Coke & Co.

Hoe de cocaïne-business een onstuitbare vijand werd. Lees meer

Cocaïne is van een legaal medicijn uitgegroeid tot een illegaal succesproduct waarmee heel veel geld wordt verdiend. Waarom is de handel in cocaïne zo gegroeid? En waarin schuilt het gevaar voor de samenleving? Heeft bestrijding op nationaal niveau wel zin? FTM verdiept zich in de internationale cocaïnehandel.

8 Artikelen

Beeld © Lisa van Casand & Rinus Bot

Hoe de cocaïnehandel mondiaal explodeerde

Follow the Money duikt in de internationale wereld van de cocaïne-business. Het dossier schetst in zes afleveringen het probleem van een onstuitbare vijand. De geschiedenis van de drug verklaart hoe cocaïne wereldwijd kon uitgroeien tot een legaal en later illegaal succesproduct waarmee heel veel geld wordt verdiend. Een analyse van de business erachter toont dat onderschatting van dat systeem voor Nederland risico’s met zich meebrengt. Vandaag het derde deel: ‘Leden van het Cali-kartel profileerden zich meer als bonafide zakenmensen.’

Er was eens een jong en blond Nederlands meisje dat op vakantie ging naar een Spaanse costa. Al feestend belandde ze uiteindelijk aan de keukentafel van een stel topmannen uit de cocaïnehandel in Cali en Medellín. Het kwam helemaal niet door de seks en het was ook nooit zo gepland. Het ging vanzelf en het was gewoon gezellig, zo vertelde Bettien Martens (1951, Haarlem) later aan de Nederlandse hoogleraar criminologie Frank Bovenkerk. ‘Ik heb altijd zelf bepaald wat ik wil.'

Zo kwam het dat een Nederlandse jonge vrouw eind jaren tachtig van de vorige eeuw het Cali-drugskartel in Nederland introduceerde. Eerst bracht ze voor de Colombianen de drugsmarkt in Nederland in kaart. Later werd ze een go-between bij deals tussen Nederlanders en Colombianen. Zoals vele criminele levens was ook het hare stormachtig maar niet van lange duur. Martens werd in 1992 aangehouden in Italië en promoveerde daar tot kroongetuige.

Op 27 april 1995 loste Bettien Martens op in het niets, beschrijft Bovenkerk. Ze stapte die avond aan boord van een lijnvliegtuig in Rome en arriveerde ergens anders als een nieuw persoon met een nieuwe identiteit. Als zij nu nog leeft, zal ze ergens in de wereld inmiddels toe zijn aan haar oude dag.

Colombiaanse avonturiers

Het jaartal waarop de cocaïnehandel in Colombiaanse handen kwam, weten we precies. Dat was in 1973, het jaar dat op 11 september in Chili generaal Augusto Pinochet (1915-2006) een bloedige staatsgreep pleegde. Hij bracht de linkse regering van Salvador Allende (1908-1973) ten val.

Deze coup is een van de aanleidingen geweest die de fase van de huidige massale cocaïne-transporten mogelijk maakte. Het militaire bewind maakte op aandringen van de Amerikaanse regering met harde hand een einde aan de cocaïnesmokkel naar de Verenigde Staten vanuit Chili, Peru en Bolivia – die overigens toen nog op een laag pitje stond. Hoofdzakelijk Chilenen waren tot 1973 de bron geweest van de cocaïnesmokkel naar de VS.

Colombiaanse avonturiers hadden zich in de jaren voor de Chileense staatsgreep gemengd met de Chilenen, die in de Peruaanse regio Huallaga en Bolivia cocaïne kochten. De allereersten namen vanuit Colombia een uitputtende busrit van verschillende etmalen via Ecuador dwars door de Andes op de koop toe. Anderen reisden zelfs per bus door naar Bolivia. Het verschepen van grotere ladingen verliep tot 1973 via Chili. Na de staatsgreep door Pinochet vond de cocaïne-stroom een nieuwe route.

Het jaartal waarop de cocaïnehandel in Colombiaanse handen kwam, weten we precies

De Colombianen kozen voor de afvoer van vooral cocapasta langs een nieuwe – rustiger gelegen – route: door de jungle. Vanaf Tingo Maria ging het per boot en vliegtuig via het Amazone-oerwoud naar Colombia. Vanaf 1974 gingen Colombianen in de Alto Huallaga de aankoop en productie van coca-pasta op min of meer gewelddadige manier domineren. 

