De slavenvertrekken van een Surinaamse plantage.

De slavenvertrekken van een Surinaamse plantage. © Rijksmuseum

Hoe de slavenhoudende elite profiteerde van de afschaffing van de slavernij

Bij het officiële einde van de slavernij in 1863 in Suriname en op de voormalige Antillen, kregen slavenhouders enorme bedragen mee ter compensatie. Slavenhouders in Suriname kregen 300 gulden per vrijgemaakte dwangarbeider, op de Antillen 200 gulden. Enkele individuen zijn rijkelijk uitgekeerd, maar opvallend genoeg kwam veel van dat compensatiegeld terecht bij banken en beleggingsfondsen. Hoe is dat gekomen?

Morgen is het Keti Koti, de dag waarop herdacht wordt dat er per 1 juli 1863 officieel een einde kwam aan de slavernij in Suriname en op de Antillen. Officieus was het overigens anders: de tot slaaf gemaakten moesten nog tien jaar lang verplicht arbeid verrichten. Pointer en FTM doken in de vergoedingen die aan slavenhouders in Suriname zijn betaald ten tijde van de officiële afschaffing van de slavernij in 1863.

Eigenaren kregen 300 gulden voor elke vrijgemaakte dwangarbeider – mits die stond geregistreerd in het slavenregister, niet al meer dan 30 dagen geleden was weggelopen, en geen lepra had. Dat was een flink bedrag, een jaarsalaris van een leraar of landarbeider bedroeg in die tijd rond de 150 gulden. Pointer maakte diverse datasets, waaronder van de ‘borderellen’ die online staan bij het Nationaal Archief. Die borderellen zijn in 1863 opgesteld door de Algemene Rekenkamer en gedigitaliseerd door twee historici, Okke ten Hove en Heinrich Helstone. Ze bevatten de namen van de tot slaaf gemaakten per plantage en de uitgekeerde vergoedingen. 

Gratis boek 

Nieuw is de ontdekking van de borderellen niet, maar de aandacht ervoor is groter dan ooit. De Black Lives Matter-beweging, die in 2020 een vlucht nam in de VS, leidde ertoe dat vorige zomer ook in Nederland demonstraties plaatsvonden. Voor de gemeente Amsterdam was het reden om in juni dit jaar een boek gratis te verspreiden via bibliotheken en het stadhuis: Amsterdam en het slavernijverleden.

Dit boek is volgens GroenLinks-wethouder Rutger Groot Wassink van Diversiteit en Antidiscriminatiebeleid nodig, omdat ‘de slavernij aan de basis [ligt] van een aantal problemen waar we als stad helaas mee te maken hebben,’ schrijft hij in het voorwoord, ‘zoals discriminatie op de arbeidsmarkt, institutioneel racisme, maar ook onbewuste en alledaagse vooroordelen en misverstanden.’

De gemeente wordt niet gespaard in het onderzoek dat door een groep historici is uitgevoerd, zoals het volgende citaat uit dat boek illustreert. ‘Om de rol van Amsterdam [in de slavenhandel] beter te begrijpen, gebruiken we het voorbeeld van Jacob Baron de Petersen (1703-1780), die vanaf 1725 carrière maakte als [ambtenaar van de West-Indische Compagnie (WIC), verantwoordelijk voor het vervoer van slaafgemaakten naar Zuid-Amerika], slavenhandelaar en stadsbestuurder. In zijn vroege carrière handelde hij in slaven op Curaçao. Vervolgens gaf hij tussen 1741 en 1747 leiding aan Fort Elmina, in dienst van de WIC. Deze post had hij bemachtigd door goede connecties binnen de Amsterdamse elite. Toen er een verbod kwam voor WIC-werknemers om privé te handelen in mensen, vertrok hij naar Suriname. Aan boord had hij 400 gevangenen, van wie slechts 150 de reis overleefden.’

"De manier waarop getracht werd de mensen op de slavenplantages met geweld en terreur te onderwerpen, gaat ieder voorstellingsvermogen te boven"

Nieuwe generatie historici

Dergelijke kritische introspectie past in een trend. Sinds enige jaren wordt er veel studie gedaan naar slavernij, vooral in de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. In Nederland komt langzaamaan meer belangstelling voor het onderwerp.

