Het grote falen van de Jeugdwet

    Sinds de Jeugdwet twee jaar geleden ingevoerd werd, vallen kinderen met een psychische aandoening onder de gemeenten. Dat blijkt in de praktijk een ramp, zeggen vakorganisaties, de Kinderombudsman, ouders van patiënten en zorgverleners. ‘Als we dit binnen een jaar of vier niet teruggedraaid hebben, is er van de jeugd-ggz straks vrijwel niets meer over.’ ‘Wen er maar aan,’ zegt een topambtenaar van VWS, want de wijzigingen terugdraaien zou een ‘illusie’ zijn.

    Noodklokken, kamervragen, brandbrieven en vurige pleidooien voor acute actie: de hele GGZ-branche schreeuwde de afgelopen maanden luidkeels moord en brand over de Jeugdwet, die bijna twee jaar geleden ingevoerd werd. De zorg voor kinderen met een psychische aandoening blijkt zwaar onder druk te staan.

    Sinds de gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor die zogenaamde jeugd-GGZ gaat er namelijk van alles mis. Er wordt te weinig zorg ingekocht waardoor er wachtlijsten ontstaan en budgetten soms al in september of oktober op zijn. Ook zijn de budgetten soms onrealistisch laag. Er wordt slordig met privacygevoelige informatie omgesprongen. Sommige gemeenten hebben te weinig expertise in huis, in lang niet alle gemeenten is duidelijk hoe ouders en kinderen hulp kunnen krijgen voor een psychisch probleem en de helse bureaucratie die het werken met verschillende gemeenten met zich meebrengt zorgt ervoor dat psychologen en psychiaters er op grote schaal de brui aan (moeten) geven.

    Dit alles signaleerden brancheorganisaties de Nederlandse vereniging voor Psychiatrie (NVP) en de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen & Psychotherapeuten (LVVP), verschillende verenigingen voor ouders met kinderen die een psychisch- of ontwikkelingsprobleem hebben, hoogleraren en de Kinderombudsman. Allemaal trokken ze dit najaar aan de bel.

    Kinderen met ADHD waren weer gewoon druk en moesten misschien beter opgevoed worden of meer gaan voetballen

    De gevolgen zijn namelijk groot. Meer dan de helft van de ouders en kinderen zegt veel tot zeer veel moeite te hebben moeten doen om hulp te krijgen onder het nieuwe systeem. Psychische problemen worden onderschat door hulpverleners met te weinig kennis. Kinderen krijgen te lang, te kort of te lichte hulp waardoor het aantal crisisopnamen stijgt omdat de problemen uit de hand lopen. Een klassenstelsel ligt op de loer, omdat veel psychologen alleen nog particulier kinderen helpen omdat ze geen vergoeding krijgen van de gemeente of geen tijd hebben voor de onevenredig grote administratieve belasting. Tot slot dreigt er veel expertise te verdwijnen omdat zelfstandige psychologen en psychiaters ophouden kinderen onder de 18 te behandelen. 

    Follow the Money sprak met psychiaters Menno Oosterhoff en Michiel Bosman en met directeur Dick Nieuwpoort van de Landelijke Vereniging voor Vrijgevestigde Psychologen LVVP over de problemen in de jeugdhulp. Ze uiten allemaal grote ‘De Jeugd-GGZ dreigt een oligopolie te worden.’  ‘We gooien 25 jaar aan ontwikkelingen en wetenschappelijke inzichten weg.’

    Demedicaliseren

    Waar het allemaal om gaat, is de geneeskundige GGZ-zorg die aan kinderen onder de 18 wordt geleverd. In totaal betreft het jaarlijks ruim 200.000 minderjarige patiënten. Het kan gaan om kinderen met anorexia of een autistische stoornis, maar ook om kinderen die in een psychose belanden, ADHD hebben of een depressie. Voorheen zat die zorg gewoon in het basispakket — net als de GGZ voor volwassenen nog steeds, en in principe alle andere medische zorg. Maar met de invoering van de Jeugdwet, twee jaar geleden, is de verantwoordelijkheid om de zorg voor deze kinderen te organiseren naar de gemeenten verschoven.