De toevloed van coca-boeren in Peru, de staatsgreep in Chili, en de komst van Colombianen naar de Huallaga-regio maakten de grote sprong voorwaarts van de internationale cocaïnehandel mogelijk.

Medellín

De vooraanstaande (Colombiaanse) econoom Francisco Thoumi (1943) denkt dat ook Colombia in de jaren zeventig door specifieke omstandigheden helemaal klaar was voor een grote stap in de cocaïnehandel. Al decennia verhandelden grote en kleine ‘marimberos’ Colombiaanse marihuana, van de Caraïbische eilanden tot aan de VS. In de jaren zeventig ontstond in het land een moderne zakelijke elite die in het pionierswerk met de Peruaanse cocaïne een business begonnen te zien omdat voor cocaïne in de VS een goede prijs werd betaald. Een van hen was de toen nog onbekende Pablo Escobar, die ook zijn licht ging opsteken in Peru.

Medellín werd bekend als centrum van de eerste grote cocaïnehandelaren, maar dat doet de stad tekort. Vanouds heeft Medellín veel commercieel talent voortgebracht. De bewoners zien zichzelf per traditie als een apart slag Colombiaan, gekenmerkt door ondernemingsgeest en spitsvondigheid. Dat juist zakelijke figuren uit Medellín snel het potentieel van de Peruaanse cokehandel doorzagen, wekte in Colombia dan ook geen verbazing.

Colombianen brachten zakelijke finesse in de handel

Colombianen brachten zakelijke finesse in de handel. Ze kochten in de Peruaanse Huallaga cocaïne-pasta die ze in laboratoria in Colombia zuiverden tot de snuifbare cocaïne voor de export naar de VS. Naarmate de winsten toenamen, was er zowel in Peru als in Colombia meer ruimte voor innovaties – zoals grotere fabriekjes in de Huallaga, de bouw van landingsstrips, en eigen vliegtuigen waarmee de pasta rechtstreeks over de jungle naar Colombia kon worden gevlogen. 

De grote sprong die deze Colombianen wisten te maken, en die hen de naam Medellín-kartel bezorgde, zat in het aanzienlijke volume dat ze in een gecontroleerde logistieke keten op het grondgebied van de VS konden bezorgen. Ze investeerden in vrachtwagens en vliegtuigen die duizenden kilo’s tegelijk van Peru, door Colombia, en naar landen en eilanden in Midden-Amerika konden transporteren.

Dossier

Coke & Co.

Hoe de cocaïne-business een onstuitbare vijand werd.

Volg dit dossier

Nixon’s war on drugs

De schaalvergroting in de smokkel bracht in de VS uiteindelijk een prijsdaling teweeg, die op de winsten voor de Colombianen nauwelijks invloed had. De explosieve stijging van de vraag naar cocaïne in de VS maakte de prijsdalingen ruimschoots goed. De cocaïne-boom die zich vanaf 1970 ontrolde, was deels een onbedoeld bijproduct van het beleid van president Richard Nixon (1969-1974). Maar eerst enkele fascinerende cijfers. 

In 1968 werd in de gehele VS slechts 14 kilo cocaïne in beslag genomen, veel minder dan heroïne. Daarna liep dat scherp op. In 1970 werd er al meer cocaïne in beslag genomen dan heroïne, en in 1971 was het 218 kilo cocaïne. Die inbeslagname nam in de jaren daarna exponentieel toe. Nixon lanceerde in 1971 met veel publiciteit zijn war on drugs. Vanaf die tijd begonnen ook de uitgaven voor drugsbestrijding te stijgen. In 1973 riep Nixon de Drug Enforcement Administration (DEA) in het leven

Tegelijk namen de vraag en positieve aandacht voor cocaïne in de media een grote vlucht. Gefascineerde journalisten schreven over hippe gebruikers die lijntjes namen om bij te komen van de stress na een drukke werkweek. In de betere sociale klassen was cokegebruik zeer gewild en modieus. De latere presidentskandidaat George W. Bush ontkende zijn gebruik van cocaïne in zijn studietijd niet. Het stond zijn verkiezing in 2001 niet in de weg.

De Drug Enforcement Administration (DEA)

De DEA brengt jaarlijks rapporten uit en legt verantwoording af tegenover het Amerikaanse Congres om zijn miljardenbudget te rechtvaardigen. Om succes te kwantificeren wijst de DEA op ontmantelde netwerken en in beslag genomen partijen drugs. Wie als rijke crimineel door de Nederlandse politie wereldwijd wordt gezocht, hoeft niet direct te wanhopen. Maar wanneer de DEA zich aansluit bij de zoektocht, wordt het anders omdat de effectiviteit en slagkracht van de DEA zo groot is.  

De DEA kan gebruikmaken van opsporingsmethoden die de Nederlandse politie volgens de wet niet mag inzetten. Zo werkt de dienst met confidential informants (criminele burgerinfiltranten) die hun eigen (criminele) handel mogen runnen en tegelijk concurrenten erbij lappen. Uitlokking (een zogeheten sting-operatie) is een andere methode die in Nederland verboden is. Bij een sting wordt iemand door een politie-infiltrant uitgelokt drugs te verkopen. Omdat de dienst in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontdekte dat daarmee de grotere bazen niet goed werden aangepakt, kwam de ‘reverse sting’. De politie-infiltranten boden in plaats van geld drugs aan en confisqueerden zo cash geld. Die methodiek bood de mogelijkheid voor politie-infiltranten omhoog te schuiven in de netwerken om steeds grotere handelaren uit te lokken. Als voordeel werd ook gezien dat de DEA daarmee geld in beslag nam en geen waardeloze drugs. 

In de jacht op het Cali-kartel zette de dienst in de jaren negentig eigen witwas- en dekmantelbedrijven op en zelfs een fake bank. De DEA heeft deze methodieken zelf naar buiten gebracht. De vergaande technieken die momenteel operationeel zijn, blijven in het belang van de opsporing logischerwijs geheim. 

Informatie is macht in de wereld van de politie. Een middel dat bijdraagt aan de onvergelijkbare informatiepositie van de DEA, is informele bilaterale samenwerking in bronlanden voor cocaïne zoals Peru en Colombia. De dienst spendeert daartoe honderden miljoenen aan trainingen en uitwisselingsprogramma’s. Die zijn niet alleen bedoeld om buitenlandse agenten te trainen, maar vooral om informele informatie-uitwisseling op individueel niveau op gang te houden. De dienst beschikt zo in operationele samenwerking met die bronlanden over korte lijnen om snel informatie te krijgen, zonder gehinderd te worden door bureaucratie op hoger of politiek niveau. 

Ondanks deze slagkracht lukt het de DEA al een halve eeuw niet om het cocaïnegebruik in de VS terug te dringen.

Lees verder Inklappen

Crack

De dalende prijzen op de Noord-Amerikaanse markt van eind jaren zeventig zette de Colombiaanse importeurs aan het denken. De markt kon worden verbreed door er een product bij te zetten dat was toegesneden op nieuw publiek. 

Begin jaren tachtig kwam crack in de VS op de straat. Tussen 1984 en 1987 kwamen veel meer mensen in aanraking met cocaïne en steeg ook het aantal ziekenhuisopnames als gevolg van cocaïnegebruik. Crack raakte vooral de sociaal-economisch meest kwetsbare groepen, waaronder veel zwarte Amerikanen.

De publieke reactie op crack markeerde in de VS het einde van de welwillende houding over cocaïne. Het Amerikaanse Congres stelde in 1986 in de Anti-Drug Abuse Act zelfs een minimumstraf van vijf jaar cel vast voor het bezit van 5 gram crack. Dat raakte vooral zwarte burgers. In 2010 werd de wet bijgesteld omdat deze als racistisch gold. 

Aan het einde van de jaren tachtig zat het cokegebruik in de VS in de lift, daalden de prijzen en steeg de zuiverheid van de cocaïne, zo erkende de DEA zelf ook. Colombianen verkochten alleen nog cocaïne in de groothandel. De DEA besloot tot een groot offensief in het buitenland. De cocaïne-oorlog werd geëxporteerd, net als na 1910. Iedere oplettende krantenlezer kende de boosdoeners al snel: het Medellín-kartel en het Cali-kartel.

Mexicanen

Op 29 september 1989 namen agenten van de DEA in een loods in Sylmar (Californië) 21,5 ton cocaïne in beslag. Op sommige stempels op de blokken van de allergrootste cocaïnevangst ooit stond de beeltenis van de vriendelijk ogende koffieboer Juan Valdez. Valdez was destijds wereldberoemd uit reclames.

Deze bust was voor de DEA een eyeopener. Uit het onderzoek bleek namelijk dat de Colombianen uit Medellín krachtige partners hadden gekregen in Mexico. Een groep Mexicanen die de logistieke operatie rond de ‘stash’ in Sylmar had verzorgd, had ruzie gekregen over hun vergoeding met de Colombiaanse eigenaren. Door dit slepende conflict had de cocaïne zich opgehoopt in de Californische loods tot die astronomische hoeveelheid van 21,5 ton.

