Vatan Hüzeir, klimaatactivist en promovendus in de sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), diende op 27 september 2017 een integriteitsklacht in tegen Henk Volberda.

Vatan Hüzeir, klimaatactivist en promovendus in de sociologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), diende op 27 september 2017 een integriteitsklacht in tegen Henk Volberda. © Fenna Jensma

Op de snijtafel: de beïnvloeding van wetenschappelijk onderzoek door het bedrijfsleven

Ondanks overtuigend bewijs van overtredingen van de Gedragscode Wetenschapsbeoefening, constateerde het LOWI, het hoogste integriteitsorgaan van Nederland, in de zaak tegen hoogleraar Henk Volberda geen schending van de wetenschappelijke integriteit. Wordt hem de hand boven het hoofd gehouden? Klager Vatan Hüzeir vreest dat hierdoor een ander probleem steeds groter wordt: ‘Bedrijven kunnen zo ongestoord de wetenschap beïnvloeden.’

Vandaag is de start van het nieuwe academisch jaar. Ook voor Henk Volberda, sinds 2019 hoogleraar Strategie en Innovatie aan de Universiteit van Amsterdam (UvA) en daarvoor lang verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam (EUR), en Vatan Hüzeir, promovendus in de sociologie aan de EUR. Deze twee wetenschappers stonden afgelopen vier jaar lijnrecht tegenover elkaar in een langslepende integriteitsprocedure. Hüzeir verweet Volberda het niet correct vermelden van opdrachtgevers en financiers van zijn contractonderzoek naar het Nederlandse ‘vestigingsklimaat voor bedrijven. De klacht ging ook over het verzwijgen van langlopende relaties met Shell, ondeugdelijke onderzoeksmethodologie en gebrek aan rekenschap voor het gebruik van dit onderzoek als lobbydocument voor belastingverlaging.

Liefst vier integriteitscommissies bogen zich over het dossier. Afgelopen zaterdag bood FTM een onthullende inkijk in het dossier van de zaak-Volberda.

Het dossier in een notendop

Onderzoeker Hüzeir, tevens klimaatactivist, bond met zijn denktank Changerism de strijd aan met Volberda, een zwaargewicht aan de Rotterdam School of Management (RSM), de business-faculteit van de EUR. Hij had in 2017 ontdekt dat Volberda de opdrachtgevers en financiers van zijn hoofdkantorenonderzoek uit 2009 niet correct had vermeld. En dat was niet het enige: Shell, Unilever, Akzo Nobel, Philips en DSM, verenigd in de kort na de Tweede Wereldoorlog opgerichte lobbyclub ABDUP, betaalden ook de rekening voor het onderzoek en spraken van te voren af dat het ‘aanbevelingen over gewenst toekomstig hoofdkantorenbeleid van de zijde van de Nederlandse overheid’ zou bevatten. In 2011 en 2012 werd het rapport gebruikt als wetenschappelijke basis voor de RDA-regeling (Research & Development Aftrek). In 2018 kreeg dat onderzoeksrapport grote betekenis toen minister Eric Wiebes (VVD) het gebruikte in zijn memo om de geruchtmakende afschaffing van de dividendbelasting van ‘wetenschappelijke’ onderbouwing te voorzien.

Volberda is een kei in het binnenhalen van ‘derde geldstromen’ voor onderzoek. Dat is voor universiteiten steeds belangrijk ter aanvulling van hun publieke financiering. Hüzeir benoemde de focus van de RSM op externe geldstromen reeds in het Changerism-rapport.

Uit het procesdossier blijkt voorts dat ook de betrokken hoogleraren zelf daar een aardig extra zakcentje aan verdienden: in totaal ontving Volberda – bovenop zijn reguliere salaris – 120.000 euro op zijn privérekening voor ‘derde geldstroomprojecten’ die hij uitvoerde in de jaren 2006-2009.

Verschillende integriteitscommissies constateerden verscheidene overtredingen van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening. Desalniettemin werd Volberda drie keer vrijgesproken van ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’. Het College van Bestuur van de EUR veroordeelde hem wel voor ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’, de op een na zwaarste kwalificatie.

Dat oordeel heeft echter weinig gevolgen gehad voor Volberda of zijn oud-collega’s Marc Baaij, Frans van den Bosch en Tom Mom, medeauteurs van het onderzoek. Zij behielden hun baan aan de RSM. Volberda stapte terwijl het integriteitsonderzoek nog in volle gang was probleemloos over naar de Universiteit van Amsterdam (UvA), om daar een vergelijkbare leerstoel te bekleden.

Lees verder Inklappen

David tegen Goliath

FTM sprak met promovendus Hüzeir, tevens klimaatactivist die met zijn denktank Changerism de energietransitie probeert te versnellen, over het integriteitsproces. Toen Hüzeir 4 jaar geleden als beginnend onderzoeker voor het eerst de beschuldigingen richting Volberda uitte, in een onderzoek naar de banden tussen de fossiele industrie en de RSM, was Volberda al lang en breed een van de boegbeelden van de RSM met talloze publicaties en prijzen op zijn naam.

Het was David tegen Goliath, zegt Hüzeir. ‘Ik werd meteen in een hoek gezet, niet alleen door Volberda, maar ook door de decaan van de RSM.’ Decaan Steef van der Velde schoot zijn collega Volberda meteen te hulp. Hij noemde het werk van Hüzeir ‘tendentieus, bevooroordeeld’ en zei dat het ‘fouten bevat, en niet voldoet aan academische standaarden.’

‘Ik werd meteen in een hoek gezet, niet alleen door Volberda, maar ook door de decaan van de RSM’

Dat was een poging tot karaktermoord, blikt Hüzeir terug. ‘Het Changerism-rapport had blootgelegd hoe het grootbedrijf in Nederland het kennislandschap beïnvloedt. VNO-NCW vervult daarin een centrale rol om de betrokkenheid van bedrijven bij onderzoek te verbloemen.’ Volgens Hüzeir had het rapport juist moeten leiden tot serieus onderzoek naar integriteitsschending aan de RSM, maar in plaats daarvan werd hij ineens zelf beschuldigd. ‘Dat toont voor mij dat er echt wat mis is met de cultuur in de wetenschap.’

Lone wolf Hüzeir kreeg op dit punt bijval van de eerste ingestelde Commissie Wetenschappelijke Integriteit (CWI) onder leiding van Lex Bouter, hoogleraar Methodologie en Integriteit (Vrije Universiteit Amsterdam), die zich over de zaak-Volberda boog. ‘De klacht en beschuldiging betreffende wetenschappelijke integriteit [...] wordt al in het rapport van Changerism geuit. Op dat rapport is in een statement gereageerd, en de beschuldiging wordt daarin zonder onderzoek of gedegen argumentatie terzijde gelegd.’ De commissie heeft tijdens het latere proces ook ‘meer dan eens de indruk gekregen dat niet iedereen zich vrij voelde om informatie te delen’ en doet de aanbeveling ‘meer in openheid de discussie over integriteit te voeren.’

Deze aanbevelingen lijken evenwel aan dovemansoren gericht. In 2013 kondigde de RSM ook al een ‘cultuurverandering’ aan na een geval van wetenschappelijke fraude. En nadat de bevindingen in het Changerism-rapport toch substantieel bleken – en decaan Steef van der Velde binnen de faculteitsraad werd aangesproken op zijn automatische reflex zijn medewerkers te beschermen – stelde de EUR een commissie in om onderzoek te doen naar onafhankelijkheid en integriteit binnen de RSM.

Die commissie-Mols legde in 2018 allerlei risico's voor de wetenschappelijke integriteit bloot, met name belangenverstrengeling en intransparantie rondom nevenactiviteiten, en wees op een gebrek aan vrijheid om die te bespreken. Het bestuur van de Erasmus Universiteit benadrukte toen echter vooral verheugd te zijn ‘dat er geen directe invloed was van het bedrijfsleven op het onderwijs of wetenschappelijke onderzoeken van de RSM’ – terwijl dat geenszins was onderzocht.

Reputatiemanagement 

Reputatie is voor een universiteit belangrijk, en daarin speelt de reputatie van gezaghebbende, aan de universiteit verbonden hoogleraren een onmiskenbare rol. Jan van der Grinten, de advocaat van Volberda, wees daar ook op in een brief aan het College van Bestuur (CvB). Hij schreef ‘de klacht raakt niet alleen Volberda maar ook de Rotterdam School of Management [RSM]’ en riep op om de klacht alsnog niet-ontvankelijk te verklaren. Dat is niet gebeurd, maar uit de processtukken blijkt dat het bestuur van de RSM zich wel degelijk druk maakte om de eigen reputatie.

‘Ik raad je ten zeerste af naar buiten te treden op dit dossier, laat staan je te lenen voor een tv-optreden’

Decaan Van der Velde schreef in 2018, vlak voor het uitkomen van het rapport van de commissie-Mols en het eerste CWI-oordeel, aan Volberda: ‘Ik raad je ten zeerste af naar buiten te treden op dit dossier, laat staan je te lenen voor een tv-optreden. Ik begrijp dat dat een hard gelag voor je is, maar bedenk dat de rapporten op 6 juni naar buiten gaan, en beide rapporten potentiële grote schade kunnen aanbrengen aan de reputatie van RSM en jezelf.’ Van der Velde laat zien dat het de business-faculteit menens is: ‘Mocht je geen garantie kunnen of willen geven dat je je onthoudt van een dergelijk optreden, dan zal ik een dienstbevel voorbereiden.’ Volberda greep dit dreigement aan om bij het CvB te pleiten voor het niet openbaar maken van het CWI-oordeel. Nog datzelfde jaar stapte Volberda over naar de UvA. 

Volgens Hüzeir onderstreept de correspondentie tussen Volberda en de bestuurders de ongelijke hiërarchische positie. ‘Professor Volberda zit hoog in de boom, heeft directe toegang tot belangrijke figuren binnen de betrokken instanties, en kan gemakkelijk met het CvB in discussie over het CWI-rapport. Hij is kapitaalkrachtig en kan zich een dure advocaat permitteren, terwijl ik alles onbezoldigd in mijn eentje doe.’

Dossier

Het onderzoeksbudget aan universiteiten is de afgelopen jaren afgeknepen. Wat heeft dat voor effect op de wetenschap?

Ons kent ons

In het eerste beroep oordeelde het Landelijk Orgaan Wetenschappelijke Integriteit (LOWI) dat de eerste CWI ‘onvoldoende onafhankelijk is geweest’. Het universiteitsbestuur had onterecht onderdelen van Hüzeirs klacht geschrapt uit de opdracht die de CWI was gegeven. Daarnaast werd ‘de schijn van vooringenomenheid gewekt’ door de deelname van Muel Kaptein als CWI-lid. Kaptein was een faculteitsgenoot van Volberda en had nauwe banden met het bestuur, de decaan en medeauteurs Van den Bosch en Mom. ‘Ook indien van de goede trouw van dit CWI-lid wordt uitgegaan, kan de schijn van belangenverstrengeling zijn gewekt.’

In een juridische procedure zou het vanzelfsprekend geweest zijn dat Kaptein – die oorspronkelijk voorzitter van de eerste CWI was – zich had verschoond. Kaptein gaf zijn voorzitterschap wel door aan Lex Bouter, maar bleef in de commissie zitten.

Bouter zegt tegen FTM dat hij het ‘jammer’ vond dat het LOWI aanvankelijk een ‘formeel juridische insteek koos en zich alleen op de procedure stortte’ en niet op de inhoud. ‘Ik ben geen jurist en kan dus niet goed beoordelen of het klopt wat ze deden. Maar als niet-jurist kon ik me er niet in vinden. De CWI was evenwichtig samengesteld door het College van Bestuur.’ Kaptein, evenmin een jurist, had zich wat Bouter betreft niet hoeven verschonen: ‘Vooral omdat hij zich terughoudend opstelde en zich er bewust van was dat hij achtergrondkennis had die formeel niet tot deze casus behoorde en de betrokkenen goed kende.” Kaptein is er netjes mee omgegaan.’

‘Als twee partijen ontevreden zijn, hebben we in elk geval een middenweg gevonden’

Dat het LOWI oordeelde dat Kaptein wel had moeten opstappen, deed Bouter niet veel: ‘Ik voelde me niet in de hoek gezet. Dat beide partijen naar het LOWI stapten, de een omdat we te mild, de ander omdat we te streng zouden zijn geweest, gaf mij het gevoel dat we het wel goed gedaan hadden. Als twee partijen ontevreden zijn, hebben we in elk geval een middenweg gevonden.’

De Gedragscode (2004) schrijft echter niets voor over het zoeken naar een middenweg als criterium voor een goed proces. Bouter erkent die constatering, maar vindt dat met dit soort casuïstiek de lessons learned en mogelijke preventie veel belangrijker zijn, dan of iemand op z’n kop krijgt of gestraft wordt. ‘Dat moet af en toe ook, maar het is belangrijker het systeem zo te maken dat zulke zaken niet meer gebeuren.’ Voor de lessons learned wijst Bouter op de aanbevelingen van zijn commissie aan het CvB ‘om de regelingen en procedures tegen het licht te houden’, ‘de controle op de variabele beloning te verbeteren’ en ‘met name zicht te houden op wat er wordt afgesproken in het contractonderzoek’.

Bouter is van mening dat beide CWI’s en het LOWI, die alledrie oordeelden dat er geen sprake was van schending van de wetenschappelijke integriteit, in hun kwalificaties van ‘wat het dan wel was’ slechts op ‘nuances’ verschillen.

"Als [hard bewijs] niet genoeg is om integriteitsschending aan te tonen, dan staat de deur wagenwijd open voor nog veel meer beïnvloeding van onderzoek door het bedrijfsleven"

Bewijs alleen is niet voldoende 

Dat Volberda door geen enkele commissie noch het bestuur is veroordeeld voor ‘schending van wetenschappelijke integriteit’, vindt Hüzeir gezien het feitenrelaas onbegrijpelijk. ‘Ondertekende opdrachtbrieven, duidelijke beschrijvingen van het politieke doel om regeringsbeleid te beïnvloeden, betrokkenheid van de belanghebbende opdrachtgevers bij het verzamelen van de onderzoeksgegevens, bonnetjes van overboekingen naar privérekeningen. Als zelfs dat niet genoeg is om integriteitsschending aan te tonen, dan staat de deur wagenwijd open voor nog veel meer beïnvloeding van onderzoek door het bedrijfsleven.’

Het ‘subjectieve, particuliere karakter’ van de CWI-uitspraken en het ‘gebrek aan juridische objectiviteit’ blijkt volgens Hüzeir ook uit de uiteenlopende uitspraken die de commissies velden op basis van dezelfde bewijsstukken. ‘Anders dan bij een gerechtelijk vonnis, is het op allerlei punten onduidelijk welke feiten ten grondslag liggen aan het oordeel van de CWI’s.’

Hüzeir is het niet eens met Bouter die slechts sprak over ‘nuanceverschillen’ in interpretatie tussen de verschillende commissies. ‘De tweede CWI oordeelde dat Shell en de andere bedrijven geen opdrachtgever waren, terwijl de eerste CWI dat feitelijk had vastgesteld op basis van talloze bewijsstukken. Dat is geen detail of nuance, maar maakt het verschil tussen onzorgvuldigheid en integriteitsschending.’

Ook het LOWI schiet volgens Hüzeir tekort op het vlak van juridische professionaliteit: ‘In de motivering van het oordeel wordt niet duidelijk verwezen naar de onderliggende feiten en hoe die zijn geïnterpreteerd.’ 

Uit tal van bewijsstukken valt feitelijk vast te stellen dat over het opdrachtgeverschap en financiering voorafgaand aan de integriteitsklacht nooit enige twijfel bestond

Het LOWI motiveert het niet toekennen van ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’ als volgt: ‘Hierbij acht het LOWI van belang dat opzet niet aantoonbaar is. Uit het dossier blijkt immers dat het voor Volberda en zijn medeonderzoekers niet van meet af aan duidelijk was dat het onderzoek door Shell en andere ondernemingen gefinancierd zou worden.’ Uit tal van bewijsstukken valt echter feitelijk vast te stellen dat over het opdrachtgeverschap en financiering voorafgaand aan de integriteitsklacht nooit enige twijfel bestond. Alleen de achteraf door Volberda gefabriceerde bewijzen – in de vorm van brieven van het bedrijfsleven – suggereren wat anders. FTM zette de feiten op een rijtje in deze reconstructie.

Hüzeir: ‘Als klager kun je vervolgens niets meer. Tegen een uitspraak van het LOWI is geen beroep of correspondentie mogelijk en een meer algemene klacht over het LOWI wordt door het LOWI zelf afgehandeld.’

‘Verwijtbaar onzorgvuldig handelen’ als label om sancties te ontlopen

Het is zeker niet de eerste keer dat feiten aan de kant worden geschoven door integriteitscommissies wanneer de carrière van prominente wetenschappers op het spel staat. Zo sprak de CWI slechts over een ‘enigszins verwijtbare onzorgvuldigheid’, resulterend in een ‘uiterst geringe schending van het vertrouwen in de wetenschap’ in de zaak tegen Chris Meijer, voormalig hoogleraar pathologie aan het VUmc, die eveneens over belangenverstrengeling ging. Het oordeel verbaasde verscheidene integriteitsdeskundigen. Toen het LOWI in 2018 wel oordeelde dat er sprake was van ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’ omdat Meijer zijn financiële belangen bij de bedrijven die waren betrokken bij zijn onderzoeken niet had gemeld, bagatelliseerde het VUmc dat oordeel opnieuw door te spreken van een ‘lichte schending’.

Een ander geval. Na uitgebreid onderzoek van NRC-journalist Frank van Kolfschooten bleek dat Dymph van den Boom, oud-rector van de UvA, plagiaat had gepleegd in speeches en in haar proefschrift. Ook in de zaak van Van den Boom, die toen als interim-decaan verbonden was aan de Erasmus Universiteit Rotterdam, ging de universiteit in eerste instantie niet achter de ‘dader’ aan, maar huurde bedrijfsrechercheurs in om de klokkenluider op te sporen.

Er werd wel een CWI ingesteld onder leiding van Ton Hol, hoogleraar Jurisprudentie en Rechtsfilosofie aan de Universiteit Utrecht – dezelfde hoogleraar die in de procedure van Hüzeir tegen Volberda de tweede CWI voorzat. Die commissie oordeelde dat er – ondanks de gekopieerde fragmenten zonder bronvermelding – geen sprake was van ‘integriteitsschending’ maar van ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’. De regels voor wat betreft bronvermelding die de UvA aan haar studenten oplegt, bleken voor de rector echter minder strikt – quod licet Iovi non licet bovi.

Vervolgens riepen 73 wetenschappers het bestuur van de UvA vervolgens op om het oordeel ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’ te herzien. Ze noemden het een voorbeeld van ‘academische klassenjustitie’ en betoogden dat de CWI een ‘wezenlijk nieuw criterium voor plagiaat’ introduceerde. De CWI vond dat in de zaak-Van den Boom geen sprake was van integriteitsschending omdat ze ‘niet pronkt met andermans veren’. 

Van Kolfschooten zegt over de zaak-Van den Boom tegen FTM: ‘De grens tussen integriteitsschending en verwijtbaar onzorgvuldig handelen is onhelder geworden. Verwijtbaar onzorgvuldig handelen is een soort mantelbegrip geworden, waarmee besturen kunnen zeggen: er zijn fouten gemaakt, maar het is niet erg genoeg om sancties op te leggen.’ Het gebeurt volgens Van Kolfschooten regelmatig dat overtredingen van de Gedragscode met het predicaat ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’ worden afgedaan, terwijl de feiten genoeg aanleiding geven tot het oordeel ‘schending van de wetenschappelijke integriteit’. Zo blijft de reputatieschade voor zowel universiteit als wetenschappers beperkt.

Lees verder Inklappen

De gave intenties te raden

FTM legde het dossier over Henk Volberda voor aan Willem Koops, emeritus-hoogleraar ontwikkelingspsychologie aan de Universiteit Utrecht. Hij was een van de initiatiefnemers van de brief in de zaak-Dymph van den Boom, de oud-rector van de UvA (zie kader hierboven). Zij werd net als Volberda veroordeeld voor ‘verwijtbaar onzorgvuldig handelen’, terwijl de bewijslast aanzienlijk was.

Koops nam de oordelen van de CWI 1, LOWI 1, CWI 2 en LOWI 2 door en bestudeerde de onderliggende stukken in het dossier. Hij ziet grote gelijkenissen tussen de dossiers over Volberda en die over Van den Boom. ‘De overeenkomst bestaat eruit dat de CWI zich niet beperkt tot de feiten, maar op onnavolgbare wijze subjectief vaststelt dat een onderzoeker weliswaar verwijtbaar gedrag heeft vertoond, maar daarbij geen kwade intenties had.’

‘Het bestuur probeert haar reputatie te beschermen, maar maakt zich daarmee schuldig aan het toedekken van gesjoemel’

Koops bekritiseert de rol van Ton Hol, die de CWI voorzat in de zaak-Van den Boom en ook voorzitter was van de tweede CWI in de zaak-Volberda: ‘Hol cum suis denken te beschikken over de unieke gave intenties van personen vast te stellen, en achten die belangrijker dan de feitelijke overtredingen die vervolgens worden geclassificeerd als verwijtbaar gedrag.’ Koops haalt tevens uit naar het CvB van de Erasmus. ‘Het bestuur neemt niet de maatregelen die passen bij de overtreding. Ze probeert haar reputatie te beschermen, maar maakt zich daarmee schuldig aan het toedekken van gesjoemel. Uiteindelijk ondermijnt dit het vertrouwen in de wetenschap.’

FTM sprak eveneens met Ton Hol. Die wilde inhoudelijk niets over de zaak-Volberda zeggen, maar kon wel in algemene zin over integriteitsprocedures spreken. Hij herkent zich niet in de kritiek van Koops. ‘Niet elke overtreding van de Gedragscode betekent ook dat er sprake is van integriteitsschending.’ Hol vertelt dat commissies bij het uitleggen van normen en het bepalen van de ernst van een overtreding ‘inschatten of iets wel of niet bewust is gedaan’. ‘Het kan ook een kwestie van botte pech zijn of iemand is een beetje slordig geweest. Als een commissie er intentie en opzet bijhaalt, wordt dat gedaan om de norm beter te kunnen begrijpen.’

Hol erkent dat intentie moeilijk te bepalen is, maar dat is ook zo in het recht. ‘Je hebt harde wetten, maar ook dogmatiek, algemene theorieën waarmee je de notie van schuld interpreteert.’ Gedragingen en uiterlijke verschijningsvormen laten volgens Hol ook veel doorschemeren. ‘Het is een kwestie van mensen goed horen en doorzagen. Als de beklaagde aannemelijk maakt dat iets per ongeluk is gedaan, kun je zeggen: er was geen opzet in het spel maar het was onzorgvuldigheid.’

Gebrek aan rekenschap

Volgens CWI 1-voorzitter Bouter is de Gedragscode van 2004, die op deze zaak van toepassing was, een belangrijke oorzaak dat beide CWI’s veel gewicht hebben gegeven aan de intenties van Volberda. ‘Toegeven, intentie is in die gedragscode geen expliciet criterium, maar die code is tamelijk open en vaag geformuleerd en geeft weinig concreet houvast om te bepalen of iemand de wetenschappelijke integriteit heeft geschonden of niet.’ Bouter wijst erop dat uit de CWI-adviezen, die de Vereniging van Universiteiten (VSNU) in geanonimiseerde vorm publiceert, blijkt dat de mate waarin opzet aannemelijk wordt geacht zwaar meetelt in de beoordeling.

Met de Gedragscode van 2018 is dat wat hem betreft deels opgelost. Die code is, zo zegt Bouter, mede geschreven door de voorzitters van de beide CWI’s – Hol en Bouter dus. ‘Daarin hebben we gepoogd alles wat concreter te maken. Dat helpt hopelijk – maar dat weten we nog niet want we werken nog niet zo lang onder die code – om het allemaal iets minder subjectief en iets meer voorspelbaar te maken wat een commissie vindt.’ Om daaraan toe te voegen: ‘Het blijft natuurlijk mensenwerk.’

‘Volberda heeft hand- en spandiensten voor het bedrijfsleven verleend en de universiteit verdiende aan deze wetenschap op bestelling’

Hüzeir ziet de manier waarop de zaak is behandeld echter vooral als voorbeeld van hoe privileges werken. ‘Met de juiste relaties ontspring je de dans. Dat Volberda tijdens een lopend integriteitsproces bij de UvA werd aangesteld, is exemplarisch.’ Dat kennisinstellingen steeds afhankelijker worden van derde geldstromen vergroot volgens Hüzeir het probleem. ‘Volberda heeft hand- en spandiensten voor het bedrijfsleven verleend en de universiteit verdiende aan deze wetenschap op bestelling. Vervolgens zetten een subjectieve interpretatie van de Gedragscode en een gebrek aan rekenschap de deur wagenwijd open voor meer dubieus onderzoek om bedrijfsbelangen te behartigen.’