    ‘Demedicaliseren’ was daarbij het motto. Kinderen met ADHD waren weer gewoon druk en moesten misschien beter opgevoed worden of meer gaan voetballen. Het wijzigen van het beleid was gericht op het voorkomen van ‘overbehandeling’. Door de psychische zorg voor kinderen bij de gemeenten onder te brengen, werd die verplaatst van het medische naar het sociale domein. Zo is het dus nu de gemeente die bepaalt welke zorg er voor deze kinderen beschikbaar is en hoe het budget besteed wordt.


    Menno Oosterhoff

    "Je stuurt ouders van een kind met een lichamelijke afwijking toch ook niet naar een opvoedcursus?"

    Daar werd vanuit de psychiatrie en de psychologie meteen fel tegen geprotesteerd. ‘Dat mensen ergens geen verstand van hebben vind ik niet zo erg. Maar het is kwalijk dat ze, niet gehinderd door enige kennis van zaken, toch van alles roepen.’ Menno Oosterhoff is psychiater, columnist voor Medisch Contact en leider van een polikliniek voor dwangspectrumstoornissen. Hij verzette zich sinds 2013 samen met collega's tegen de Jeugdwet. ‘Wat ik het meest schokkend vond was het totale onbenul van wat het betekent om een kind te hebben met een psychische aandoening. Ga naar een opvoedcursus? Je kunt het niet maken om de ouders van een kind met een autismespectrumstoornis daarmee af te schepen. Je stuurt ouders van een kind met een lichamelijke afwijking toch ook niet naar een opvoedcursus?’

    ‘Door onwetendheid ontstaat het beeld dat bepaalde zorg niet nodig is. Onder beleidsmakers en consultants wordt vaak gezegd dat de psychiater te veel bezocht wordt.' zegt psychiater Michiel Bosman. Hij runt Dokter Bosman, een GGZ kliniek met meerdere vestigingen in het land die bij elkaar elk jaar 4000 kinderen behandelen. Ook Bosman is het niet eens met de opvatting dat er teveel behandeld werd. ' Op zich is het helemaal niet erg dat men kritisch is, maar er is geen bewijs voor de stelling dat er teveel zorg wordt geleverd. Nederland wijkt bijvoorbeeld helemaal niet af in vergelijking met omringende landen. Wij zorgverleners werken evidence based; we stellen een hypothese en die wordt onderzocht.’

    ‘Door onwetendheid ontstaat het beeld dat bepaalde zorg niet nodig is’

    De taal die gebruikt werd om de beleidswijziging de Kamer door te krijgen, was gericht op het vooroordeel dat kinderen met een psychisch probleem vooral niet teveel behandeld moesten worden. Daarmee werd de indruk gewekt dat er sprake was van overbehandeling — een handige opvatting in het kader van de bezuiniging. De 820 miljoen euro die de jeugd-GGZ in 2014 volgens het CBS kostte, werd met allerlei andere jeugdzorgvoorzieningen op een hoop gegooid en het totale budget van ruim 3 miljard euro werd met 15 procent beknot.

    Oosterhoff was een van de initiatiefnemers van een petitie tegen de Jeugdwet. Die werd door ruim 96.000 mensen ondersteund, waaronder zo'n duizend hoogleraren. De Koninklijke Nederlandse Akademie der Wetenschappen KNAW schreef daarbij nog ongevraagd een adviesbrief aan de politiek, waarin de overheveling van GGZ voor kinderen naar gemeenten sterk afgeraden werd. 'Zelfs daar werd niet naar geluisterd,' zucht Oosterhoff.