Het belang van Mexico was gegroeid vanaf het moment dat de Amerikanen na 1986 de routes van de Colombiaanse groepen via de Cariben aanpakten. Mexico bood prima alternatieve routes en vele veilige mogelijkheden als overslagplaats. Van de ruim 3.200 kilometer landsgrens met de VS was in die tijd 95 procent onbewaakt. 

Aanvankelijk rekenden Colombianen met de Mexicanen af in dollars voor de veilige passage van hun product naar de VS. Gaandeweg begonnen in Mexico criminele ondernemers de mogelijkheden van hun centrale positie in te zien en kregen zo hun eigen ambities.

Mexico bood prima alternatieve routes en vele veilige mogelijkheden als overslagplaats

Volgens de DEA hebben Mexicanen vanaf die periode een prominentere rol in transporten via Mexico gehad. Ze werden niet meer in dollars betaald maar in natura, of mercancía (handel). In de praktijk betekende het dat Mexicaanse groepen in joint ventures stapten met ‘Medellín’ – bijvoorbeeld met Pablo Escobar. Tegelijk kregen Mexicanen de distributie in het zuiden en westen van de VS steeds vaster in handen. 

Het aantal illegale vliegstrips in het uitgestrekte Mexico verveelvoudigde, net als de stroom aan pakketten cocaïne die over land de VS binnenkwam. De Amerikanen hielden de focus echter nog op Colombia. De DEA lanceerde aan het einde van de jaren tachtig de zogeheten ‘Kingpin Strategy’: de dienst liet de leiders van de Colombiaanse netwerken arresteren. In ongeveer vijf jaar tijd wist de dienst samen met de Colombiaanse regering de top van zowel het Medellín- kartel als het Cali-kartel uit te schakelen.

"De mannen uit Cali organiseerden en structureerden de cocaïnehandel als een multinationale onderneming"

Cali-kartel

De collega’s van Escobar uit Cali hadden een stillere en minder gewelddadige werkwijze. Leden van het Cali-kartel profileerden zich meer als bonafide zakenmensen. Pionier Benjamín Herrera was in de jaren zeventig al in de weer met Colombiaanse opium en heroïne en werkte met een vertrouwde chemicus. Met zijn netwerk in New York ging de overstap naar cocaïne gemakkelijk. In 1975 zou Herrera in New York al voor 15 miljoen dollar aan cocaïne hebben verkocht.

De familie van Gilberto Rodríguez-Orejuela, eveneens uit Cali, bouwde aan een winstgevende landelijke keten van drogisterijen en apotheken. In het jaar dat Gilberto in de cocaïne-export stapte, had dat bedrijf een derde van de detailhandelsomzet in medicijnen in het land in handen. Dat vormde jarenlang een prima dekmantel.

Het waren de smokkelaars uit Cali die de Europese markt voor cocaïne in kaart brachten

De mannen uit Cali organiseerden en structureerden de cocaïnehandel als een multinationale onderneming. Waar het kon, lieten ze de handel ondersteunen door juridisch en financieel adviseurs en probeerden ze hun business op te laten gaan in legitieme handelsstromen. De aandacht van de mannen uit Cali was vooral getrokken door internationale handelsstromen, het stukgoed en de miljoenen containers die jaarlijks over de wereld zwerven. Het waren de smokkelaars uit Cali die de Europese markt voor cocaïne in kaart brachten.

Bettien Martens

Vanaf het begin van de jaren negentig begon de DEA ook met het Cali-kartel korte metten te maken. In 1992 ontdekte de dienst in de wereldwijde operatie 'Operation Green Ice' dat de Nederlandse Bettien Martens voor het kartel in Europa werkte en ook contacten legde met Italiaanse criminelen. 

Op 24 september 1992 zat zij in Rome op een terrasje op de Piazza Navona met twee Colombiaanse contacten, onder wie hoofdverdachte ‘Tony Duran’. Plotseling benamen Italiaanse agenten hen het uitzicht op de beroemde fontein. Tegelijk met 160 anderen werden ze aangehouden. 

Martens zegt daarover in het boek La Bella Bettien van criminoloog Bovenkerk: 'Toen ik door de politie werd meegenomen, keek Tony mij doordringend aan en dat wilde zeggen dat ik te allen tijde mijn mond stijf dicht moest houden. Hij wilde mij eraan herinneren dat ik bij hen hoorde en dat ik niet uit de familie zou klappen.’ 

Martens zegt altijd duidelijk te zijn geweest tegen haar Colombiaanse vrienden: ‘Als ik moet gaan betalen, dan betalen jullie allemaal! Ik keek met mijn ogen schuin omlaag even strak terug en hij heeft toen geweten dat het mis was.’ 

Haar Colombiaanse contacten kregen straffen van rond de dertig jaar cel en zouden deze tijd weer op vrije voeten kunnen zijn. Martens is zoals gezegd van de aardbodem verdwenen, net als overigens de gehele top van het Cali-kartel. In 1995 waren alle topfiguren ingerekend.

Luchtblokkade

De VS zijn er verantwoordelijk voor dat Colombia in de jaren negentig definitief de naam kreeg van ‘het cocaïne-land van de wereld’. Tot halverwege de jaren negentig werd er vrijwel geen cocablad geteeld in Colombia. In Colombia werd zo’n 90 procent van de cocaïne geproduceerd op basis van Peruaanse pasta básica. Dat halffabrikaat kwam door de lucht vanuit de Huallaga-regio in Peru naar Colombia.

In de simpele analyse van de DEA was deze luchtbrug de achilleshiel van de internationale cocaïnehandel. De Amerikanen zetten een ontzagwekkend initiatief in. Met het zogeheten Air Bridge Denial Program (ABDP) wilden ze de pasta-transporten vanuit Peru onmogelijk maken. Het moest ook een stok in het hele economische systeem van de cocaïne-productie gooien. 

De DEA voorzag dat in Peru de prijs van cocaïnepasta en van cocablad zou dalen, zodat boeren en werkers in coke-labjes gedwongen werden om alternatieve producten te gaan telen. Omgekeerd zou de de prijs van cocaïne in Colombia en de VS stijgen. Door die hoge prijs zou dan de consumptie van cocaïne in de Verenigde Staten moeten dalen.

De coke-luchtbrug blokkeren bleek een geheel ander verhaal

Vanaf 1989 trad de uitrol van het systeem van de luchtblokkade in werking. Verdachte vliegbewegingen werden doorgezet naar naar de Peruaanse en Colombiaanse luchtmacht. Door het Air Bridge Denial Program waren de Peruaanse autoriteiten in staat heel wat illegale landingsbaantjes en cocaïnelabs te lokaliseren en uit te schakelen. De coke-luchtbrug blokkeren bleek een geheel ander verhaal. In elf jaar tijd werd 15 keer een vliegtuig uit de lucht geschoten.

‘Bandito’

Piloot Kevin Donaldson (42) vond op de ochtend van 20 april 2001 het weer een beetje tricky. Op de grens tussen Peru en Colombia hingen boven de jungle woeste regenbuien in de lucht. Hij hield zijn Cessna-watervliegtuig na de start in een strook van ongeveer 50 meter tussen de laaghangende bewolking en de boomtoppen. Al na een minuut klaarde het wat op en Donaldson liet zijn Cessna stijgen. 

Dat was ongeveer het moment dat zijn vliegtuig werd opgepikt door een Cessna Citation Jet van de CIA. Donaldson vloog evenwijdig aan de Braziliaanse grens naar de stad Iquitos, middenin het Peruaanse deel van het Amazonegebied. De Citation volgde. Was het een drugsvliegtuig? 

De CIA-piloot: ‘You know, we can go up and attempt the tail number, but the problem with that: if he is dirty and he detects us, he makes a right turn immediately and we can’t chase him.’ 

Het Braziliaanse luchtruim moesten de Amerikanen mijden, de operatie was strikt beperkt tot het Peruaanse luchtruim. Drie waarschuwingen kreeg de Cessna van de Citation. Piloot Donaldson negeerde ze alle drie omdat hij de radio niet op de juiste frequentieband had staan. Twintig minuten later besloot de bemanning van de Citation een straaljager van de Peruaanse luchtmacht aan te roepen.

De CIA-piloot was niet zeker. Tegen zijn Peruaanse collega zegt hij: ‘See, I don’t know if this is bandito or if it’s amigo, okay.’

De jager van de Peruaanse luchtmacht kwam ter plaatse. Waarschuwingsschoten van deze A-37 Dragonfly negeerde Donaldson ook. Niemand bij hem aan boord had ze waargenomen. 

Aan boord van de Cessna was zendeling Jim Bowers met zijn vrouw. Die had de A-37 zelf wel gezien en hij haalde zijn zevenjarig zoontje naar het raam om te kijken.

Met cocaïnehandel hadden ze niets te maken

De militair in de A-37 Dragonfly zag beweging voor het raampje. ‘He’s seen me, but he isn’t doing anything,’ zei de piloot van de A-37. 

In een paar minuten ging het toen mis.

‘You sure it is a bandito,’ vroeg de CIA-piloot nog.

‘Yes,’ zei zijn Peruaanse collega en tien seconden later gaf hij aan de A-37 de autorisatie voor ‘phase 3’: het neerschieten van de Cessna. 

CIA-piloot: ‘I think we’re making a mistake.’ 

Kevin Donaldson zei precies op dat moment tegen de verkeerstoren van Iquitos: ‘The military is here. I don’t know what they want.’ 

Twaalf seconden daarna meldde de piloot van de A-37: ‘We’re firing at him.’ 

De mitrailleur in de A-37 loste twee salvo’s van ongeveer 3 seconden. 

Zendeling Jim Bowers zag rookwolkjes uit de neus van de A-37 komen. Kevin Donaldson schreeuwde in het Spaans tegen de verkeerstoren van Iquitos: ‘Ze vermoorden me, ze vermoorden ons.’ Aan boord van de Citation schreeuwde de Peruaan in het Spaans naar de A-37, nadat hij de noodkreet uit Iquitos had gehoord: Stop! Niet meer! Stop!’ De A-37-vlieger doorzag de fout nog niet: ‘Roger. Het is klaar. Hij staat in brand.’

Kevin Donaldson had ruim tien jaar ervaring als bush pilot in Peru. Ondanks schotwonden in zijn been wist hij met de Cessna een crash-landing te maken in een rivier. Ze hadden geluk, want lokale dorpsbewoners zagen het gebeuren en kwamen met een bootje ter plaatse. 

Maar Veronica Bowers (35) en haar zeven maanden oude baby Charity waren doodgeschoten. Donaldson, Jim Bowers en zijn zoontje overleefden. Bowers was uitgezonden door een doopsgezind genootschap uit de VS. Hij woonde met zijn gezin op een boot en gaf ontwikkelingshulp aan de bevolking in Iquitos en omgeving. Het gezin had een bezoek gebracht aan het Amerikaanse consulaat op de grens met Colombia. 

Met cocaïnehandel hadden ze niets te maken.

Coca naar Colombia 

De publiciteit over deze collateral damage in de strijd tegen de cocaïnehandel leidde snel tot een stop van deze luchtblokkade. Ook in de internationale politiek lag die blokkade gevoelig. De werkelijke effectiviteit was, eufemistisch gezegd, moeilijk te meten, zo concludeerde later de Amerikaanse Rekenkamer.

Waarschijnlijk is de handel er nauwelijks door beïnvloed. Het bracht drugssmokkelaars tot ontwijkingsgedrag zoals laagvliegen, nachtvliegen en het installeren van steeds nieuwe landingsstrips in een steeds wijder en meer afgelegen gebied. Er was veel corruptie onder militairen die het uitgestrekte en vrijwel onbewoonde oostelijk deel van het land controleerden. Zo kregen smokkelaars soms de controleschema’s van patrouillerende vliegtuigen in handen. 

Bijzonder pijnlijk voor de DEA was dat door de luchtblokkade het economische systeem van de cocaïne-productie juist werd gestimuleerd. De DEA-theorie over de blokkade als spaak in het wiel van de cocaïnehandel was wishful thinking geweest. Er kwamen juist meer cocaïnefabriekjes in Peru en Bolivia. Ook kwam er een nieuwe stroom aan smokkel richting Argentinië en Brazilië op gang.

In Colombia waren voor 1990 nauwelijks coca-struiken te vinden

Het tweede effect was de komst van cocateelt naar Colombia. Het was desastreus voor dat land. In Colombia waren voor 1990 nauwelijks coca-struiken te vinden. Maar in 2000 was het Peru zelfs voorbijgestreefd als grootste producent ter wereld. Cocaïne-producenten lieten nu coca telen in Colombia en lieten ook de pasta básica in Colombia maken. Toen de eeuwwisseling naderde, was het systeem van de cocaïne-productie door de luchtblokkades van de Amerikanen geheel opgeschud. 

Een krachtige cocaïne-productie was nu over drie landen in plaats van één land verspreid: Colombia, Peru en Bolivia – veel meer daarover in deel vier.