Duizenden duiken de tropische zee in voor de nieuwjaarsduik, op 1 januari 2017, Curaçao.
© ANP Prince Victor

Hoe Curaçao een tropisch belastingparadijs werd

    Nederland bouwde enthousiast mee aan belastingparadijs Curaçao en bleek zelfs bereid belastinginkomsten op te offeren aan de winsten van het bedrijfsleven. Niet als enige overigens. Overheden die vrolijk mee timmeren aan een belastingparadijs zijn al zo oud als de weg naar, ja, Monaco.

    De oorsprong van het oudste belastingparadijs stamt uit 1856: Monaco. De toenmalige vorst Karel III stichtte in dat jaar een casino om de staatskas te spekken. Al na een paar jaar leverde dat Monte Carlo zoveel op, dat de prins alle directe belastingen kon afschaffen. Die rijke stroom inkomsten maakte hem bovendien onafhankelijk van zijn onderdanen; een parlement kwam pas zestig jaar later, in 1911. Met lage belastingen en een aangenaam klimaat specialiseerde de stadstaat zich op het aantrekken van wat we nu noemen high net worth individuals of HNWIs, steenrijke mensen die er domicilie kiezen om hun vermogen fiscaal gunstig onder te brengen. In het verlengde daarvan vestigden grote banken als Deutsche Bank, Paribas en ABN Amro er gespecialiseerde kantoren voor vermogensbeheer. Beroemdheden en goed betaalde sporters als Max Verstappen verhuizen nog steeds graag naar Monaco.

    Pioniers in een soepele regelgeving waren de Amerikaanse staten New Jersey en Delaware. Aan het einde van de negentiende eeuw herzagen die hun wetgeving grondig, zodat bedrijven zich makkelijker konden vestigen en zo elders geldende beperkingen op fusies, kartels en trusts konden omzeilen. Daarom hield John Rockefellers Standard Oil, beruchte voorganger van het huidige Exxon Mobil, weliswaar hoofdkantoor in New York, maar bevond de officiële vestiging zich aan de overkant van de Hudson, in New Jersey.

    Toen Koninklijke/Shell in de jaren 1910 en 1920 haar Amerikaanse bedrijf sterk uitbreidde, deed die hetzelfde. Dochterbedrijven kregen bij voorkeur Delaware als zetel, ook als de eigenlijke activiteiten in Californië, New York of Oklahoma plaatsvonden. De soepele regelgeving van New Jersey en Delaware was en is dus niet in de eerste plaats gericht op belastingontwijking, maar op het genereren van inkomsten. In 1920 bijvoorbeeld leverden registratierechten en bedrijfsbelasting liefst 40 procent van Delawares begroting. Omdat het stichten van een bedrijf er zo eenvoudig is en toezicht erop minimaal, kun je er echter makkelijk brievenbusmaatschappijen aanhouden die belastingvlucht faciliteren door geldstromen en eigenaars aan het zicht te onttrekken.

    Ikea-oprichter Ingvar Kamprad was de eerste die royaltyrechten buiten Zweden in een Nederlandse stichting onderbracht

    Dergelijke papieren bedrijven kent Nederland ook in overvloed. Voor zover bekend was Ikea-oprichter en miljardair Ingvar Kamprad in 1982 de eerste buitenlander die een Nederlandse stichting oprichtte om het eigendom en de royaltyrechten van zijn concern buiten Zweden onder te brengen. Deze lokale vorm van brievenbusmaatschappij heet inmiddels Bijzondere Financiële Instelling of BFI. Schattingen over het aantal BFI’s lopen uiteen van 12.000 tot 14.400 en er gaat enorm veel geld in om. Het Tax Justice Network (TJN) schatte in 2017 de totale doorstroom op niet minder dan 4 biljoen euro, circa tien keer het bruto nationaal product. Nederland begunstigt deze brievenbusbedrijven om dezelfde redenen als New Jersey en Delaware dat doen. In 2007 genereerden ze naar schatting één miljard euro aan belastinginkomsten en nog eens 400 miljoen voor gespecialiseerde dienstverleners. Hoewel De Nederlandsche Bank enig toezicht op BFIs houdt, valt meestal nauwelijks na te gaan wie er uiteindelijk van die stromen profiteert of, omgekeerd, welke belastingbetalers hierdoor benadeeld worden.