    Terug naar het Riagg

    Sinds de wet twee jaar geleden een feit werd, blijken de sombere verwachtingen die wetenschappers, zorgverleners, ouders en patiënten van de Jeugdwet hadden, grotendeels te zijn bewaarheid. Michiel Bosman ziet met lede ogen toe hoe de jeugd-GGZ in korte tijd is veranderd. ‘Wat ik veel tegenkom bij op zich goed bedoelende ambtenaren en wethouders, is onwetendheid en onkunde. Na de transitie van de jeugdzorg zijn we met z’n allen in een grote bak gegooid. Ik lever geen jeugdzorg maar medisch specialistische zorg. Veel wethouders snappen dat onderscheid niet en hebben geen idee wat geestelijke gezondheidszorg inhoudt. Zij denken dat kinderen even goed geholpen kunnen worden door een wijkteam.’

    Maar, waarschuwt Bosman, de wijkteams die gemeenten inhuren, leveren niet dezelfde expertise als psychologen en psychiaters die specialistische GGZ bieden.‘Ik heb geen idee wat die wijkteams precies voor zorg leveren. Het zijn geen echte zorginstellingen, en daarom hoeven zij niet over de kwaliteitscertificaten te beschikken die wij wel hebben. Ouders weten daarom ook niet welk product zij precies krijgen als zij hun kind toevertrouwen aan een wijkteam. Er werken meestal HBO-geschoolde mensen binnen de wijkteams, dus die kunnen niet de medisch specialistische zorg leveren die wij bieden. Het is een beetje terug naar het oude Riagg.’

    ‘Bureaucrazy’

    ‘We gaan weer 25 jaar terug in de tijd,’ zegt ook Dick Nieuwpoort, directeur van de Landelijke Vereniging van Vrijgevestigde Psychologen & Psychotherapeuten LVVP. Hij bedoelt daarmee dat we in de praktijk weer teruggaan naar de tijd waarin psychische problemen vrijwel alleen binnen grote, logge instellingen worden aangepakt. Vooral omdat kleinere bedrijven, praktijken en zelfstandige psychologen ermee stoppen.

    Het grootste probleem is wat Menno Oosterhoff in een column omschreef als de fictieve dwangstoornis bureaucrazy:  de enorme bureaucratie waar de jeugd-GGZ onder zucht, te beginnen bij de administratieve belasting die het werken met 390 verschillende gemeenten met zich meebrengt. Voor psychologen en psychiaters die zelfstandig werken of een kleine praktijk runnen, is het niet te doen om te werken met alle verschillende declaratiesystemen, codes en regels die de gemeenten hanteren.

    ‘Veel wethouders hebben geen idee wat geestelijke gezondheidszorg inhoudt’

    ‘Er zijn echt veel psychologen die aangeven te stoppen met het leveren van GGZ aan kinderen. In Amsterdam bijvoorbeeld geeft eenderde van de psychologen aan ernstig te twijfelen of ze er volgend jaar mee doorgaan,’ zegt Dick Nieuwpoort. ‘Dat vinden wij een heel zorgelijke ontwikkeling.’ Nieuwpoort schreef namens de LVVP onlangs een brandbrief over de situatie, waarin vijf problemen worden benoemd. Bij de administratieve lastendruk hoort ook dat de inkoopprocedures enorm complex zijn en er ieder jaar voor iedere patiënt weer herindicaties nodig zijn. Naast het overkoepelende probleem van grote bureaucratie, speelt ook het aanbestedingsbeleid van gemeenten een grote rol: in een aantal gemeenten zijn vrijgevestigde professionals bijvoorbeeld bij voorbaat al uitgesloten van een contract. En dan is er nog het geldprobleem: er zijn veel gemeenten die dusdanig lage bedragen hanteren voor psychische hulp, dat het niet reëel is om er een behandeling van te betalen. Naast al die praktische zaken, loopt de organisatie van Nieuwpoort tegen de houding van beleidsmakers aan. ‘Het lijkt soms wel of de ideologie boven de praktijk gaat. Het idee van 'één gezin, één plan, bijvoorbeeld, is prima bedacht, maar het werkt niet altijd. Tot slot is daar bij de landelijke beleidsmakers nog het grenzeloze marktdenken: dat alles op te lossen is door er maar meer marktwerking op los te laten. Daar worden we wel eens wanhopig van.’


