© CC0 (Publiek domein)

Het gaat juist steeds beter met de pensioenfondsen – logisch

    Het gaat weer beter met onze pensioenfondsen. Maar wie de ontwikkelingen volgt had dat een paar jaar geleden al kunnen zien aankomen, stelt pensioenspecialist Rob Goedhart. De doemverhalen over de toekomst van ons stelsel zijn volgens hem niet terecht.

    De afgelopen jaren leek het niet goed te gaan met de pensioenfondsen. Althans, er kwam wel steeds meer geld binnen, maar de dekkingsgraden zakten onder een bepaalde norm. En toen raakten enkelen zo in paniek dat ze vonden dat dan het hele stelsel maar omgegooid moest worden. De argumenten die daarvoor worden gebruikt: het stelsel zou onhoudbaar zijn, niet toekomstbestendig, etcetera. 

    Minister Wouter Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zet nu sociale partners onder druk om met verandervoorstellen te komen. Let wel: pensioenfondsen zijn geen commerciële instellingen. Ze zijn eigendom van werkgevers en werknemers. En die geven er blijk van helemaal niet zo happig te zijn op het omgooien van het stelsel. Wat mij betreft is dat terecht. In ieder geval kan de dekkingsgraad – waar veel pensioenfondsen de afgelopen jaren mee hebben gekampt – al geen reden meer zijn. De paniek daarover was onnodig. 

    BMI pensioenfondsen

    De dekkingsgraad is een soort benchmark om te zien hoe de gezond een fonds is. Noem het de BMI van de pensioenfondswereld. Voor een echte BMI (Body Mass Index) moet je nagaan wat je gewicht en wat je lengte is. De BMI is dan gewicht-gedeeld-door-lengte-in-het-kwadraat. Vervolgens hebben wetenschappers vastgesteld welke BMI bij jouw leeftijd en geslacht het beste past om gezond te zijn.

    Bij de BMI voor pensioenfondsen moet je berekenen hoeveel geld je als fonds werkelijk in huis hebt en wat je (volgens bepaalde aannames) zou moeten hebben om de beloofde pensioenen uit te keren. Een pensioenfonds is namelijk wettelijk verplicht om kapitaal op te sparen en aan te houden om de uitkeringen te kunnen doen.

    De dekkingsgraad kan wijzigen zonder dat er iets met het werkelijk vermogen gebeurt

    Hoewel pensioenfondsen in wezen in handen zijn van werkgevers en (ex-)werknemers en je dus zou kunnen denken: ‘overheid, waar bemoei je je mee?’, heeft de overheid De Nederlandsche Bank (DNB) opdracht gegeven toezicht te houden. Die hanteert normen voor de bepaling van die BMI.

    Dus de BMI (dekkingsgraad) van pensioenfondsen = werkelijk vermogen gedeeld door gewenst vermogen.

    Voorbeeld:

    Hoeveel geld heeft het fonds?

    Hoeveel zou het volgens de regels moeten hebben?

    Dekkingsgraad

    € 10.000

    € 10.000

    100%

    € 10.000

    € 11.000

    91%

    € 10.000

    € 9.000

    111%

    Let op: de dekkingsgraad kan dus wijzigen zonder dat er iets met het werkelijk vermogen gebeurt. Deze pensioenfonds-BMI is immers afhankelijk van wat ‘we’ voor de toekomst bedenken. De toekomst voorspellen kan écht helemaal niemand. Zeker niet als die toekomst zich uitstrekt over meer dan zestig jaar, zoals bij pensioenfondsen het geval is.

    Dus wat doen actuarissen (verzekeringswiskundigen) dan? Ze denken onder meer na over vragen als:  hoe lang gaan de gepensioneerden (gemiddeld) leven? Dat bepaalt hoe lang de fondsen gemiddeld uit zullen moeten gaan keren.

    Langer leven

    Tot begin deze eeuw keek men daarvoor alleen maar terug op bevolkingsgegevens: hoeveel burgers leefden er nog bij welke leeftijd. Dat is prima, zolang het altijd hetzelfde blijft. Maar men ontdekte een trend. We bleken (gemiddeld) langer te leven. Rond 2010 zijn de actuarissen overgestapt op een andere manier van berekenen en daardoor gingen ze aannemen dat pensioenfondsen (waarschijnlijk) langer moeten gaan uitkeren dan tot dan toe gedacht. Dat was schrikken: het kan een behoorlijk verschil maken. Onderstaand voorbeeld maakt dat duidelijk.

    Stel: u belooft iemand € 1.000 per jaar te geven. U weet echter niet hoe lang. Toch wilt daarvoor nu alvast geld opzij zetten. Als u denkt dat die periode tien jaar zal worden, dan legt u  (10 x €1.000=)  10.000 euro op de plank. Vervolgens bedenkt u dat het misschien wel eens twaalf jaar zou kunnen gaan duren. De verwachting is dan dus dat u (12 x € 1.000=) €12.000 aan reserve zou moeten hebben. 20 Procent meer dan de 10.000 euro die u opzij heeft gelegd. In uw hoofd heeft u een ‘tekort’. U zou dus 2.000 euro extra opzij kunnen gaan zetten.

    Voorlopig is er echter nog niets aan de hand. U kunt gewoon die 1.000 per jaar uitgeven. De toekomst zal uitwijzen of die 10.000 euro reserve voldoende was of niet. Mocht u inderdaad maar tien jaar 1.000 euro hoeven te geven, dan blijkt achteraf dat die  2.000 euro extra niet nodig bleek.

    Rendement

    De opmerkzame lezer zal zeggen: ‘ik heb helemaal geen 10.000 euro aan kapitaal nodig. Immers, het geld dat ik nog niet heb uitgekeerd kan ik beleggen, ik maak dus rendement. En dat verdiende geld kan ik weer gebruiken voor de uitkering’. (Omdat een pensioenfonds geen commerciële instelling is gaat alle winst naar de deelnemers.) Een waarheid als een koe. Maar: hoeveel rendement denk je dan in de toekomst te gaan maken?

    Probleempje: de ‘werkelijke rente’ van morgen, laat staan die van over vele tientallen jaren, is nu nog niet bekend

    In de eerste plaats vindt de overheid dat pensioenfondsen prudent moeten rekenen. Je niet rijk rekenen. Voorzichtig aan. Dus: ga uit van rendement dat je, eenvoudig gezegd, op een spaarrekening kunt maken: rente. Decennia lang gingen de pensioenfondsen uit van 4 procent. Zelfs toen (spaar-)banken nog 7 procent boden.

    Rond 2006 bedacht de overheid dat het beter was om van de ‘werkelijke rente’ uit te gaan. Probleempje: de ‘werkelijke rente’ van morgen, laat staan die van over vele tientallen jaren, is nu nog niet bekend. Dus werd een heel ingenieus systeem bedacht om die ‘rente’ vast te stellen, de zogeheten rekenrente.

    Vervolgens ging ‘de rente’ als gevolg van de crisis -– die in 2008 begon – fors naar beneden door de maatregelen van de Europese Centrale Bank, tot historisch ongekende laagte.

    Ook dat had forse invloed op de boekhoudkundige reserves van de pensioenfondsen. Even terug naar het voorbeeld:

    Als u iemand belooft om tien jaar €1.000 per jaar uit te keren en u denkt 4 procent rendement per jaar te kunnen maken dan moet u nu €8.110 op de bank zetten. Met het kapitaal plus de rente die u nog krijgt, heeft u dan voldoende geld voor de uitkeringen.  

    Wanneer u echter bedenkt dat u 2 procent gaat maken zou u nu € 8.982 in kas moeten hebben. Dat is dus zo’n 10 procent meer. Maar  als de ‘rekenrente’ 0 procent is, dan moet u nu  10.000 euro hebben. Dat is bijna een kwart meer dan bij 4 procent.

    Aannames en maatregelen

    Kortom: doordat we anders zijn gaan denken over levensverwachtingen én rendementsberekening bij pensioenfondsen leek het alsof het heel slecht ging met de fondsen en raakte menigeen in paniek. Regering en pensioenfondsen namen maatregelen:

    • Werkgevers en werknemers moesten meer premie gaan betalen
    • Voor nieuwe pensioenrechten (dus voor werknemers die nog niet met pensioen zijn) werd een latere pensioenleeftijd gesteld. Later gaan uitkeren betekent voor een pensioenfonds dat hij langer kan sparen, minder lang hoeft uit te gaan keren en dus minder reserve nodig heeft

    • De pensioenen werden niet of nauwelijks geïndexeerd.  Dat betekent dat ze niet werden aangepast aan de inflatie

    • En – ongekend in de geschiedenis van een van de beste pensioenstelsels ter wereld – er werd pensioen afgepakt van de gepensioneerden. Zij die in december van een jaar nog een bepaald bedrag kregen werden gekort en kregen in januari minder.

    Aandelen

    Al deze maatregelen beginnen nu hun vruchten af te werpen. Maar belangrijker nog: de pensioenfondsen beleggen hun geld helemaal niet alleen in rentedragende waarden, maar ook in zaken als vastgoed en aandelen. Dat betekent eenvoudig gezegd dat ze méér rendement maken, veel meer dan op die vermaledijde rente.

    Het ABP, het pensioenfonds voor de overheid en onderwijs, haalde in 2008 weliswaar nog een rendement van -20,2 procent. Maar in 2009 was dat weer plus 20,2 procent. En vanaf 2010 ziet het rendement er zo uit:

     

    2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
    13,5% 3,3% 13,7% 6,2% 14,5% 2,7% 9,5% 7,6%

    Bron: website ABP op 26 januari 2018

    Het op een na grootste pensioenfonds van ons land, Pensioenfonds Zorg en Welzijn , verloor in 2008 flink: -26,2%. En verder: 

    2009 2010 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017
    17,6% 12,6% 8,4% 13,4% 3,7% 15,5% -0,1% 12% nnb

    Bron: site van het Pfzw op 26 januari 2018

    De min-klap van 2008 is dus langzamerhand weer goed gemaakt. Bedenk daarbij wel het volgende: als je in een jaar 25 procent van je vermogen verliest, moet je daarna weer 33 procent rendement maken om op het oude niveau terug te komen. Onderstaand voorbeeld maakt dat helder:

    U heeft €10.000 belegd. U maakt min-25% rendement. Dus u bent €2.500 kwijt en houdt €7.500 over. Om die €2.500 weer terug te krijgen moet u op de € 7.500 een rendement maken van 33%.

    Het kan dus weer even duren voordat je op het oude niveau bent. Maar bij een voortdurend positief rendement gaat dat binnen een aantal jaren goed komen.

    Plagen

    Zo’n tien jaar geleden zijn er ‘drie plagen’ over de pensioenfondsen heen gedaald. De eerste was het vermogensverlies als gevolg van de crisis in 2008. Vervolgens is men anders gaan denken over de gemiddelde levensverwachting. En men is anders gaan denken over het te verwachten rendement.

    De genomen maatregelen hebben hun vruchten af geworpen, zo blijkt nu. De dekkingsgraden komen weer boven de 100 procent, soms ver daar boven. En we moeten niet gek opkijken als die alleen maar nog verder gaan stijgen, zeker bij ongewijzigd beleid.

    Ik begrijp daarom nog steeds niet waarom – op grond van deze ervaringen – een aantal mensen (helaas ook de regering) nog steeds in paniek lijkt en dit mooie pensioensysteem wil omgooien. Het is in ieder geval niet voor de gepensioneerde van nu. Die bijna 1400 miljard euro (zegge: een-duizend-vier-honderd-miljard euro) is ruim voldoende om gedurende langere tijd uitkeringen te doen aan de (aanstaande) gepensioneerden, waaronder ikzelf. Van het omvergooien van het stelsel zullen vooral de gepensioneerden van de toekomst de dupe zijn: de jongeren van nu.

    Over de auteur

    Rob Goedhart

    De jonge Goedhart (1956) ging na zijn VWO direct "de verzekeringen in" en werd actief voor verschillende assurantie...

    Lees meer

    Volg deze columnist

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren