Actievoerders van Greenpeace hebben zich op 23 november 2017 op een tanker in de Rotterdamse haven vastgeketend aan containers. De organisatie wilde met de actie het lossen van Indonesische palmolie aan boord van de tanker Doroussa voorkomen. Met zes rubberen speedbootjes hebben ongeveer twintig actievoerders het schip geënterd.
© ANP/Guido Benschop

    Aan de ene kant van de wereld wordt palmolie met de grofste klimaat- en mensenrechtenschendingen geassocieerd. Aan de andere kant van de wereld roepen de importeurs dat hun palmolie duurzaam is. Hoe kan dat?

    Kinderarbeid. Land grabbing. Ontbossing. Mensenrechtenschendingen. Geweld. Klimaatverandering. Er is nauwelijks een landbouwproduct denkbaar dat met meer ellende in verband wordt gebracht dan palmolie. Zo’n beetje elke ngo – van Greenpeace tot Amnesty International en van Milieudefensie tot het WWF – heeft de afgelopen jaren gewaarschuwd voor de heftige impact die de palmolieteelt in landen rond de evenaar heeft op mens en milieu. Desondanks is Nederland grootverbruiker, en heeft Rotterdam zich ontwikkeld tot de grootste palmoliehaven van Europa. 

    Waarom palmolieproductie zo schadelijk is

    Palmolie is met afstand de populairste plantaardige olie ter wereld. In de eerste plaats heeft dat te maken met zijn enorme veelzijdigheid. Van Cup-a-Soup via shampoo tot pindakaas: bij meer dan de helft van alle supermarktproducten staat palmolie op het etiket. Daarnaast is palmolie bij plantagehouders populair omdat het een fantastische opbrengst heeft. Eén hectare levert gemiddeld 3,6 ton palmolie per jaar op. Ter vergelijking: oliën als zonnebloem- en raapzaadolie leveren respectievelijk slechts 0,7 en 0,8 ton per hectare op. Omdat er wereldwijd steeds meer mensen komen, die bovendien meer en vooral meer verzadigde vetten willen eten, stijgt de vraag. 

    Daar komt nog eens bij dat palmolie de belangrijkste grondstof voor biobrandstof is. Sinds 2009 wil de Europese Unie dat biobrandstoffen bij reguliere benzine en diesel worden bijgemengd. Het aandeel van biobrandstoffen zou moeten oplopen tot 10 procent in 2020. Deze regelgeving heeft een gigantische impuls gegeven aan de Europese palmolievraag, waardoor de EU nu na India en China de grootste afnemer van palmolie ter wereld is. Binnen de EU wordt momenteel ongeveer de helft van de palmolie door de voedselindustrie gebruikt, de andere helft gaat naar biobrandstoffen. 

    Waarom palmolieproductie slecht is voor de natuur

    Palmolie wordt verbouwd in landen die rond de evenaar liggen, met name Indonesië en Maleisië. Voor de enorme palmolieplantages worden grote stukken regenwoud afgebrand. Hierbij gaat een boel biodiversiteit verloren. Op Borneo wordt de orang-oetan nu bijvoorbeeld nog sterker bedreigd. Daarnaast worden op plantages illegale chemicaliën gebruikt die het grondwater en de omgeving vervuilen.

    Waarom palmolieproductie slecht is voor het klimaat

    Bij het platbranden van de regenwouden komt enorm veel CO2 vrij. In 2015 kwam bij de bosbranden in Indonesië alleen bijvoorbeeld al meer broeikasgas vrij dan in Duitsland in een heel jaar (!). Die regenwouden staan bovendien vaak op veengronden, waarin gigantische hoeveelheden CO2 en methaan zijn opgeslagen. Ook die komen vrij als het regenwoud moet plaatsmaken voor palmolieplantage. Vorig jaar becijferde Ecofys in opdracht van de Europese Commissie dat palmoliediesel hierdoor wel driemaal méér klimaatverandering teweegbrengt dan reguliere diesel. 

    Waarom palmolieproductie slecht is voor de mensenrechten

    Zoals gezegd zijn palmolieplantages gevestigd in landen rond de evenaar, en in de regel blinken deze landen niet uit in democratisch bestuur of correcte arbeidsomstandigheden. Tegelijk zijn de belangen enorm, omdat in de palmolie veel geld te verdienen valt. Het resultaat is dat palmoliebedrijven regelmatig in verband gebracht worden met landroof, waarbij gebieden van inheemse gemeenschappen ingepikt worden. Zo bracht GRAIN, een ngo die opkomt voor de belangen van kleine boeren, verschillende rapporten uit waarin palmolieproductie in verband gebracht wordt met land grabbing en gewelddadige conflicten in Afrika en Indonesië. Daarnaast bracht Amnesty vorig jaar aan het licht dat op veel palmolieplantages sprake is van kinder- en dwangarbeid. 

    Lees verder Inklappen

    Van de in totaal 7 miljoen ton die Europa per jaar importeert, gaat 2,4 miljoen ton via de Rotterdamse haven. De helft daarvan wordt direct in de haven verwerkt, in raffinaderijen die de olie geschikt maken voor verdere verwerking in de voedingsmiddelenindustrie of raffineren tot biodiesel. Maar, zo zeggen die Nederlandse verwerkers, de palmolie die daarbij wordt gebruikt, is duurzaam gecertificeerd. MVO, de belangenvereniging voor de oliën- en vettenindustrie in Nederland, zegt op haar website bijvoorbeeld: ‘90 procent van de palmolie in Nederland is duurzaam.’ Unilever zegt ook al jaren dat alle gebruikte ‘palmolie 100 procent traceerbaar en gecertificeerd duurzaam’ is. De Nederlandse emissieautoriteit legt ondertussen uit dat er nauwelijks nog palmolie in de Nederlandse autotank wordt opgestookt. En Neste, de grootste biobrandstoffenproducent in de Rotterdamse haven, zegt nauwelijks nog palmolie als grondstof te gebruiken, en de palmolie die de raffinaderij wel gebruikt zou eveneens volledig duurzaam zijn.

    Hoe kan dit? Hoe kan palmolie aan de ene kant van de wereld met de ergste schendingen van klimaat en mensenrechten geassocieerd worden, terwijl bedrijven in de grootste palmoliehaven van Europa zeggen vrijwel uitsluitend duurzame palmolie te verwerken? Gebruiken Nederlandse bedrijven toevallig nét die palmolie die wel duurzaam is? Of is hier meer aan de hand?

    En zo verdwijnt ‘onze’ palmoliediesel naar het buitenland

    Voor een antwoord op deze vragen moeten we in de eerste plaats de cijfers van de Nederlandse emissieautoriteit juist interpreteren. Het klopt namelijk dat er vrij weinig palmolie in de Nederlandse brandstoftank verdwijnt. Dat komt vooral omdat Nederland een regeling kent die brandstof op basis van frituurvet dubbel telt. Deze is hierdoor winstgevender. Niettemin wordt in Rotterdam veel palmoliediesel geraffineerd. Met vier bioraffinaderijen is Rotterdam juist een grote speler in de Europese biobrandstoffenmarkt. De biobrandstof op basis van frituurvet blijft dan (deels) achter in Nederland, terwijl de palmoliediesel naar het buitenland verdwijnt.

    Waarom gebruiken we eigenlijk palmolie in de autotank?

    Zoals gezegd stelt de Europese Unie sinds 2009 het bijmengen van biobrandstof bij reguliere brandstof verplicht. Omdat palmolie veruit de hoogste opbrengst per hectare heeft, is palmolie in rap tempo een populaire grondstof voor Europese biodiesel geworden: het is nu eenmaal goedkoper dan raapzaad- of zonnebloemolie. Ook ‘tweede generatie biobrandstoffen’ – brandstof gemaakt van afvalstromen zoals frituurvet – zijn voorlopig nog een stuk duurder. Hoewel de EU nergens heeft opgeschreven dat specifiek palmolie in de Europese autotank moet worden verbrand, is dat dus wel het resultaat van het beleid.  

    Lees verder Inklappen

    De raffinaderijen willen niet openbaar maken hoeveel palmolie zij gebruiken. De grootste raffinaderij Neste wil slechts zeggen dat 80 procent van zijn grondstoffenmix uit ‘afvalstromen’ bestaat (waarvan een deel overigens ook weer uit de palmolie-industrie komt). Dat zou betekenen dat het aandeel palmolie bij de overige raffinaderijen een stuk hoger moet liggen, want milieuorganisatie Transport & Environment becijferde dat 59 procent van de grondstoffen voor in Nederland gemaakte biodiesel in 2014 uit palmolie bestond. Welk gedeelte hiervan gecertificeerd duurzaam is, is onduidelijk. 

    ‘Duurzame palmolie’ - kan dat eigenlijk wel?

    Zou het dus een oplossing zijn om de biodieselfabrikanten te verplichten uitsluitend gecertificeerde palmolie te gebruiken, en tegelijk het aandeel gecertificeerde palmolie in de voedingsmiddelenindustrie op te trekken van 90 naar 100 procent? Helaas: nee. 

    Om te begrijpen waarom een volledig gecertificeerde palmolie-import in Rotterdam onvoldoende zal bijdragen aan een probleemloze palmolieproductie rond de evenaar, moeten we inzoomen op de Roundtable for Sustainable Palm Oil (de RSPO). Dit is het internationale orgaan dat bepaalt wat duurzame palmolie eigenlijk is. In 2004 werd deze non-profitorganisatie opgericht als antwoord op de problemen rond de palmolieproductie. Inmiddels zijn meer dan 3.600 organisaties lid. De samenstelling is uniek: milieu- en mensenrechtenorganisaties zitten aan tafel naast palmolieproducenten, handelaren, banken en de verwerkende industrie. 

    Het is niet altijd duidelijk hoe duurzaam de palmolie nu eigenlijk is

    De Nederlandse consultant Reinier de Man was een van de architecten van de ronde tafel. Hij gelooft boven alles dat de RSPO een bijdrage levert aan de verduurzaming van de palmolieproductie. ‘Door de RSPO zijn er voor de plaatselijke bevolking mogelijkheden geschapen om besluiten van palmoliebedrijven aan te vechten. In Indonesië staat die bevolking machteloos tegenover de willekeur van deze bedrijven en een onbetrouwbare overheid die er niet voor terugdeinst met hun mobiele brigade mensen van hun land te verjagen. De RSPO biedt een platform waarop de plaatselijke bevolking in samenwerking met ngo’s voor hun belangen kunnen opkomen.’

    Toch is die brede samenstelling ook een van de beperkingen van de RSPO. De deelnemers dienen namelijk allemaal tegengestelde belangen, en omdat besluiten op basis van consensus genomen worden, ligt de duurzaamheidslat doorgaans erg laag. Zo rapporteerde GreenPeace hoe een palmolieproducent al een certificaat kan krijgen als het één plantage heeft die aan de standaarden voldoet, terwijl het op andere plantages gewoon op de oude voet doorgaat. 

    Een van de taken van de RSPO is om duurzaam verbouwde palmolie van een groen stempel te voorzien. Maar omdat de RSPO verschillende soorten stempels gebruikt, is lang niet altijd duidelijk hoe duurzaam de palmolie nu eigenlijk is. In het beste geval is de palmolie terug te traceren tot aan de plantage waar het vandaan komt. Maar zwakkere varianten laten ook mengsels toe van gecertificeerde en niet-gecertificeerde palmolie, waarmee dus hoogstens een deel van de duurzaamheidsproblemen worden opgelost. 

    Geen enkele garantie

    Een fundamenteler probleem ligt besloten in het certificatenhandelssysteem dat door de RSPO is opgetuigd. Een (meestal) Europees bedrijf koopt daarbij een certificaat voor palmolie dat ergens van een gecertificeerde plantage afkomstig is. Maar die palmolie wordt niet aan dat bedrijf geleverd, het gaat slechts om het certificaat. Vanwege dit systeem hoeft er geen aparte infrastructuur voor duurzame palmolie te worden opgetuigd, maar kan deze gewoon met reguliere palmolie worden vermengd, verscheept en verwerkt. Dit systeem is daarom minder kostbaar dan het optuigen van gescheiden infrastructuren voor gecertificeerde en ongecertificeerde palmolie. 

    'RSPO kan de belofte van duurzaamheid absoluut niet waarmaken’

    Bij de Nederlandse voedinsgsmiddelenindustrie zijn deze certificaten razend populair. Ze zijn dé reden waarom de bedrijven kunnen roepen dat ze ‘100 procent duurzaam gecertificeerd’ zijn. Het is eigenlijk eenzelfde model als ‘groene’ certificaten voor Noorse waterkrachtstroom. ‘Maar voor palmolie is dat een te zwak model,’ zegt Reinier de Man. ‘Als een bedrijf voor zijn volledige palmolieverbruik certificaten koopt, kan er toch palmolie het bedrijf binnenkomen die met ontbossing en schending van mensenrechten verbonden is.’ Rolf Schipper van Milieudefensie is nog feller: ‘Het duurzaamheidslabel geeft feitelijk geen enkele garantie over duurzaamheid. RSPO kan de belofte van duurzaamheid absoluut niet waarmaken.’

    Hier komt nog eens bij dat bedrijven die zich niet aan de duurzaamheidsregels houden, daar vaak jarenlang mee wegkomen. De gigantische palmolieplantages bevinden zich doorgaans midden in de jungle en het is voor inspecteurs onmogelijk om alles te controleren. Hierdoor komen vaak pas ná de certificering allerlei onregelmatigheden aan het licht, die tijdens de certificering onopgemerkt bleven. 

    Daarnaast komen mensenrechtenschendingen vaak pas aan het licht nadat een palmolieplantage is gecertificeerd. De Man legt uit: ‘Niet iedereen kan of durft zich in deze fase openlijk uit te spreken. In veel gevallen hebben wij gezien dat de bevolking zich pas durft uit te spreken nadat het certificaat verleend is. Pas dan kan zij, ondersteund door internationale mensenrechtenorganisaties, klachten bij de RSPO indienen.’ 

    Rechtszaak tegen de RSPO

    Maar zelfs als er misstanden worden aangetoond, kan het een eeuwigheid duren voordat de betrokken bedrijven worden aangepakt. Zo dienden milieuorganisaties in 2010 een klacht in tegen de Maleisische palmolieproducent IOI, die overigens ook een verwerkende fabriek in de Rotterdamse haven heeft staan. Het bedrijf had geen vergunning voor sommige plantages, er waren veel conflicten met lokale bevolking over landrechten en er was illegale ontginning van ongeveer duizend hectare aan beschermd bos. Pas na zes jaar, in maart 2016, werd IOI door de RSPO geschorst. In de tussentijd kon het bedrijf gewoon doorgaan met zijn destructieve praktijken. Aanvankelijk waren de milieuorganisaties blij met de schorsing. De blijdschap was echter van korte duur, want amper vijf maanden na de schorsing werd IOI weer toegelaten tot de RSPO.

    Het was overigens uniek dat het in de IOI-zaak tot een schorsing kwam. Veel vaker leidt een klacht van lokale bevolking – na een jarenlange juridische strijd – tot een mediationtraject. De lokale bevolking moet dan aan tafel met de palmoliemultinational om tot een vergelijk te komen. De lokale bevolking kan die ongelijke strijd in de praktijk niet alleen voeren, vrijwel altijd is daar de ondersteuning van ngo’s bij nodig. 

    Rolf Schipper, Milieudefensie

    "We moeten in Europa niet meer palmolie gebruiken, maar minder, te beginnen bij de afschaffing van palmoliediesel"

    Vanwege deze tekortkomingen heeft een lokale gemeenschap in Indonesië haar vertrouwen in de RSPO verloren. Ze dient nu, in samenwerking met een mensenrechtenorganisatie, een klacht in bij de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESD). De bevolking wil de RSPO zo dwingen om in actie te komen tegen palmolieproducent Sime Darby, die ook een fabriek in het Rotterdamse havengebied heeft. Het bedrijf zou de gemeenschap van haar oorspronkelijke land hebben verjaagd. Reinier de Man vindt dat de lokale bevolking, als daartoe geldige redenen zijn, zeker een rechtszaak tegen RSPO moet aanspannen. ‘Als de RSPO een volwassen organisatie is, dan moet ze met dit soort zaken kunnen omgaan. In een volwassen rechtsstaat als Nederland kun je ook de overheid aanklagen, als je meent dat je onrecht is aangedaan.’

    Dubbel beeld

    Een laatste tekortkoming van de RSPO ligt besloten in haar eigen doelstellingen. In 2016 werd een resolutie aangenomen waarin de RSPO-leden werden opgeroepen om ‘de productie en het gebruik van RSPO-olie aan te moedigen, en niet zwart te maken.’ Bij Milieudefensie gaan ze er echter van uit dat de scherp stijgende vraag naar palmolie onmogelijk duurzaam kan worden ingevuld. Rolf Schipper: 'Om aan de stijgende vraag te voldoen zal de druk op het regenwoud en de mensenrechten blijven toenemen. We moeten in Europa niet meer palmolie gebruiken, maar minder, te beginnen bij de afschaffing van palmoliediesel.' Met andere woorden: écht duurzame palmolie bestaat nu al niet, nog meer palmolie gaan gebruiken is vanuit duurzaamheidsoogpunt al helemaal niet te verantwoorden. 

    De stijgende Europese vraag naar palmolie is dus geen goed nieuws voor het klimaat

    Al met al geeft de RSPO dus een dubbel beeld. Het orgaan geeft de belangrijkste internationale standaard voor duurzame palmolie, maar die standaard is laag. Het biedt de verwerkende industrie de mogelijkheid iets bij te dragen aan een duurzame palmolieproductie, maar het biedt geen zekerheid. Het biedt lokale gemeenschappen de route om een klacht in te dienen, maar die route is extreem stroperig. Het bestraft producenten die de duurzaamheidsregels overtreden, maar de straffen komen rijkelijk laat en zijn betrekkelijk mild. En het promoot het gebruik van palmolie, waarbij het maar de vraag is of dat überhaupt duurzaam kan worden ingevuld.

    Een Europees verbod?

    Ondanks de mooie woorden en beloftes van de biobrandstoffen- en de voedingsmiddelenindustrie is de stijgende Europese vraag naar palmolie dus geen goed nieuws voor het klimaat, aangezien zelfs met duurzaam gecertificeerde palmolie van alles mis is. De Europese Unie schiet haar doel dus voorbij: de stijgende vraag naar palmolie door de bijmengverplichting veroorzaakt meer problemen dan dat ze oplost. 

    Dit begint ook bij Europese beleidsmakers steeds meer op te vallen. Noorwegen kondigde afgelopen zomer al aan dat het gebruik van palmolie teruggedrongen gaat worden. Niet veel later verbood Frankrijk de import van palmolie waarvoor bos is gekapt. Ook kondigden de Fransen aan dat ze binnen Europa een verbod willen op biodiesel waarvoor palmolie en andere eetbare oliën zijn gebruikt. Twee weken geleden liet ook staatssecretaris Van Veldhoven van Infrastructuur en Milieu weten dat ze binnen de EU gaat ijveren voor een verbod op palmolie en soja in de tank.

    Wat dit gaat betekenen voor de Rotterdamse haven, als grootste palmoliehaven van Europa en een van de belangrijkste producenten van biodiesel, is nog onduidelijk. Omdat de raffinaderijen niet openbaar maken hoeveel palmolie zij gebruiken, is het vooralsnog lastig om te bepalen hoezeer zij hun productieprocessen moeten aanpassen om aan eventueel nieuwe Europese richtlijnen te voldoen. Het Havenbedrijf geeft in ieder geval aan dat het geen voorstander is van de voornemens om te stoppen met palmolie en soja voor biobrandstoffen. Een woordvoerder: ‘Door alle eerste generatie biobrandstoffen te stoppen, rem je de investeringen in ontwikkeling en productie van tweede generatie biobrandstoffen. Zonder eerste generatie geen tweede generatie.’ 

    Over de auteur

    Ties Joosten

    Gevolgd door 143 leden

    Journalist. Schrijver. Haven. Klimaat. Feyenoord. Soms wat hiphop. Voorheen hoofdredacteur van Blendle.

    Lees meer

    Volg deze auteur
    Dit artikel zit in het dossier

    Klimaatverandering en de Rotterdamse haven

    Gevolgd door 152 leden

    20 procent van de totale Nederlandse CO2-uitstoot komt uit de Rotterdamse haven. 20 procent! Nergens is de opgave om te verdu...

    Lees meer

    Volg dossier

    Dit artikel krijg je cadeau van Follow the Money.

    Diepgravende onderzoeksjournalistiek kost tijd en geld. Steun ons en

    word lid
    Verbeteringen of aanvullingen?   Tip de auteur Annuleren