    Michiel Bosman

    "Het is soms moeilijk zaken doen met gemeenten. Meestal komen we pas aan tafel als het escaleert"

    Maar niet alleen zelfstandige behandelaren hebben er last van. Ook kliniekketen Dokter Bosman herkent de problemen: ‘Momenteel rijd ik in mijn auto het hele land door om gesprekken te voeren met gemeenten. We betalen veel geld aan advocaatkosten en er zijn tien mensen fulltime bezig om gedeclareerde zorg vergoed te krijgen,’ zegt Michiel Bosman. ‘Het is soms moeilijk zaken doen met gemeenten. Meestal komen we pas aan tafel als het escaleert. Op het moment dat er iets in de media verschijnt of de advocaat een brief stuurt, komt het contact met de wethouder op gang. Om mij heen zie ik steeds meer collega’s die er de brui aan geven en ervoor kiezen om geen contract te tekenen met de gemeente. Zo houd je dus maar een paar aanbieders over, wat leidt tot een enorme zorgverschraling. De jeugd-GGZ dreigt een oligopolie te worden waarbij een paar grote aanbieders de markt beheersen.’

    Tot slot is er een groot probleem met privacygevoelige informatie. Het is zelden duidelijk wie daar allemaal over kunnen beschikken binnen het nieuwe systeem. Dat wekt wantrouwen op bij cliënten. Oosterhoff: ‘Er werd altijd gezegd dat de gemeente niet op de stoel van de behandelaar mag gaan zitten, maar het gebeurt in de praktijk wel.’

    ‘De jeugd-GGZ dreigt een oligopolie te worden waarbij een paar grote aanbieders de markt beheersen’

    Onnodige escalatie

    Het blijft allemaal niet zonder gevolgen, het falen van de Jeugdet. Kinderombudsvrouw Margerite Kalverboer publiceerde in november een rapport over de toestand van de jeugdhulp dat uitgebreid ingaat op de problemen die nu spelen in de jeugdzorg. Dat rapport bevestigt het sombere plaatje dat Oosterhoff en Bosman en Nieuwpoort in de praktijk signaleren ruimschoots. Kalverboer opent haar voorwoord dan ook met een praktijkcasus: het meisje Romy, dat door het lint ging terwijl ze zat te wachten op psychische hulp, een leeftijdgenootje te lijf ging en verwondde. 'Toen Romy's ouders begin dit jaar op zoek gingen naar hulp voor hun dochter, kwamen ze in contact met het wijkteam in hun gemeente,' schrijft Kalverboer in haar rapport. Hoewel de moeder van het meisje erop wees dat de problemen van haar dochter voortkwamen uit psychische problemen en een laag zelfbeeld, werd Romy niet naar een psycholoog gestuurd. ‘De casemanager bood de ouders opvoedondersteuning om het gedrag van Romy te helpen verbeteren. Ook werd gekeken in het netwerk van het gezin naar een time-out logeerplek voor in het weekend.’ Een opvoedcursus voor Romy's moeder dus, maar geen hulp voor Romy. 

    Toen de moeder bleef aandringen op psychische hulp, ging het wijkteam in overleg. Maar het was te laat; de stoppen sloegen door bij het meisje en ze werd in een gesloten inrichting geplaatst. ‘Volgens de moeder van Romy had die escalatie en daarmee de crisisplaatsing voorkomen kunnen worden als de gemeente eerder zwaardere hulp had ingezet. Moeder vermoedt dat financiële overwegingen bij dat besluit van het wijkteam een rol hebben gespeeld en dat het wijkteam de hulp te lang in eigen hand heeft willen houden.’ De casus illustreert daarmee precies wat er in de kern mis lijkt te gaan: kinderen met een psychische aandoening vallen buiten de boot omdat de wijkteams van de gemeente niet op GGZ zijn ingesteld. Bovendien willen gemeenten de hand zoveel mogelijk op de knip houden, waardoor er te lang te lichte hulp wordt geleverd of zelfs helemaal geen hulp.

