afkomstig van koopsompolissen die DSB in combinatie met een hypotheek verkocht. Om in aanmerking te komen voor de hypotheek, zo vertelde DSB aan haar klanten, diende men de nodige koopsompolissen af te sluiten. Bij een koopsompolis betaalt men geen maandelijkse premie, maar wordt het hele bedrag van de polis ineens betaald. 
 
Grafiek 1: Inkomsten van DSB (Bron: Commissie Scheltema pg. 102)

 
De provisies op dit type verzekeringsovereenkomsten waren erg hoog. Uit onderzoek van de commissie Scheltema bleek dat de gemiddelde provisie van de polissen op wel 56% van de waarde van de koopsompolissen lag. Van de in 2009 nog lopende polissen bedroeg dit zelfs 62%. Hogere provisies waren echter geenszins ongebruikelijk (zie grafiek 2).
 
Grafiek 2: Bedrag aan polissen naar percentage provisie (Bron: Commissie Scheltema pg. 120)

 
De verzekeringen die DSB afsloot waren van erbarmelijke kwaliteit. Naast de hoge provisies was de kans op uitkering erg klein. De Commissie Scheltema schrijft dat ‘de verzekeringen die via DSB tot stand kwamen een aantal bijzondere beperkingen en uitsluitingen kenden.’ Zo waren bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen veelvoorkomende rugklachten en psychische klachten uitgesloten van uitkering. De risicodekking, zo concludeert de commissie Scheltema, was bij deze verzekeringsproducten ‘illusoir’. 
 
Illusoire winsten
De door DSB gecreëerde winsten waren al even illusoir. DSB financierde de koopsompolissen mee in de door haarzelf verstrekte hypotheken. Omdat men het bedrag in een keer betaalt kon DSB meteen de provisie over de hele looptijd als winst boeken. ‘De provisie en tekencommissie worden direct bij afsluiten van het verzekeringscontract als verdiend beschouwd en volledig als opbrengst in de winst- en verliesrekening van het jaar van afsluiten verantwoord,’ schrijft de commissie Scheltema. Het was het echter nog maar de vraag of de geboekte winst reëel was. 
 
Ten eerste zette DSB onvoldoende opzij voor provisierestitutie, terwijl dat wel zo hoort. Er bestaat namelijk altijd een risico dat de klant de polis vroegtijdig beëindigt, waardoor DSB provisie terug moet betalen.  Dit gebeurde, zoals een  rapport van stichting SOBI aantoont, niet voldoende. SOBI schat in dit verband dat DSB minstens €24 miljoen te weinig reserveerde voor provisierestitutie. 
 
Ten tweede was het boeken van winst op de provisies voorbarig omdat nog moest blijken of men de riskante hypotheken/consumptieve kredieten wel kon betalen. Betalingsachterstanden van meer dan 4 maanden liggen bij portefeuilles van verpakte DSB hypotheken inmiddels op 6,15%. Dit is voor Nederlandse begrippen ongekend hoog -- het gemiddelde ligt op ongeveer 0,75%. 
 
DSB verstrekte veel leningen aan onkredietwaardige consumenten. De AFM constateerde in een onderzoek dat er in 34 van de 34 door hun onderzochte dossiers sprake was van een inadequate beoordeling van de consument zijn financiële positie. DSB deed dit zeer bewust. Volgens de commissie Scheltema was de ‘primaire doelgroep van DSB,’ ‘mensen met een lagere opleiding en een laag inkomen.’  DSB bezocht klanten vaak thuis ‘aan de keukentafel’. De verkoper had een printer bij zich zodat hij de contracten ter plekke kon uitprinten en laten tekenen. Verkopers stuurden stukken niet van tevoren op en de bedenktijd van de klant werd zoveel mogelijk beperkt. Verkopers gebruikten bovendien fictieve namen zodat het doen van navraag of het indienen van een klacht onmogelijk was. Het management was hiervan op de hoogte: een intern memo vroeg om de spreekkamers te voorzien van de fictieve naam .  
 
Verliezen verdoezelen
Vlak na het faillissement wist de Telegraaf een slachtoffer van DSB op te speuren. Zijn woning moest voor €130.000 worden verkocht -- hij had een schuld uitstaan van €297.000,-. De klant vertelde aan de Telegraaf dat hij al in 2005 in de problemen was gekomen en opnieuw had aangeklopt bij DSB. De DSB verkocht de klant een tweede hypotheek met nog eens een aantal koopsompolissen. De maandlasten waren op het eerste gezicht lager, doordat er sprake was van een lage rente, maar toen de lokrente periode afliep zat de klant opnieuw in de problemen. Ditmaal was de schuld echter nog groter. Ondertussen wist DSB de verliezen op deze lening, die eigenlijk in 2005 al duidelijk waren, nog vier jaar te verdoezelen.
 
Dit verhaal was geen uitzondering. De commissie Scheltema schrijft dat DSB, nadat de lokrente periode afliep, klanten benaderde met een dochtermaatschappij (met een andere naam) om hun hypotheek over te sluiten. Deze dochtermaatschappij bood een gunstiger rente tarief aan, maar bij het sluiten van de nieuwe overeenkomst moesten wel opnieuw een aantal koopsompolissen worden afgesloten, waarover Scheringa en consorten opnieuw provisies konden innen en winst konden boeken. In werkelijkheid werden de verliezen zo op termijn alleen maar groter
 
Grafiek 3: Lokrentes bij DSB (Bron: Prospectussen Monestary 2004 en 2006) 

 
DSB nam geen voorzieningen om de verliezen op de eigen hypotheekportefeuille te compenseren. Als er een gedwongen verkoop plaatsvond en er een restschuld overbleef boekte DSB niet af. Restschulden stonden in de boeken als volwaardig consumptief krediet. 
 
DSB deed ook zelf onderzoek naar de waarde van de eigen hypotheekportefeuille en constateerde dat ze flink moest afboeken (met wel 10-15%), Scheringa weigerde dit echter te doen. Na het faillissement boekte de curatoren wel af. Het positieve eigen vermogen van €245 miljoen dat DSB zelf presenteerde in 2009 was eigenlijk een negatief eigen vermogen van €252 miljoen. Ten tijde van het faillissement was DSB dus eigenlijk al insolvent.
 
Zelfverrijking 
Zoals uit al het voorgaande blijkt was DSB geen gezonde financiële instelling. DSB als instelling bestond niet ten behoeve van DSB als instelling, maar ten behoeve van haar enige aandeelhouder: Dirk Scheringa. Scheringa’s hobby’s moesten koste wat het kost gefinancierd worden. Al in 2006 had DSB Bank een vordering op DSB Beheer (de houdstermaatschappij van DSB Bank waarin ook Scheringa’s hobby’s waren ondergebracht) van €22 miljoen. Eind 2008 was dit opgelopen naar ruim €75 miljoen. Deze lening is door de curatoren bijna volledig afgeboekt -- DSB Beheer had simpelweg geen enkele mogelijkheid om het krediet terug te betalen. 
 
De winsten van DSB werden kunstmatig opgekrikt door de provisies op koopsompolissen al meteen in de boeken te zetten zonder dat hiervoor voldoende reserves werden aangehouden om mogelijke verliezen op hypotheekleningen en provisierestituties te compenseren. De werkwijze van DSB zou op termijn gegarandeerd zorgen voor grote verliezen. Op de korte termijn behaalde men echter flinke winsten, winsten waarvoor het management en de aandeelhouder zichzelf mochten belonen. 

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Jesse Frederik

In de zomer van 2011 ontvingen we per email een open sollicitatie van de 22-jarige Jesse Frederik uit Nijmegen die zichzelf o...