Lang is gedacht dat de slavenhandel economisch gezien weinig voorstelde voor Nederland, en dat deze handel op de Nederlandse economie maar weinig impact had. De Leidse historicus Piet Emmer, in Nederland een pionier in onderzoek naar de slavernij, vindt dat nog steeds. Het Nederlandse aandeel is nooit meer dan 5 procent van de totale slavenhandel geweest, aldus Emmer. ‘Vrij beperkt dus. Van de ongeveer 11 miljoen slaven heeft Nederland er 500.000 tot 550.000 vervoerd.’

Lang is gedacht dat de slavenhandel economisch gezien weinig voorstelde voor Nederland

Een nieuwe generatie historici rekent er mee af dat de slavenhandel economisch gezien weinig voorstelde. Karwan Fatah-Black, historicus aan de Universiteit Leiden, heeft in zijn werk aandacht voor het vreselijke leven dat de gedwongen arbeidskrachten hebben geleid, maar ook voor hoe vrijgelatenen een nieuwe maatschappij opbouwden in Suriname. Zaken die in Nederlandse onderzoeken naar slavernij lang ondergeschoven onderwerpen waren.

‘Slavernij bestond in Suriname bij de gratie van geweld en de berusting van de slaafgemaakten in hun lot, die werd gevoed door een opgelegd geloof in de eigen minderwaardigheid,’ schrijft Fatah-Black in zijn in 2018 verschenen boek Eigendomsstrijd. Die studie handelt over hoe de eerste ‘gemanumitteerde’ (vrijgelaten) tot slaaf gemaakten een nieuwe maatschappij opbouwen, het begin van de huidige Surinaamse samenleving.

Ook historicus Leo Balai toont de wreedheid van het systeem in zijn net verschenen boek Herengracht 502. Slavenhandel, geweld en hebzucht 1672-1927: ‘De bewindhebbers van de West-Indische Compagnie in Amsterdam grepen niet in toen gouverneur De Cheusses in 1730 uitgebreid berichtte hoe hij een vrijheidsstrijder, een zogenaamde wegloper, levend aan een ijzeren haak door de ribben liet ophangen. (...) De manier waarop getracht werd de mensen op de slavenplantages met geweld en terreur te onderwerpen, gaat ieder voorstellingsvermogen te boven.’

Economisch belangrijk

‘Het Nederlandse slavernijverleden valt niet te reduceren tot een balans of een winst- en verliesrekening,’ aldus Pepijn Brandon van de Vrije Universiteit Amsterdam (VU), een andere jonge historicus. ‘Voor Nederlanders lijkt het slavernijverleden alleen belangrijk als er geld aan verdiend is. En als dat niet zo is, dan doet het er niet toe. Ook al werden er honderdduizenden mensen op Nederlandse schepen vervoerd.’

De slavernij en de producten van plantages waren wel degelijk heel belangrijk voor de Nederlandse economie, blijkt uit een berekening van Brandon. De slavenhandel en slavernij vormden in 1770 samen 5,2 procent van de nationale economie. Gelijk aan wat de Rotterdamse haven nu betekent voor de Nederlandse economie, of de hele digitale economie, inclusief Silicon Valley, voor de VS.

De slavenhandel en slavernij vormden in 1770 samen 5,2 procent van de nationale economie

Voor Holland, de rijkste provincie van de Republiek, lag het percentage veel hoger: meer dan 10 procent van de economie was gerelateerd aan plantages. En voor Amsterdam was het een nog groter onderdeel van de economie. In de handel, de grootste sector in Amsterdam, vloeide bijna een kwart van de waarde van import en export voort uit op slavernij gebaseerde goederen als suiker, koffie, tabak en tropisch hardhout. De grootste verdiensten kwamen niet uit de slavenhandel zelf, maar uit handel van door slaven geproduceerde goederen, aldus Brandon.

Amsterdam kende de meeste rijke koopmannen die geld investeerden in de plantage-economie (zie de kaart). Zo’n 40 procent van de economische groei van Holland in periode 1730-1770 is gegenereerd door de Atlantische slavernij-sector.

Daarnaast financierde de Nederlandse elite ook buitenlandse plantages, schepen, transporten en houders van tot slaaf gemaakten – voor de investeerders kwam op die manier dus eveneens geld binnen.

Banken en beleggingsfondsen

De rijke adel en koopmannen van Nederland hebben niet alleen veel verdiend aan verkregen vergoedingen, maar ook in de eeuwen daarvoor aan de slavenhandel en aan de handel in goederen van plantages waar tot slaaf gemaakten werkten. De opbrengsten zijn zeer waarschijnlijk elders geïnvesteerd, maar het is lastig dat een-op-een vast te stellen.

Een voorbeeld waarbij dat wel kan, is de ambtswoning van de Amsterdamse burgemeester, op de Herengracht 502. De eerste bewoner van het in 1672 gebouwde grachtenpand was Paulus Godin, bestuurder van de West-Indische Compagnie en de Sociëteit van Suriname. In die functies was hij mede verantwoordelijk voor slavenhandel. Later woonde er een broer van Willem Gideon Deutz, die een belangrijke rol speelde in de financiering van plantages in Suriname. Andere voorbeelden zijn de NS (zie kader) en De Surinaamsche Bank (zie nummer 4 van de tabel ‘Top 5 grootste slavenhouders’).

Het is geen toeval dat het banken zijn die onder de loep liggen aangaande de slavernij

De nieuwe en bredere belangstelling voor de slavernij heeft geleid tot recent opgestarte onderzoeken van enkele Nederlandse banken naar hun betrokkenheid bij de handel in en uitbuiting van tot slaaf gemaakten. In 2020 begonnen InsingerGilessen, ABN Amro en De Nederlandsche Bank onderzoeken naar betrokkenheid van rechtsvoorgangers en voormalige topbestuurders bij de slavernij. Bij InsingerGilessen en ABN Amro gaat het om Nederlandse bestuurders en rechtsvoorgangers. Bij DNB gaat het vooral om enkele bestuurders (onder wie Jacobus Insinger, tevens eigenaar van handelshuis Insinger & Co, een voorloper van InsingerGilessen). ING heeft een werkgroep ingesteld om het archief van een Britse rechtsvoorganger, Barings, beter toegankelijk te maken voor onderzoek naar het eigen slavernijverleden.

Het is geen toeval dat het banken zijn die onder de loep liggen aangaande de slavernij. Plantages opzetten in Suriname en het transport van mensen van de Afrikaanse kust naar Noord- en Zuid-Amerika waren duur en vergden grote investeringen. Daarom zetten banken en handelshuizen fondsen op waaruit planters een hypotheek konden krijgen, of er werden schepen of scheepsladingen mee gefinancierd. De fondsen deelden die leningen en verzekeringen op in kleine stukjes, die als obligaties verkocht werden aan de kleine, steenrijke Nederlandse elite.

Vooral na een grote crisis in 1773 zagen banken en fondsen plantagehouders failliet gaan. De bezittingen, die dienden als onderpand, kwamen zodoende terecht bij die banken en fondsen, die in voorkomende gevallen de exploitatie van plantages en tot slaaf gemaakten zelf voor hun rekening namen. Zodoende was ten tijde van de afschaffing in 1863, wat ‘de Emancipatie’ wordt genoemd, veel bezit in Suriname komen te vervallen aan banken en fondsen.

Afschaffing

In 1794 volgde vlak na een economische crisis een zware klap voor de plantage-economie in Suriname: de provincies van de Republiek Nederland werden deels geannexeerd door Napoleontisch Frankrijk, de rest ging verder als de Bataafse Republiek, een vazalstaat van Frankrijk. De Nederlandse handel in mensen kwam tot stilstand, de Britse regering nam het bestuur van de Nederlandse koloniën over. De Britten schaften de slavenhandel af in 1808, en dat gold dus ook in Suriname.

In 1814 kreeg het nieuw gestichte Koninkrijk der Nederlanden het beheer over de koloniën terug, op voorwaarde dat koning Willem I het verbod op de handel in tot slaaf gemaakten in de Nederlandse wet zou opnemen. Het over de kling jagen van tot slaaf gemaakten kon hierdoor niet langer. De plantagehouders moesten zuinig worden op hun mensen: nieuwe halen zoals voor de Franse tijd kon immers niet meer.

De plantagehouders moesten zuinig worden op hun mensen

Ondertussen waren al veel plantagehouders in Suriname Brits, en opvallend vaak van Schotse origine. Dat zou na 1834, wanneer Londen behalve de handel ook het houden van tot slaaf gemaakten verbiedt, nog toenemen doordat planters uit Brits Guyana en elders uit de Cariben verhuisden naar Suriname.