    "Volgens de moeder van Romy had de crisisplaatsing voorkomen kunnen worden als de gemeente eerder zwaardere hulp had ingezet"

    Dat het beleid tekortschiet, blijkt uit de rest van het rapport, waarin tal van knelpunten in detail worden besproken. Net als vorig jaar, laten gemeenten zich eerder leiden door hun financiële belang dan door het belang van de hulpbehoevende kinderen. Uit een grootschalige enquete van de Kinderombudsman blijkt dat 55 procent van de ouders en kinderen veel tot zeer veel moeite hebben moeten doen om uiteindelijk hulp te krijgen. Omdat de enquete werd uitgezet onder mensen die uiteindelijk hulp kregen, is niet bekend hoeveel mensen helemaal buiten de boot zijn gevallen. Wat de Kinderombudsman wel opmerkt, is dat de problemen sinds ‘overgangsjaar’ 2015 niet zijn afgenomen. Dat duidt erop dat het eerder om een systematisch probleem gaat dan om 'kinderziekten' van de stelselwijziging. 

    Instellingen zeggen tot slot onder de huidige Jeugdwet veel vaker in te moeten grijpen als de boel al flink uit de hand is gelopen. De gesloten jeugdzorg meldt bij de Kinderombudsman een scherpe toename van het aantal van dit soort crisisplaatsingen. Zo staat in het rapport:

    Acht van de dertien instellingen schat de verhouding op 70/30 procent waar die voorheen 50/50 procent was. Een instelling schat de verhouding zelfs op 85/15 procent. Dit betekent dat er steeds meer jongeren niet bereikt worden of niet geholpen worden met het reguliere hulpaanbod. Er komt pas hulp op gang als de problemen zijn geëscaleerd, en dat betekent voor jongeren behalve een accuut veiligheidsprobleem ook een onnodige beschadiging en een langer (en duurder) hulpverleningstraject dan wanneer er op tijd was opgeschaald.

    ‘Het is nu eenmaal zo’

    Dat er iets moet gebeuren lijkt wel duidelijk. Dick Nieuwpoort van de LVVP werd na de brandbrief van zijn vereniging door ambtenaren van het ministerie van VWS uitgenodigd om de problemen te bespreken. ‘Ik moet wel zeggen dat ze op het ministerie het probleem echt serieus lijken te nemen. We zijn ook uitgedaagd om mee te denken over oplossingen,’ zegt Nieuwpoort. Maar dan gaat het over de evaluatie van de wet, die pas op z’n vroegst volgend jaar plaatsvindt. Ondertussen ondervindt de jeugd-GGZ schade van psychologen die ermee stoppen en van oplopende wachtlijsten. Nieuwpoort: ‘Tja, cru gezegd, dat los je met een paar masterclasses niet op. Of met de ene noodmaatregel na de andere. Er zit fundamenteel iets niet goed, dat moet je aanpakken. Eigenlijk had de jeugd GGZ nooit, maar dan ook nooit, onder de gemeenten geplaatst mogen worden. Dat is dan ook meteen de oplossingsrichting die wij maar even meegeven.’

    ‘Eigenlijk had de jeugd GGZ nooit, maar dan ook nooit, onder de gemeenten geplaatst mogen worden’

    De Transitieautoriteit Jeugd moet onder leiding van Marjanne Sint, oud-ceo van zorginstelling Isala, zorgen dat de problemen met de transitie opgelost worden. Ook Michiel Bosman is gevraagd om daar advies over te geven: ‘Ik ben door de Transitieautoriteit Jeugd uitgenodigd om de problemen te bespreken, samen met wethouders en ambtenaren. Marjanne Sint is dagvoorzitter en er is een consultant van BMC aanwezig als expert. Dat geheel vindt plaats tijdens een lunch in het chique restaurant Karel de Vijfde te Utrecht. Het wordt vast een prima lunch, maar het voelt ongemakkelijk om daar op kosten van de Transitieautoriteit te gaan zitten. Voor die kosten hadden we weer een paar kinderen kunnen helpen.’

    Of de jeugd-GGZ weer onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten weggehaald wordt, is nog zeer de vraag.  Topambtenaar Erik Gerritsen van VWS sprak onlangs op een bijeenkomst van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie (NVP) over de overheveling. Vóór 2015 was Gerritsen al een fel voorstander van de wetswijziging, in zijn functie als voorzitter van de Jeugdbescherming in Amsterdam. Per 1 juni 2015 werd hij benoemd tot secretaris-generaal bij VWS. ‘Nu is zijn boodschap: “het is nu eenmaal zo, je moet er maar het beste van maken”,‘ zegt Oosterhoff. Hij schreef daar onlangs over in Medisch Contact nadat Gerritsen op een bijeenkomst van de NVP had verkondigd dat psychiaters zich ‘geen illusie’ moesten maken: de overheveling naar de gemeente zou echt niet meer worden teruggedraaid en men moest maar positief blijven.

    Follow the Money vroeg bij het ministerie van VWS of dit klopt. Is het echt uitgesloten dat de Jeugdwet teruggedraaid wordt? En is het aan een ambtenaar om te bepalen hoe het verder gaat met de jeugd-GGZ, nog voordat de politiek de Jeugdwet heeft geëvalueerd? We kregen bij wijze van antwoord een heel epistel van het ministerie toegestuurd met de redenen voor de Jeugdwet (zie kader). ‘VWS staat wel degelijk open voor kritiek, ’ laat de woordvoerder weten, ‘en ook Secretaris-Generaal Erik Gerritsen staat open voor kritiek. Op dit moment is het echter zeer voorbarig om te discussiëren over het al dan niet weer terugdraaien van een deel van de decentralisatie.’ Het parlement beslist over de Jeugdwet, beaamt de voorlichter, maar de inzet van het ministerie is er nadrukkelijk op gericht om problemen binnen de bestaande kaders op te lossen, niet om het stelsel in twijfel te trekken. ‘Weer een stelseldiscussie is op dit moment dan ook niet aan de orde.’

    Reactie ministerie van VWS op vragen van Follow the Money

    Van oud naar nieuw stelsel: niet voor niets

    De decentralisatie van de jeugd-GGZ kent een lange voorgeschiedenis. Al bij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg (2009) werd geconstateerd dat eenduidige vraagsturing en financiering en integrale inzet van jeugdhulpverlening (inclusief de jeugd-ggz) onvoldoende tot stand kwam. Een parlementaire werkgroep (2010) concludeerde vervolgens: Er moet één financieringsstroom komen voor het huidige preventieve beleid, de huidige vrijwillige provinciale jeugdzorg, de jeugd LVG en jeugd GGZ. De komende jaren moeten worden benut om de gescheiden geldstromen te bundelen. De werkgroep realiseert zich dat het bijeenbrengen van de financieringsstromen voor de verschillende sectoren geen sinecure zal zijn, maar acht dit desalniettemin van groot belang.

    In lijn met die bevindingen is met de Jeugdwet alle zorg voor de jeugd, ook de jeugd-GGZ, naar de gemeenten gedecentraliseerd. De stelselwijziging is geen doel op zich is, maar een middel om de vernieuwing in de jeugdzorg te realiseren. Er moet onder andere betere samenwerking rond gezinnen tot stand komen en daarom is ontschotting van budgetten zo van belang. Juist omdat het intersectorale aanbod niet van de grond kwam, waaronder de integratie van jeugd- en opvoedhulp en de jeugd-GGZ, kregen kinderen te vaak niet de hulp of zorg die ze nodig hadden.

