Hoogte, aard en duiding van kosten vijf grootste pensioenfondsen

In plaats van premies te verhogen of uitkeringen te verlagen kunnen pensioenfondsen ook besparen op hun kosten, aldus David Hollanders.

Niet altijd worden de kosten van pensioenfondsen in de pensioendiscussie betrokken. Dat is niet op voorhand terecht, daar het pensioenfondsen met financiële problemen vrij staat om behoudens het verlagen van uitkeringen en het verhogen van premies, ook hun eigen kosten te verlagen. Om te beoordelen of dat mogelijk en zinvol is, zij op deze plaats bekeken de kosten in 2012 van de vijf grootste pensioenfondsen (ABP, PFZW, PME, Bouw en PMT), zoals gerapporteerd in hun eigen jaarverslagen. De kosten voor pensioenfondsen bestaan uit ten minste drie categorieën. De eerste categorie is vermogensbeheerkosten, zijnde –zo noteert het ABP in het jaarverslag: “vaste beheerkosten van beleggingen, bewaarloon, prestatieafhankelijke vergoedingen en overige kosten (toegerekende kosten bestuursbureau, kosten van toezicht, administratiekosten, accountantskosten, taxatiekosten enzovoort).” De tweede categorie is pensioenbeheer, zijnde, zo stelt de Pensioenfederatie, “kosten deelnemer en gepensioneerde, werkgeverskosten, kosten bestuur en financieel beheer, en projectkosten.”.Ten derde zijn er transactiekosten. Wanneer een belegger een financiële titel (ver)koopt, dan kost dat geld. Het fonds PMT onderscheidt daarbij nog “operationele transactiekosten” van “strategische herallocaties”. De jaarverslagen van de fondsen vermelden voornoemde kosten. Grafiek 1 geeft –op basis van de jaarverslagen- weer de kosten in miljoenen euro’s. Tezamen maken de vijf fondsen ruim vier miljard euro aan kosten. Dit is absoluut een groot bedrag. Hoe dat bedrag te duiden? Nu, de sector zelf presenteert sommige kosten (vermogensbeheerkosten en transactiekosten) als percentage van het (gemiddeld) belegd vermogen en de pensioenbeheerkosten per (norm)deelnemer. Dit wordt duidelijk vermeld maar is mijns inziens evengoed niet inzichtelijk, omdat dat –ten onrechte- suggereert dat er geen schaalvoordelen zijn. De kosten bestaan namelijk voor een substantieel deel uit vaste kosten (met name loonkosten van vermogensbeheer) die niet afhankelijk zijn van het belegd vermogen of het aantal deelnemers. Daar komt bij dat kosten een jaarlijks terugkerende flow-variabele is en belegd vermogen een stock-variabele. Het is mijns inziens inzichtelijker om de jaarlijkse kosten af te zetten tegen de jaarlijkse premie-inkomsten, zie grafiek 2. Dat geeft een beeld van het percentage van de premies dat niet direct ten goede komt aan vermogensopbouw. De kosten als percentage van de premies variëren van 16,4% (PMT) tot 25,8% (ABP). Daarbij moet nadrukkelijk aangetekend dat kosten als percentage van de premies misleidend is voor fondsen met relatief veel pensioengerechtigden. De meest vergrijsde fondsen zijn Bouw en PME (met 1,59 en 1,13 zoveel uitkeringsgerechtigden als premieplichtigen respectievelijk). PFZW is een groen fonds met 0,27 zoveel uitkeringsgerechtigden als premieplichtigen. De hoge kosten voor Bouw dient dus nadrukkelijk gecontextualiseerd. De relatief hoge kosten van ABP (0,70 zoveel uitkeringsgerechtigden als premieplichtigen) springen evenwel in het oog. Een alternatieve benadering is om de jaarlijkse kosten af te zetten tegen de jaarlijkse indexatie voor uitkeringsgerechtigden. Daartoe zij bezien hoeveel de totale kosten structureel dienen te dalen om de indexatie structureel te financieren. Dit is weergegeven in grafiek 3, onder de aanname dat de inflatie eeuwig -als in 2012- 2,5% is (een overschatting, althans lager dan de ECB-inflatiedoelstelling van maximaal 2%) en de uitkeringen gelijk blijven aan die in 2012 (een onderschatting, vanwege de vergrijzing). Volgens deze (ruwe) benadering dient PFZW de kosten met 7,2% te verlagen om te kunnen indexeren. Is er wel ruimte om de kosten te verlagen? Daartoe zij bezien de kostenpost prestatieafhankelijke vergoedingen (ofwel bonussen). Grafiek 4 geeft de bonussen als percentage van de totale vermogensbeheerkosten weer. Met name ABP en PFZW verstrekken –t.o.v. de totale vermogensbeheerkosten althans- veel bonussen. Dat is opmerkelijk, daar ABP in 2012 de pensioenen gekort heeft en beide fondsen een dekkingstekort (mitsdien een reservetekort) hadden; ABP en PFZW hadden ultimo 2012 een dekkingsgraad van 96.6 (na kortingen) en 101 respectievelijk. Hoe dat ook zij, het betekent dat er relatief eenvoudig kosten bespaard kunnen worden, namelijk door prestatie-afhankelijke vergoedingen niet uit te keren bij het uitblijven van prestaties –zoals geïndiceerd door de dekkingsgraad.  

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

David Hollanders
Docent politieke economie aan de Universiteit van Amsterdam.
Gevolgd door 235 leden