De Franse revolutie en ‘abolitionistische’ bewegingen tegen slavernij in Engeland en de VS zorgden ervoor dat het beeld van slavernij in een groot deel van Europa en van de VS kantelde. In het VK ontstond eind achttiende eeuw een volksbrede verontwaardiging over de onmenselijke wreedheid van het systeem. Dat ging ook leven in de VS. Daar brak na jarenlange spanningen, onder andere over uitbreiding van slavernij, in 1861 een burgeroorlog uit.

Verontwaardiging

Zulke breed levende verontwaardiging was er in Nederland niet. In Nederland waren hooguit enkele tegenstanders die stelling namen tegen slavernij, zoals de beroemde schrijver Betje Wolf in haar boek Beemster Winter-Buitenleven uit 1778. Bovendien waren deze critici slecht georganiseerd. Alhoewel voorstanders het systeem van slavernij met religieuze redenen voor zichzelf konden rechtvaardigen, waren voor veel betrokken Nederlanders economische motieven voldoende om de slavernij te blijven omarmen. Door de brede desinteresse bij de rest van de bevolking zou het nog decennia duren voordat Nederland ook een verbod instelde.

Ondanks de gebrekkige empathie in Nederland ontstond wel het inzicht dat het einde van slavernij nabij was. Dat het VK en Frankrijk de slavernij afschaften, maakte het voor Nederland lastig die nog langer te handhaven. Op Sint Maarten waren veel tot slaaf gemaakten al vertrokken van hun plantages nadat in 1848 op het Franse deel slavernij werd afgeschaft. Steeds vaker braken grote slavenopstanden uit.

Slaafgemaakten vertegenwoordigden waarde en stonden op de balans

Die opstanden werden een steeds groter gevaar voor de continuïteit van plantages. Tot slaaf gemaakten waren onderdeel van een systeem dat alles tot handelswaar maakte, legt historicus Pepijn Brandon (VU) uit. Niet alleen de producten van de plantage, maar ook de tot slaaf gemaakten zelf waren getransformeerd tot handelswaar. Slaafgemaakten vertegenwoordigden waarde en stonden op de balans.

Staatstoezicht

Om de Surinaamse economie niet te laten crashen na de Emancipatie, keken de Nederlanders met extra belangstelling naar wat de Britten wel en niet goed deden. De regering in Londen had besloten dat vrijgemaakten nog zes jaar zonder vergoeding moesten werken op de plantages. De anti-slavernijbeweging in het VK kreeg het voor elkaar dat dit vier jaar werd, tot 1838 dus.

Veel vrijverklaarden legden echter het werk meteen neer en vertrokken. Plantagehouders lieten fruitbomen kappen en vernietigden rijstvelden, zodat de weggelopen vrijverklaarden geen eten meer konden vinden en terug zouden keren, aldus historicus Johan van Langen van het Nationaal Archief. Het hielp niet. De plantage-economie stortte in de Britse kolonie en in Zuid-Amerika in, en zou pas weer aantrekken na het halen van contractarbeiders uit India.

Plantagehouders lieten fruitbomen kappen en vernietigden rijstvelden

Bij de afschaffing in 1863 besloten de beleidsmakers in Den Haag dat vrijgemaakte slaven nog tien jaar onder ‘staatstoezicht’ moesten blijven werken op hun plantage, dan wel voor de overheid. Slavenhouders in Suriname kregen van de Nederlandse regering een vergoeding van 300 gulden per tot slaaf gemaakte. Ambtenaren kwamen naar de plantages om te tellen en te controleren. Ondertussen werd gekeken op welke wijze, in navolging van het VK, contractarbeiders uit India en Indonesië konden worden gehaald.

Nationale feestdag

Inmiddels gaan stemmen op om van Keti Koti een nationale feestdag te maken. De VS vierde dit jaar voor het eerst ‘Juneteenth’, 19 juni, de dag in 1865 die wordt beschouwd als een einde aan de slavernij daar. De belangrijkste pleitbezorgers in Nederland zijn de vier grote steden, waarvan de verantwoordelijke wethouders een brief hierover hebben geschreven aan de vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken. ‘Door te gedenken legt de samenleving verantwoordelijkheid af,’ aldus de brief, ‘maar committeert zij zich ook aan een samenleving en een toekomst waarin geen ruimte is voor racisme en kansenongelijkheid.’

De vaste Commissie in de Tweede Kamer voor Binnenlandse Zaken gaat de brief vandaag (30 juni) bespreken.

Den Haag

Den Haag volgde Amsterdam op gepaste afstand als stad met de meeste plantagehouders (44 om 203). Pointer zoemt in zijn uitzending op 30 juni om 22.00 uur in op deze Haagse eigenaren en hun politieke banden. Den Haag gaat in navolging van de andere drie grote Nederlandse steden het eigen slavernijverleden onderzoeken.

Den Haag was in de achttiende eeuw al het politieke centrum van Nederland, en de adellijke elite was net als de Amsterdamse zowel economisch als politiek actief. Amsterdamse en Haagse eigenaren van plantages zaten zelf in het parlement of hadden goede connecties met Kamerleden en andere ministers. Zodoende hadden de planters een goede lobby aan het Binnenhof.

Neem bijvoorbeeld Gijsbert Christiaan Bosch Reitz. Hij was Amsterdammer maar toog regelmatig naar Den Haag. De familie Bosch Reitz behoorde tot de tien grootste slavenhouders van Suriname. Gijsbert wist zich in 1840 al in de staatscommissie te wurmen die zich bezighield met het vraagstuk van het afschaffen van de slavernij. In die rol bestudeerde hij onder andere hoe het andere landen verging na afschaffing. Zijn zoon Guillome was woonachtig in Suriname, en stuurde Kamerleden en regering dramatische brieven over hoe mis het zou gaan als slavernij zonder deugdelijke compensatie zomaar zou worden afgeschaft.

Een verschil tussen Amsterdam en Den Haag was dat er niet één Hagenaar was die een volledige plantage in Suriname zelf bezat. Zo was de nummer 1, jonkheer Cornelis Ascanius van Sijpesteijn (Haarlem 1823 – Den Haag 1892) niet de eigenaar van gehele plantages, maar hij had deelbelangen. Het hier genoemde uitgekeerde bedrag – 20.800 gulden – is alleen voor het aandeel van Van Sijpesteijn. In de tabel ‘Top 5 Haagse eigenaren’ staan de vijf Hagenaren die het meest overhielden aan de in 1863 betaalde vergoedingen. Het genoemde aantal tot slaaf gemaakten is het totaal van de plantage.

In voorkomende gevallen waren de belangen in de plantages investeringen van voorouders en door overerving verdeeld geraakt over verschillende familieleden, zoals bij de familie Thurkow. Zodoende is lastig vast te stellen wat er met hun compensatiegeld is gebeurd, als het niet al is opgegaan aan schulden. Overigens geniet de naam Thurkow nog steeds enige bekendheid door opvallende schenkingen, maar via een compleet andere tak van de familie. Deze heeft niets te maken met Suriname, benadrukt Andreas Thurkow, bestuurslid van het Thurkow Fonds. Zo schonken familieleden van deze tak in de vorige eeuw schilderijen aan het Rijksmuseum en het Mauritshuis, waaronder een van grootmeester Ruysdael. In 1995 raakte een erfgenaam van de familie in conflict met de overheid omdat die een stilleven van Brueghel wilde verkopen, die door de staat op een erfgoedlijst was gezet. ‘Deze schilderijen zijn uit de privécollectie van mijn oud-oom C.T.F. Thurkow en mijn tante L. Thurkow-van Huffel geschonken. Deze oudoom had geen enkel belang in Suriname, maar alleen in Nederlands-Indië.’ Ook het Thurkow Fonds, een sponsor van activiteiten van het Rijksmuseum, heeft niets van doen met de Thurkows die belangen hadden in Suriname, laat Andreas Thurkow weten.

Jonkheer Cornelis van Sijpesteijn lijkt de grootste Haagse profiteur te zijn van de vergoedingen. Van Sijpesteijn deed zoals het een goed adelman betaamt dienst in het leger, hij was Eerste Luitenant der Artillerie. Hij was zeer geïnteresseerd in Suriname en de producten van dat land, waarschijnlijk vanwege de grote belangen die hij daar had. Van Sijpesteijn publiceerde meerdere boeken, waaronder in 1854 het boek Suriname, Historisch, Geographisch En Statistisch Overzigt, Uit Officiele Bronnen Bijeengebragt, en in 1858 een biografie van Jan Jacob Mauricus, een voormalig Gouverneur-Generaal van Suriname.

Lees verder Inklappen
Nederlandse Spoorwegen

Jonkheer Cornelis van Sijpesteijn (meer over hem in het kader over Den Haag) publiceerde een boek over hout uit Suriname. Er waren meerdere plantages met tot slaaf gemaakten die zich bezighielden met boomkap, en die bomen werden onder andere gebruikt als dwarsliggers bij de bouw van spoorwegen. Tot in de jaren veertig van de vorige eeuw werd tropisch hardhout uit Suriname gebruikt voor de dwarsliggers waar de rails op rusten. En zo zijn er meer opvallende verbanden tussen de slavernij en het spoor.

Koopman Rodolphe de Chevalier (Amsterdam 1777 – Amsterdam 1865) was een van de oprichters van de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij (HSM), initiator van de spoorlijn tussen Amsterdam en Haarlem. Hij had daarnaast belangen in plantages in Suriname, blijkt uit nog te publiceren onderzoek van historicus Okke ten Hove. Het initiatief voor de HSM nam Le Chevalier al voor de Emancipatie. Het is dus niet vast te stellen of geld verdiend met plantages rechtstreeks in de spoorlijn werd geïnvesteerd, concludeert Ten Hove. Neemt niet weg dat Le Chevelier zijn vermogen en invloed mede op peil hield door slavernij-gerelateerde handel.

Vlak na de Emancipatie stapte de Amsterdamse familie Van Heukelom in de exploitatie van spoorlijnen, zo blijkt uit onderzoek van Pointer. Frans van Heukelom jr. (Amsterdam 1812-1872) was commissaris bij een groot beleggingsfonds met belangen in slavernij en plantages in Suriname, het Fonds W.G. Deutz (zie de Top 5). Op het moment dat de slavernij werd afgeschaft zat Frans’ broer Cornelis van Heukelom in de Tweede Kamer (15 februari 1859 tot 1 oktober 1866) voor kiesdistrict Amsterdam. Hij stemde vóór de afschaffing van slavernij in Suriname en de Antillen.

Vlak na de afschaffing, op 26 september 1863, wordt de NS-voorloper Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen opgericht door Frans van Heukelom jr. Zijn neef Hendrik Pieter van Heukelom is aandeelhouder en wordt een van directeuren van de Maatschappij, tot 1869. Frans’ broer Cornelis krijgt een plek in de Raad van Beheer. 

Ook hier is het de vraag of het kapitaal dat zij in de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen investeerden, rechtstreeks afkomstig was uit compensatiegelden van de afschaffing van de slavernij. Maar opvallend is het wel dat de Van Heukeloms direct na de Emancipatie begonnen met de bouw en exploitatie van spoorlijnen en een belangrijke rol speelden bij de ontwikkeling van het spoor en de NS. De NS laat Pointer weten dat het zelf geen onderzoek heeft gedaan naar dit onderwerp.

Frans van Heukelom speelde ook een belangrijke rol bij dierentuin Artis. Hij liet een grote verzameling fossielen en schelpen, en een bibliotheek na aan het Koninklijk Zoölogisch Genootschap "Natura Artis Magistra", waarvan hij voorzitter was.

Lees verder Inklappen
De grootste slavenhouders in Suriname

Historicus Okke ten Hove ontdekte de administratie van de afhandeling van de schadevergoeding, die werd geregeld door de Algemene Rekenkamer. Samen met zijn Surinaamse collega Heinrich Helstone, een gepensioneerde leraar die zich ging verdiepen in genealogie, digitaliseerde hij deze zogeheten ‘borderellen’, waarin de namen van de vrijgemaakten te vinden zijn alsook wat de eigenaren aan schadeloosstelling kregen. Met behulp van een boek van Ten Hove en Helstone is een ranking te maken van de vijf grootste slavenhouders in Suriname (zie tabel ‘Top 5 eigenaren met de meeste tot slaaf gemaakten in Suriname’). Daarbij is nog gekeken naar aanvullende informatie van de digitale borderellen op de website van het Nationaal Archief en het grote Britse onderzoek naar de slavernij.

1. Hugh Wright

Hugh Wright (Manchester 1809 – Paramaribo 1877) was de grootste slavenhouder van Suriname ten tijde van de Emancipatie in 1863. Na het Britse verbod op slavenhandel (in 1808) en slavernij (in 1834) trok Wright met zijn schoonvader van Brits Guyana naar Suriname. Hier kochten de twee plantages op, onder andere op boedelveilingen, met grote slavenmachten. Wright was eigenaar van de plantage Hooyland, met de meeste onvrije mensen. Inclusief de in 1858 bijgekochte plantages Driesveld en Zomerzorg waren hier in 1860 687 tot slaaf gemaakten aan het werk. Op de plantages werkten 316 mannen en 353 vrouwen. Acht mannen en tien vrouwen werkten als privéslaaf voor de Europeanen.

Het verbod op slavenhandel, dat ook in Nederlandse overzeese delen gold, zou op deze wijze niet opgaan. Hij redeneerde dat hij geen tot slaaf gemaakten rechtstreeks kocht, maar dat deze mensen bij de plantage hoorden.

Dat Wright en andere Britse planters hun slavenhandel gewoon voortzetten in Suriname, zorgde voor verontwaardiging in Engeland. Wrights zakelijke avonturen werden op de voet gevolgd door een Britse consul, die daarover rapporteerde aan het Britse parlement. Wright verdiende ook geld met de smokkel van kolen ten tijde van de Amerikaanse burgeroorlog. Hij leverde aan het Zuidelijke kamp.

Wrights vrouw woonde met gezin in Edinburgh, waar hij zelden kwam. Hij had ook een familie met een tot slaaf gemaakte vrouw in Suriname, Carolina Josephina Uchlein, met wie hij zeven kinderen kreeg. Uchlein werd op haar zestiende op zijn verzoek in 1856 ‘gemanumitteerd’: ze kreeg haar vrijheid terug. Een lot dat maar voor zeer weinig tot slaaf gemaakten was weggelegd.

2. Insinger & Co. 

Het Amsterdamse handelshuis Insinger & Co. is opgericht door Hermann Albrecht Insinger (Bückeburg 1757 – Amsterdam 1805), die al snel grote interesse toonde in de West-Indische handel. Hij richt in 1779 zijn Handelshuis op, en trekt als zaakwaarnemer naar Deens West-Indië. Daarvoor was hij al langs de Caribische eilanden St. Croix, St. Thomas en St. Jan getrokken. In 1782 komt Insinger weer aan in Amsterdam, waar hij zich onder andere ging toeleggen op plantage-leningen en het afwikkelen van nalatenschappen. Zijn drie zoons zullen die handel voortzetten.

De belangrijkste van de drie is Jacobus Insinger (Amsterdam 1794 – Amsterdam 1874). Hij was niet alleen met zijn broers Maurits en Albrecht eigenaar van het handelshuis, maar ook topbestuurder van De Nederlandsche Bank (DNB). Anno 1863 was Jacobus in privé met Maurits en Albrecht aandeelhouder van plantage Wederzorg, dat tot 1970 in de familie zou blijven. Handelshuis Insinger & Co was eigenaar van de plantages Kroonenburg en Barbados. In 1863 koopt Jacobus een pand aan de Amsterdamse Herengracht, nummer 455, terwijl hij een jaar eerder al Herengracht 458 en de achterliggende huizen en stal aan de Keizersgracht had gekocht.

Broer Albrecht (Amsterdam 1788 – Amsterdam 1872) zat in de Eerste Kamer van 1849 tot 1859, en pleitte in het parlement voor het uitkeren van een vergoeding aan slavenhouders bij afschaffing van de slavernij.

Het huidige InsingerGilessen doet onderzoek naar het slavernijverleden van rechtsvoorganger Insinger & Co. ‘Als moderne private bank vinden wij het belangrijk aandacht te hebben voor de pijnlijke aspecten van ons verleden,’ laat de woordvoerder van InsingerGilessen weten. ‘Het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis voert een eerste verkennend onderzoek uit op basis van de archieven van Insinger & Co. Op basis van de uitkomsten van dit vooronderzoek zullen wij een besluit nemen over vervolgstappen.’

3. Anthony Dessé 

Anthony Dessé (onbekend 1807 – Nickerie 1868) is omschreven als een ‘mulat’, iemand met een witte en een gekleurde ouder. Van waar hij vandaan kwam, is weinig bekend. Hij behoorde tot de rijksten uit de regio, met een vermogen dat volgens een overlevering goed zou zijn voor ‘zes ton gouds’. Mogelijk was hij op Barbados eigenaar van één tot slaaf gemaakte. Dat veranderde snel toen hij 1823 als 16-jarige naar Suriname trok en plantages uit failliete boedels opkocht in de regio Nickerie. Hij vestigde zich samen met zijn levenspartner, huisbediende Frederika Rosette Dessé (1810-1853), en hun drie kinderen in het dorp Nieuw-Rotterdam.

Al voor de Emancipatie hield hij zich bezig met het aantrekken van Chinese contractarbeiders die van het Indonesische eiland Java afkomstig waren. Een groot succes werd dat niet. De Chinese contractarbeiders troffen min of meer hetzelfde lot als de tot slaaf gemaakten, wat leidde tot massaal weglopen en zelfmoorden.

4. Wilhelm Eduard Rühmann

Wilhelm Eduard Rühmann (Mecklenburg 1816 – Paramaribo 1872) is geboren in groothertogdom Mecklenburg-Schwerin, zo’n 100 kilometer ten oosten van Hamburg. Hij trok naar Suriname, kocht boedels op en ontdook het verbod op handel in slaven door ze van de ene naar de andere plantage te verplaatsen. Werkte ten tijde van het uitkeren van de vergoedingen regelmatig samen met (nummer 2) Anthony Dessé, zoals bij het innen van vergoedingen voor anderen. Dat betrof vooral Britten, zoals de in Sydney wonende Gouverneur van Nieuw-Zuid-Wales, Australië. Een flink deel van het geld dat hij ontving, ging op aan het aflossen van schulden.

Ruhmann behoorde tot de notabelen van Suriname en zat in de eerste driekoppige directie te Paramaribo van de De Surinaamsche Bank, opgericht in 1865 en nog steeds actief. De bank was ook actief in Nederland. De lijst van commissarissen en leden van de Raad van Toezicht leest als een wie-is-wie van de Nederlandse elite en voormalige slavenhouders, waaronder: Ch. le Chevalier (periode: 1865-1877), M.H. Insinger, (periode: 1865-1891), N.G. Pierson, (periode: 1869-1885), G.J.A. Bosch Reitz (periode: 1865-1872), J.B. de Mesquita (periode: 1865-1874) en G.H. Barnett Lyon (periode: 1874-1881).

5. Fonds W.G. Deutz 

Willem Gideon Deutz, bankier, handelaar in kwikzilver en eigenaar van de Surinaamse plantage Berlijn, werd tussen 1748 tot 1757 vijfmaal benoemd tot burgemeester van Amsterdam. In 1753 gaf hij in een andere rol, als hoofd van Handelshuis Deutz, een ‘West-Indische plantagelening’ van een miljoen gulden uit. Dat geld was bedoeld om krediet te verstrekken aan planters. De stad Amsterdam stortte 30.000 gulden in het fonds, andere rijke Amsterdamse bankiers en koopmannen volgden en het fonds groeide aan tot 4 miljoen gulden.

In ruil voor de hypotheken moesten de planters niet alleen rente betalen, zo’n 5 à 6 procent, maar ook hun goederen in Amsterdam verhandelen. Tegen 2 procent van de opbrengst moesten die producten in bewaring gegeven worden bij Deutz’ Voorschotbank.

In 1863 bestond het fonds nog steeds, met een postadres in Amersfoort, ondanks dat planters het niet zo nauw namen met aflossingen en een fraudezaak die in 1753 uitkwam. De erven van Willem Deutz konden nog duizenden guldens verdelen die ze kregen voor het vrijkopen van slaafgemaakten van de plantage Berlijn. De aandeelhouders in het fonds, voor zover de borderellen laten zien, betreffen minstens vijf man. Zij bezaten nog drie plantages en een aandeel van 17 procent in een vierde (zie tabel ‘Betrokkenen bij Willem Deutz en ‘Fonds W.G. Deutz).

Lees verder Inklappen