    Nieuwe wet: begin van verandering

    Met het wettelijk regelen van het nieuwe jeugdstelsel, waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn geworden voor alle zorg voor jeugd, zijn niet ineens alle problemen opgelost. Het kost tijd en veel inzet om de jeugdzorg zodanig te vernieuwen dat de jeugdhulp integraal gaat werken, waarbij goed wordt gekeken naar welke jeugdhulp nodig is en waarbij vervolgens de verschillende professionals hun inzet goed op elkaar afstemmen. We zijn nu net twee jaar onderweg met het nieuwe stelsel; dat is voor een dergelijke verandering echt een korte periode en dus zijn de problemen die onder het oude jeugdstelsel zich voordeden nog niet allemaal uit de wereld en is ook de inhoudelijke vernieuwing nog niet klaar. Maar dankzij de nieuwe Jeugdwet hebben gemeenten nu wel de mogelijkheden om die vernieuwing tot stand te brengen.

    Dat betekent niet dat we nu klaar zijn. Op veel plekken slagen gemeenten erin de doelstellingen van de Jeugdwet te bereiken, maar op sommige plekken is ook zeker nog verbetering nodig. Hier wordt met alle betrokken partijen hard aan gewerkt en daar steekt ook VWS de energie in. Zoals in de voortgangsbrief over het nieuwe jeugdstelsel (4 november 2016) is aangegeven wordt bijvoorbeeld uitdrukkelijk gewerkt aan het verbeteren van de aansluiting van de jeugd-ggz met het volwassen domein. Ook wordt intensief gewerkt aan het verminderen van de administratieve lasten, bijvoorbeeld door het gebruik te bevorderen van drie ontwikkelde standaarden voor contractering door gemeenten.

    Kritiek?

    VWS staat wel degelijk open voor kritiek en ook Secretaris-Generaal Erik Gerritsen staat open voor kritiek. Op dit moment is het echter zeer voorbarig om te discussiëren over het al dan niet weer terugdraaien van een deel van de decentralisatie. De inzet van VWS is erop gericht om het nieuwe jeugdstelsel zo goed mogelijk te laten werken, zodat jeugdigen en ouders overal tijdig de passende hulp krijgen. Samen met onder meer de ggz-sector problemen bespreken en aanpakken, hoort daar zeker bij. Maar een fundamentele discussie over het terugdraaien van een deel van de decentralisatie niet. Het is goed om daar duidelijk over te zijn.

    Het parlement beslist

    De Jeugdwet is met een hele brede Kamermeerderheid aangenomen (SGP, GroenLinks, ChristenUnie, D66, CDA, PvdA en VVD). In 2017 vindt een tussentijdse evaluatie van de Jeugdwet plaats, waarbij ook aandacht is voor de jeugd-GGZ. De uitkomsten van die tussen-evaluatie zullen door het kabinet en door de Tweede Kamer serieus gewogen worden. Weer een stelseldiscussie is op dit moment dan ook niet aan de orde. VWS heeft de taak om vanuit de stelselverantwoordelijkheid  zich in te zetten voor een optimale uitvoering van de huidige Jeugdwet. VWS zet zich vanuit die verantwoordelijkheid in om samen met aanbieders, brancheorganisaties en gemeenten de zorg voor jeugdigen en gezinnen zo goed mogelijk te laten werken en eventuele knelpunten gezamenlijk op te lossen." 

    Lees verder Inklappen

    Ook bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) kloppen we aan om te horen hoe zij de kritiek op de rol van gemeenten weegt. Zo is FTM benieuwd of de beschikbare budgetten toereikend zijn. Woordvoerster Annelou van Egmond kan nog geen definitief antwoord geven: ‘Ons beeld is dat er op jeugdzorg weinig gemeenten zijn die geld overhouden. Ongeveer de helft van de gemeenten heeft een tekort, en zal dat waarschijnlijk dekken met overschotten op de Wmo. Pas als 2016 is afgesloten, is dat beeld definitief te maken.’