    Onzichtbare geldstromen

    Het bankgeheim is weliswaar geen Zwitserse uitvinding, maar daar komt wel een belangrijke extra techniek vandaan: de rekening zonder naam, met alleen een nummer. Die maakt het veel makkelijker om rekeninghouders af te schermen. Zwitserland komt bovendien de ietwat twijfelachtige eer toe het bankgeheim te handhaven en zo geldstromen onzichtbaar te maken en te houden. Aan het begin van de twintigste eeuw kenden onder andere Frankrijk, Engeland, Duitsland en de VS ook een bankgeheim, maar dat werd opgeofferd aan de noodzaak om de autoriteiten onder bepaalde voorwaarden toegang te geven tot cliëntgegevens. Van de weeromstuit schoot Zwitserland de andere kant op.

    Na de Eerste Wereldoorlog wilde Frankrijk kapitaalvlucht indammen en eiste daarom de cliëntgegevens van in dat land gevestigde Zwitserse banken. Die weigerden dat met een beroep op hun bankgeheim. De Franse autoriteiten kwamen toen in actie. Ze deden huiszoeking bij bankfilialen, stelden justitiële vervolgingen in, namen tegoeden in beslag en zetten bankfunctionarissen gevangen. Zwitserland scherpte daarop de wetgeving aan. In 1934 werd schending van het bankgeheim tot misdrijf verklaard en vervolging verplicht gesteld, ook al diende de benadeelde partij geen aanklacht in. De wet op het bankgeheim diende in eerste instantie dus niet zozeer om belastingvlucht te faciliteren en ook niet om joodse vermogens tegen Nazivervolgers te beschermen, een mythe die je nog weleens in de pers aantreft. Die wet moest eenvoudig Zwitserse banken beschermen tegen buitenlandse pottenkijkers. Voor vermogensbezitters maakte dat natuurlijk weinig uit. In de drie jaar na de aanscherping van het bankgeheim stegen de buitenlandse tegoeden bij Zwitserse banken met 28 procent. Dat geld zal deels op de vlucht geweest zijn voor opkomend fascisme en oorlogsgevaar, maar zeker ook voor belastingautoriteiten elders.

    Koninklijke Shell kiest voor praktisch

    In tegenstelling tot Zwitserland, New Jersey en Delaware werd Curaçao wel heel bewust als fiscaal paradijs ingericht door lage belastingen, soepele wetgeving en geheimhouding met elkaar te combineren. De eerste stappen werden gezet begin jaren ’50. Daar ging een niet helemaal onbelangrijke episode direct aan vooraf.

    Tot begin twintigste eeuw speelden de Caribische eilanden geen economische rol van betekenis voor Nederland of het Nederlandse bedrijfsleven. De opkomende oliewinning in buurland Venezuela veranderde dat. In 1918 opende Koninklijke Shell een raffinaderij op Curaçao die Venezolaanse olie ging verwerken. Twintig jaar later was die raffinaderij uitgegroeid tot de belangrijkste van de maatschappij en de op twee na grootste ter wereld.  Toen Koninklijke Shell naar een locatie zocht om in geval van oorlog de zetel te kunnen verplaatsen, koos het voor Curaçao, waarschijnlijk omdat dit qua ligging tussen Amerika en Engeland praktischer was dan Nederlands-Indië. In februari 1940 nam het hoofd Juridische Zaken A.S. Oppenheim kantoor in Willemstad. Op 10 mei formaliseerde hij daar, geholpen door plaatselijk notaris Anton Smeets, de zetelverplaatsing van de Koninklijke. Een flink aantal grote bedrijven deed hetzelfde.

    De Curaçaose kantoren van die bedrijven dienden alleen om het Nederlandse karakter van de betrokken bedrijven te handhaven en zo beslaglegging van hun vermogen door de geallieerden te voorkomen. Het waren brievenbusmaatschappijen, dat wil zeggen, ze vervulden uitsluitend administratieve formaliteiten als het uitschrijven en notuleren van aandeelhoudersvergaderingen. Bestuur en bedrijfsactiviteiten bleven grotendeels of geheel elders gevestigd. De kantoren faciliteerden dus geen belastingontwijking: de bedrijven moesten gewoon Nederlandse belastingen betalen. We kunnen de zetelverplaatsingen van 1940 dus niet als het begin van Curaçao als belastingparadijs beschouwen. Dat liet nog even op zich wachten.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Gastauteur

    Gevolgd door 290 leden

    FTM.nl biedt opiniemakers de gelegenheid om – op uitnodiging – een bijdrage aan maatschappelijke discussies te leveren.

    Volg Gastauteur
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren