Amsterdam, 16 augustus 1971. Als reactie op het besluit van president Nixon voorlopig geen goud meer voor de dollar te verstrekken hebben de internationale fondsen in het niet-officiele voor beursverkeer van maandagochtend al direct een scherpe daling te zien gegeven. Op de foto: Een beeld van de noteringen aan de Amsterdamse beurs.
© ANP / Cor Mulder / CC BY NC-ND 4.0

Van wie is ons geld?

Waarom is de creatie van geld in handen van – particuliere – banken? En moet dat altijd gepaard gaan met schuld? Ofwel: kunnen we ons monetaire systeem op een eerlijkere manier organiseren? Lees meer

Het zijn vragen waar menig econoom zijn tanden op stuk gebeten heeft. Toneelgroep De Verleiders zette een brede discussie in gang door op te roepen tot een burgerinitiatief. Met 120.000 handtekeningen moest de politiek wel reageren en nadenken over de aard en wezen van ons geld en de manier waarop het wordt gecreëerd. Dat leidde tot een opdracht voor Wetenschappelijk Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) om onderzoek naar geldschepping te doen.

Op Follow The Money begon in 2015 het debat toen voormalig bankenlobbyist en auteur Robin Fransman reageerde met een open brief aan het toneelgezelschap, die werd beantwoord door Martijn Jeroen van der Linden, bestuurder van de Stichting Ons Geld. Daarnaast gaven tientallen lezers in het discussieforum hun visie op wat misschien wel dé vraag van het moment is: van wie is ons geld eigenlijk?

69 Artikelen

Het probleem met ons monetaire beleid in tien grafieken

Deze week is het 46 jaar geleden dat er een keerpunt in de financiële wereldgeschiedenis plaatsvond: op 15 augustus 1971 koppelde President Nixon de dollar los van het goud. En een hoop problemen in onze hedendaagse economie kunnen worden herleid naar dit moment.

Bretton Woods, juli 1944. Terwijl de Tweede Wereldoorlog nog in volle gang is, zijn de geallieerden al begonnen met bedenken hoe de wereld er ná de oorlog uit moet gaan zien. Daarom komen er deze zomer vertegenwoordigers van 44 landen samen in het Mount Washington-hotel. Daar, ver weg van al het wapengekletter, praten de vertegenwoordigers over het internationale geldstelsel dat na de oorlog gestalte moet krijgen.

Één ding is duidelijk: een terugkeer naar de in de jaren dertig afgeschafte goudstandaard zit er niet in. Als het al niet onmogelijk was, dan is het toch in ieder geval onwenselijk. Aan de andere kant is men het er echter ook over eens dat een stelsel helemaal zonder regels of anker ook geen goede oplossing zou zijn.

Wat uiteindelijk uit de onderhandelingen kwam, is de geschiedenisboeken ingegaan als het ‘stelsel van Bretton Woods’. Daarin werd de Amerikaanse dollar gekoppeld aan het goud; de munten van andere landen werden op hun beurt vastgeklonken aan de dollar, met een mogelijkheid die spilkoers te veranderen. De inwisselbaarheid van dollars voor goud bleef overeind, zij het alleen voor overheden.

In augustus 1971 meerde er een Frans oorlogsschip aan in de haven van New York

Als anker garandeerden de VS dat wanneer een andere regering verzocht om dollars in te wisselen voor goud, dit verzoek altijd gehonoreerd zou worden. Om alles in goede banen te leiden werden een aantal instellingen opgericht, zoals het Internationaal Monetair Fonds en de Wereldbank. 

Verantwoordelijk gedrag

Voor een goede werking van dat stelsel was het essentiëel dat het ankerland, de VS, zich verantwoordelijk zou gedragen. Washington had namelijk de verplichting iedere aangeboden dollar om te wisselen in goud tegen de genoemde vaste prijs. Als Washington meer dollars in omloop zou brengen en de goudvoorraden niet evenredig toenamen, dan zou het land dat per definitie niet kunnen doen.

Een tijdlang ging dit goed: Washington gedroeg zich, en het Bretton Woods-stelsel werkte. Maar vanaf medio jaren zestig begonnen veel landen, vooral Frankrijk, zich zorgen te maken. Door onder meer de hoge kosten van de Vietnam-oorlog drukten de Amerikanen veel te veel nieuwe dollars bij (zie grafiek 1). Frankrijk en andere landen gingen daarom steeds vaker hun dollars inwisselen tegen goud. In augustus 1971 meerde er zelfs een Frans oorlogsschip aan in de haven van New York; de kapitein had de opdracht al het Franse goud terug te brengen naar Parijs.

Een hoop andere landen volgden het Franse voorbeeld en haalden hun goud weg uit de Amerikaanse kluizen. Die raakten daardoor in rap tempo leeg. Hierover vertelde de legendarische Fed-voorzitter Paul Volcker, in die tijd werkzaam op het Amerikaanse ministerie van Financiën, mij eens: ‘Hadden we niets gedaan, dan zouden we al snel door onze goudvoorraden heen zijn geraakt.’

Executive order 11615

Er moest dus íéts gebeuren. Daarom adviseerde Volcker de toenmalige President Richard Nixon om de nucleaire optie te gebruiken: de koppeling tussen de dollar en het goud (wederom) loslaten.

En zo geschiedde. Op zondag 15 augustus 1971 vaardigde President Nixon zijn Executive Order 11615 uit. In zijn toespraak aan de natie zei Nixon dat de inwisselbaarheid van dollars voor goud ‘tijdelijk’ werd opgeschort. Zoals zo vaak werd een tijdelijke overheidsmaatregel echter een permanente: de koppeling tussen de dollar en goud zou nooit meer hersteld worden. Van enig tijdig informeren van bondgenoten — laat staan overleg — was geen sprake.

Het besluit van Nixon was het einde van een monetair tijdperk en het begin van het zogeheten fiat geldstelsel: hiering is de waarde van het geld gekoppeld aan het vertrouwen dat de centrale banken niet te veel bankbiljetten zullen drukken (en daarmee de waarde van alle bankbiljetten verlagen).

De centrale banken hebben dat vertrouwen niet waargemaakt: de ontkoppeling tussen de dollar en het goud is het startschot geweest van een heus gelddrukfestijn — en de gevolgen zijn niet uitgebleven. In de grafiek hieronder ziet u naast het aantal dollars in omloop ook de koopkrachtontwikkeling van één dollar in loop der tijd:

Was die koopkracht in 1950 nog hetzelfde als dertig jaar daarvoor, vanaf de jaren zestig is deze gestaag gaan dalen. De daling is vanaf begin jaren zeventig echter in een stroomversnelling terecht gekomen.

Een andere manier om de daling van de koopkracht weer te geven, is door de Amerikaanse inflatieontwikkeling te aanschouwen. 

Het is ironisch dat President Nixon in zijn toespraak op die 15 augustus 1971 richting de gewone Amerikaan het volgende zei over de gevolgen van de loskoppeling van de dollar: ‘Als je bij de overweldigende meerderheid van de Amerikanen hoort die hun geld uitgeven in de VS, dan zal je dollar morgen evenveel waard zijn als vandaag.’ Met andere woorden: de inflatie zal de koopkracht van je geld niet opeten. Het is, zullen we maar zeggen, iets anders gelopen: 

Bron: Oregon State University

Dat de overheden nu over een onbeperkte voorraad geld konden beschikken, betekende ook dat het niet meer nodig was de begrotingen door de jaren heen in evenwicht te houden. De geldpersen stonden immers altijd klaar om meer geld bij te drukken. Hierdoor konden politici vrijuit op de pof gaan leven:

Tot begin jaren zeventig waren begrotingsoverschotten — of op zijn minst een begrotingsevenwicht — de regel; tekorten waren een uitzondering. Maar sinds begin jaren zeventig van de vorige eeuw is rood staan echter de regel. Met alle gevolgen voor de Amerikaanse staatsschuld, zoals te zien in de vijfde grafiek:

Amerikaanse staatsschuld als percentage van het bbp

Bron: Congressional Budget Office

Het was overigens niet alleen de Amerikaanse overheid die op de pof ging leven. Ook het bedrijfsleven en, belangrijker, huishoudens deden hetzelfde, zoals te zien in grafiek nummer zes:

Dit is overigens niet alleen een Amerikaans fenomeen. In grafiek nummer zeven is bijvoorbeeld de saldo van het huishoudboekje van de Nederlandse overheid te zien. Hetzelfde beeld als in de VS en, wat dat betreft, in de rest van de Westerse wereld.

Ook als we kijken naar de inflatieontwikkeling in Nederland krijgen we dit te zien:

Het is in mijn ogen dan ook geen toeval dat de ongelijkheid sinds de jaren zeventig enorm is toegenomen:

Als het besluit van 15 augustus 1971 nu tot minder (hevige) crises had geleid, dan had je nog kunnen zeggen dat het het allemaal waard is geweest. Maar de afgelopen decennia hebben ons juist meer en — belangrijk — hevigere crisis gebracht. Kijk maar naar grafiek nummer tien: die grijze verticale lijn die een crisis aangeeft, komt sinds de jaren zeventig wel erg vaak voor.

Twee economen van het IMF hebben vastgesteld dat er in de wereld sinds 1970 431 keer sprake is geweest van een banken- danwel valutacrisis of een crisis met overheidsfinanciën. Hyperinflaties zagen we sinds 1971 in Latijns Amerika, Afrika en Oost-Europa ook regelmatig.

Bron: Ritholtz

Tot slot wil ik nog één gevolg van het besluit van Nixon op 15 augustus 1971 noemen. Geconfronteerd met het vooruitzicht van vrije wisselkoersen, gingen de Europese leiders begin jaren zeventig praten over hoe zoiets onwenselijks op ons continent voorkomen kon worden. Dit leidde ertoe dat de Europese wisselkoersmechanismen werden ingevoerd die uiteindelijk tot de euro zouden leiden. Men kan dus stellen dat het feit dat we tegenwoordig de euro hebben, te danken is aan het Amerikaanse besluit het Bretton Woods-stelsel te begraven.

"Financiële crises komen sinds 1971 minstens net zo vaak voor als in de periode ervoor"

Spijt

Heeft de geestelijk vader van de loskoppeling — Paul Volcker — gezien alle gevolgen spijt van zijn voorstel? Dat was uiteraard mijn vraag aan hem toen we aan de koffie zaten, hoog in het Rockefeller Center aan de New Yorkse Fifth Avenue. Hij leunde naar achteren in zijn leren stoel; het was alsof hij in zijn gedachten terugging naar de zomer van 1971.

‘Het was voor ons onmogelijk die koppeling in stand te houden, dus ik heb geen spijt. Maar ik ben wel teleurgesteld in wat zich daarna afgespeeld heeft. De Amerikaanse regering gebruikte de loskoppeling om zeer stimulerend begrotingsbeleid te voeren. Dat is iets wat je als overheid niet moet doen na een waardedaling van de munt. Dus het gevolg — de aanhoudende en in de jaren zeventig zeer hoge inflatie, begrotingstekorten en toenemende schulden, dat was allemaal iets waar ik zeker niet op hoopte. Financiële crises komen sinds 1971 minstens net zo vaak voor als ervoor en zijn destructiever.’

Inmiddels zijn er bijna vijf decennia verstreken sinds de loskoppeling. Over een paar jaar leven we een halve eeuw in een fiat geldstelsel dat, getuige de huidige crisis, misschien op zijn laatste benen loopt.

Twee dingen zijn daarbij zeker. In de eerste plaats: dat we een nieuw internationaal monetair stelsel nodig hebben. En ten tweede: dat zo'n overgangsperiode tussen twee stelsels geen pretje is. Daarover — en over de mogelijkheden voor een nieuw geldstelsel — binnenkort meer.

Edin Mujagic
Edin Mujagic
Een onafhankelijke macro-econoom, spreker en publicist. Zijn nieuwste boek gaat over de Nederlandse monetaire geschiedenis.
Gevolgd door 936 leden