    De kritiek dat gemeenten invloed uitoefenen op de zorgkeuze van ouders en kinderen herkent Van Egmond niet. ‘De gemeente schrijft niet voor naar welke instelling een kind moet gaan, maar gaat wel contracten aan met specifieke aanbieders, om kwaliteit en beschikbaarheid binnen de eigen gemeente te kunnen garanderen. Om te kunnen garanderen dat jongeren de hulp ontvangen die ze nodig hebben, maken gemeenten met instellingen afspraken over het type zorg, aantallen, tarieven en kwaliteit van de hulpverlening. Dit wordt vastgelegd in een contract en soms ook in een budgetplafond. Om voor vergoeding van zorg in aanmerking te komen, is het daarom van belang dat huisartsen hun patiënten doorverwijzen naar een instelling die afspraken heeft gemaakt met de gemeente. De gemeente informeert de huisarts over welke instellingen dit zijn.’ Dat betekent in de praktijk dat een kind alleen zorg kan ontvangen van een partij die door de gemeente gecontracteerd is. Anders draaien ouders voor de kosten op. Bovendien bepaalt de inhoud van het contract of de gecontracteerde partijen voldoende financiële middelen toebedeeld krijgen om aan alle zorgvragen te beantwoorden.

    In ieder geval zijn vrijwel alle betrokkenen binnen de jeugdpsychiatrie en -psychologie het hartgrondig oneens met Gerritsen: het merendeel geeft publiekelijk aan het liefst te zien dat de jeugd-GGZ weer ondergebracht wordt bij de Zorgverzekeringswet, zoals het ook is geregeld met GGZ voor volwassenen. Oosterhoff: ‘Ik vind echt dat we 25 jaar ontwikkeling aan het weggooien zijn. Ik vind dat de jeugd ggz in hard tempo te gronde gaat. En als we dit over vier tot zes jaar niet teruggedraaid hebben, is er vrijwel geen jeugd-GGZ meer over.’ Bosman: ‘Ik had nooit gedacht dat ik dit zou zeggen maar soms denk ik met weemoed terug aan de tijd dat zorgverzekeraars het nog regelden.’

    Als we dit over vier tot zes jaar niet teruggedraaid hebben, is er vrijwel geen jeugd-GGZ meer over’

    Maar hoe het ook afloopt met de jeugd-GGZ, de acute problemen worden niet met een evaluatie opgelost. Bosman: ‘Het is nu half december en de meeste gemeente hebben hun budget voor volgend jaar nog niet bekend gemaakt. Daarom verkeren wij in grote onzekerheid of we de zorg voor al onze patiëntjes wel vergoed krijgen en of het überhaupt mogelijk is nieuwe klantjes aan te nemen. Ook voor ons personeel is het een vreselijke toestand. Die willen weten waar ze aan toe zijn: wordt hun contract verlengd, kunnen ze op de huidige locatie blijven werken?’

    Woordvoerster Van Egmond relativeert de onduidelijkheid over budgetten: ‘Gemeenten weten voor 2017 precies wat ze van het rijk aan budget krijgen en gemeenten hebben contracten gesloten voor 2017. Het kan zo zijn dat niet iedere aanbieder van te voren weet wat zijn budget voor 2017 wordt, maar dat komt omdat je niet precies weet hoeveel kinderen bij je aankloppen komend jaar. Dat was in oude stelsel overigens ook zo.’ Desondanks blijft het voor zorgverleners een onmogelijk taak om de bedrijfsvoering voor volgend jaar op orde te brengen als geen zekerheid bestaat over de vergoedingen voor jeugd-GGZ. Dat resulteert niet alleen in onduidelijkheid voor toekomstige patiëntjes, maar ook voor degenen die dit boekjaar al in behandeling zijn gegaan. Duizenden gezinnen in Nederland gaan zo een lastige periode tegemoet, met een kind dat psychische hulp nodig heeft, maar het niet of pas te laat krijgt.

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid