In hoeverre moeten bedrijven ons voedselbeleid bepalen?

    Het Nederlandse voedselbeleid kenmerkt zich door afspraken tussen overheid en industrie. Ook op de eerste Nationale Voedseltop maakten de overheid en bedrijven een hoop vrijblijvende afspraken over verbetering van producten, duurzaamheid en milieu. Maar hoe pakt die vrijblijvendheid in de praktijk uit? FTM ging langs bij Nestlé en JOGG om hun visie te horen en kritiek op de publiek-private samenwerking te duiden.

    Bij het doen van boodschappen vind je het niet vreemd dat alle producten door commerciële bedrijven aangeboden worden. Wat je waarschijnlijk ook niet vreemd vindt, is dat deze bedrijven zelf bepalen wat ze in hun voedingsproducten stoppen. Jij en ik hebben echter geen idee wat een grammetje meer of minder suiker betekent voor de voedingswaarde of onze gezondheid. Toch zorgt dat ene grammetje meer of minder voor het smaakverschil waardoor wij voor een bepaald product in de supermarkt kiezen.

    Experts en onderzoekers zijn het erover eens dat we gemiddeld te veel suiker en zout eten. Het leidt tot overgewicht, verhoogt de kans op hart- en vaatziekten en diabetes en gaat daardoor gepaard met hoge maatschappelijke kosten. Waarom is er dan geen suiker- of zoutplafond? Waarom is er geen harde grens die bepaalt hoeveel suiker of zout een voedingsproduct mag bevatten? En waarom worden fabrikanten die de volksgezondheid met hun producten schaden daarvoor niet aansprakelijk gesteld?

    Waarom is er geen suiker- of zoutplafond? 

    Dat komt doordat de voedingsindustrie in hoge mate ons voedselbeleid bepaalt. Tijdens de eerste Nationale Voedseltop in januari werd dit nog maar eens onderstreept. Op de top werd duidelijk dat verandering en innovatie op het gebied van voeding in Nederland vanuit bedrijven en belangenverenigingen komen. En dat regulering van het voedselbeleid wordt gekenmerkt door convenanten — vrijblijvende afspraken tussen de industrie en de overheid — niet door bindende overheidsmaatregelen of wetten.

    Maar bevordert dat een duurzamer en gezonder voedselbeleid?

    Staatssecretaris Martijn van Dam (Economische Zaken) meent van wel. De afspraken tussen de overheid en de op de Voedseltop aanwezige ‘beslissers’ — ceo’s, experts en vertegenwoordigers — gaan volgens hem ‘over hoe Nederland wereldwijd koploper in gezond en duurzaam voedsel gaat worden’. Dat is een mooi streven, maar in de praktijk blijken ambities niet genoeg om de gestelde doelen te bereiken.

    Overlappende belangen

    Doordat maatschappelijke en commerciële belangen elkaar kunnen overlappen, is een vruchtbare samenwerking tussen het bedrijfsleven en de overheid mogelijk. Dit gebeurt bijvoorbeeld met ‘Weet wat je eet’: hierbij verzamelen bedrijven en de overheid gezamenlijk informatie voor de consument. Dit samenwerkingsverband levert beide partijen meer geloofwaardigheid op door de extra transparantie die wordt gegeven. Bovendien kan de data die via 'Weet wat je eet' wordt verzameld, gebruikt worden voor beleidsplannen van zowel bedrijven als de overheid. Een win-winsituatie dus.


    "Laat de overheid zich bij een samenwerking voor het karretje van de industrie spannen?"

    Maar de maatschappelijke en commerciële belangen lopen niet altijd parallel aan elkaar. Als uit smaaktesten van voedselgiganten bijvoorbeeld blijkt dat zoute en zoete producten de voorkeur krijgen boven minder smaakvolle — al dan niet gezondere — varianten, dan overheerst bij bedrijven de economische prikkel boven de maatschappelijke. Lang niet iedereen is een 'fitgirl'; we willen vooral ook genieten tijdens het eten, en dat gebeurt gemakkelijk met zoete, zoute en vette producten — denk aan de populariteit van frisdrank, fastfood, snoep en chips.

    Publiek-private samenwerking (PPS) — samenwerking tussen de overheid en bedrijven — staat vaak ter discussie. Lopen de verschillende belangen wel zo gelijk als ermee wordt gesuggereerd? En hoe werkt het eigenlijk in de praktijk? Laat de overheid zich bij zo’n PPS voor het karretje van de industrie spannen? Follow the Money ging langs bij Nestlé Nederland en Jongeren op Gezond Gewicht (JOGG) — twee organisaties die los van elkaar de nodige kritiek hebben ontvangen op hun PPS — en vroeg beide organisaties hoe zij de PPS ervaren.  

    In de praktijk

    JOGG is een aan het ministerie van Volksgezondheid Welzijn en Sport (VWS) gelieerde stichting waarbij landelijk 119 gemeenten zijn aangesloten. De organisatie vervult een adviserende en ondersteunende rol om, jawel, jongeren op gezond gewicht te krijgen. Dit doet de organisatie door programma’s en campagnes op te zetten om jongeren te bereiken, zoals ‘The Daily Mile’ met Erben Wennemars waarbij kinderen en scholen het nut leren van elke dag 15 minuten hardlopen.

    Bedrijven kunnen voor 50.000 euro JOGG-partner worden en 'vrijblijvend advies' geven

    Mieke Spaans, communicatiemanager van JOGG, vertelt dat van de 26 miljoen euro die de overheid in het ‘Lenteakkoord’ uittrok voor de aanpak van obesitas, 3 miljoen euro naar JOGG ging. Spaans legt uit dat een van de voorwaarden (‘pijlers’) van JOGG was dat er wordt samengewerkt met bedrijven. Oftewel, dat publieke en private organisaties samenwerken. Bedrijven kunnen daarom voor 50.000 euro JOGG-partner worden en ‘vrijblijvend advies’ geven.  

    Zichtbaar resultaat van het JOGG-programma bleef echter uit. Daarnaast waren partijen met een economisch belang, zoals Coca-Cola, Mars en de FNLI (dé belangenvereniging voor de Nederlandse voedselproducenten), lokaal of nationaal betrokken bij JOGG. Deze commerciële partijen konden zo vrijblijvend advies geven in een integraal voorlichtingsprogramma dat was opgezet door de overheid. In feite faciliteerde de overheid daarmee hun marketing onder jongeren. Daarop barstte de kritiek op JOGG los, met een satirisch stukje over kindermarketing bij Zondag met Lubach als hoogte- dan wel dieptepunt. Schoolkantines met een ‘JOGG-stempel’ bleven ongezond en critici vroegen zich terecht af of dergelijke bedrijven wel een stem moeten hebben in een programma dat erop is gericht obesitas onder schoolkinderen te bestrijden.

    Geen macht

    Spaans legt uit dat haar organisatie ‘kennis en commitment heeft, geen macht’ — vergelijkbaar met een convenant. ‘Een belangrijke reden dat het instituut in het leven is geroepen, is om gemeenten te leren monitoren en integraal onderzoek te doen.'

    ‘JOGG is een jonge organisatie en we hebben geleerd van de kritiek, zoals van Lubach,’ zegt Spaans. Ze erkent dat via gemeenten toch nog sluikreclame zou kunnen voorkomen door lokale JOGG-programma’s: 'Daar hebben wij geen vat op, hoewel we nooit merken zullen toestaan op evenementen.’

    Via gemeenten kan sluikreclame voorkomen door lokale JOGG-programma’s

    Coca-Cola is bijvoorbeeld alleen lokaal partner in de gemeente Dongen, legt Spaans uit. Daar staat de Coca-Cola fabriek. ‘Ouders van de kinderen werken daar en Coca-Cola vervult een belangrijke maatschappelijke rol in die gemeenschap.’ 'Maar,' zo stelt zij, 'partijen als Coca-Cola of Mars zullen nooit landelijk partner van JOGG kunnen worden. Hun corebusiness is ongezond.’

    Het laat zien hoe complex een PPS kan zijn; hoe lastig het is om een grens te trekken tussen maatschappelijke en economische belangen. In dit specifieke geval — in de gemeente Dongen — bestaat veel overlap tussen maatschappelijke en economische belangen. Veel gezinnen in het dorp zijn namelijk betrokken bij en financieel afhankelijk van Coca-Cola. Dit neemt echter niet weg dat de PPS in dit geval betrokkenheid van een frisdrankbedrijf bij voorlichting voor gezonde voeding voor kinderen behelst. Het is de vraag hoe wenselijk het is dat een dergelijke situatie mogelijk is binnen de grenzen van een PPS.

    De afhankelijkheid van de voedselgigant

    Een voedselgigant die een belangrijke rol speelt aan de commerciële zijde van de PPS is Nestlé. Hoewel Nestlé geen frisdrank levert, is het bedrijf vergelijkbaar met Coca-Cola in de zin dat Nestlé eveneens een enorme stempel achterlaat op ons voedselpatroon en daarmee op de maatschappij. Zowel de overheid als Nestlé kan baat hebben bij samenwerking. Producten van het beursgenoteerde bedrijf (met een omzet van bijna 50 miljard euro) bereiken dagelijks miljoenen Nederlanders en het investeert jaarlijks ruim 1,5 miljard in research & development (R&D) — in Nederland richt het bedrijf (met in 2013 een omzet van 426 miljoen euro) zich voornamelijk op marketing en sales. Het Zwitserse bedrijf, dat eigenaar is van bekende merken als Nespresso, Maggi en KitKat, is onder meer actief op het gebied van ‘verpakt water’ (water in flesjes), koffie en chocolade.

    Ondanks de naar eigen zeggen actieve inzet voor de maatschappij, kreeg Nestlé’s reputatie het zwaar te verduren door de prijswinnende documentaire ‘Bottled Life’ (2012) dat het omstreden businessmodel van Nestlé omtrent verpakt water blootlegde. De documentaire liet zien hoe Nestlé hele regio’s in de Verenigde Staten en Pakistan afhankelijk maakt van hun water en tegelijkertijd een belangrijke oorzaak is van de ‘plastic soep’.   


    Valerie van Willigen, hoofd marketing en communicatie Nestlé Nederland

    "Uiteindelijk doe je mee uit bedrijfsbelang: als kinderen leren bewuste keuzes te maken is dat voordelig voor Nestlé"

    Valerie van Willigen, hoofd marketing en communicatie bij Nestlé Nederland, zegt dat ze bij Nestlé in het geval van plastic ‘hard op zoek zijn naar een oplossing’. De kritiek van het waterverhaal is vervelend, maar Van Willigen zegt zich hier namens Nestlé niet in te herkennen. Nestlé is constant bezig met innovatie, vertelt zij. 'We vragen daarbij maatschappelijke steun. Iedereen kan zijn of haar oplossingen doorsturen en wij hopen zo tot een alternatief te komen voor PET plastic. Vooralsnog mist een realistische oplossing. Wel hebben we bijvoorbeeld een melkpoederfabriek, waarbij het water dat uit de melk wordt gehaald gebruikt wordt.’

    Nestlé wil het liefst dat voedselonderwijs een verplicht curriculum wordt, zegt Van Willigen. ‘Een vast onderdeel in het onderwijs. En het liefst met 100 procent overheidssubsidie. We willen dat kinderen bewuste keuzes leren maken en dat deze kinderen later als volwassenen bewuste keuzes maken.'

    Van Willigen laat weten dat Nestlé een initiatief als JOGG aanmoedigt om zijn ‘uitgebreide MVO-doelstellingen. 'Maar,’ erkent zij, ‘uiteindelijk doe je mee uit bedrijfsbelang: als kinderen leren bewuste keuzes te maken is dat voordelig voor Nestlé omdat wij voorop lopen in kwalitatief goede producten.’

    Achterstand

    Vanuit de gedachte dat Nestlé een invloedrijk en vermogend bedrijf is met gezonde producten, is een PPS met Nestlé verdedigbaar. Maar zo rooskleurig als Van Willigen het schetst, is het helaas niet. Nestlé heeft namelijk ook een groot assortiment aan ongezonde producten, zoals KitKat, zoete kindertoetjes en zoute Maggi-pakjes. Alles behalve een bewuste keuze voor gezonde producten dus.

    'Afspraken met de overheid worden vaak gemakkelijk omzeild'

    Belangrijke kritiek op PPS, die eerder door Foodwatch werd geformuleerd, is de praktijk van ‘merktrouw’. Het kan wel zijn dat de eerste kennismaking met een merk via gezonde producten gaat, maar als onder datzelfde merk ook een hele rits ongezonde producten bestaat, worden die ongezonde producten impliciet ook gepromoot — met indirecte steun van de overheid. Dat is met name een probleem als je producten onder het mom van ‘educatie’ gaat aanbieden aan kinderen.

    Ook buiten dit soort minder directe marketingtrucs kunnen afspraken met de overheid vaak gemakkelijk worden omzeild. Van Willigen erkent dit: ‘De overheid loopt qua wetgeving achter, met name de implementatie schiet tekort. Er worden bijvoorbeeld afspraken gemaakt over kindermarketing, maar via YouTube kunnen kinderen toch nog bereikt worden. YouTube is officieel een platform voor boven de 16, maar het wordt veel gebruikt door jonge kinderen. Hetzelfde geldt voor Facebook.’ Nestlé is dan ook actief op YouTube, bijvoorbeeld met een ‘Wellness Dance’.

    Zo wordt een bedrijf als Nestlé zelfs bij kindermarketing, een van de meest omstreden gebieden in het voedselbeleid, nauwelijks beperkt. Bedrijven die professionele marketing divisies hebben en aandeelhouders die goede cijfers verwachten, denken nu eenmaal niet primair aan het maatschappelijk belang. In bepaalde gevallen kan een PPS het maatschappelijk belang bevorderen en de intenties kunnen goed zijn — zoals in Dongen — maar het sluit nadelige gevolgen voor de maatschappij niet uit.

    Publiek-privaat evenwicht

    Een diep geïntegreerd bedrijfsleven in het Nederlandse voedselbeleid kent dus voor- en nadelen. Een van de voordelen is dat bedrijven met hun gespecialiseerde R&D- en marketingafdelingen de kennis en capaciteit kunnen bieden die bij publieke instellingen ontbreken. Daarmee kunnen ze een waardevolle toevoeging zijn om maatschappelijke belangen te dienen — zoals gezondheid en duurzaamheid. In het systeem van publiek-private samenwerking dat nu de kern vormt van het voedselbeleid, worden vooruitgang en innovatie echter beperkt door de consument. Jij en ik vinden het nu eenmaal lastig om ons aan te passen aan ‘afwijkende smaken’.


    "De huidige afspraken tussen de overheid en industrie laten veel ruimte voor vrije marktwerking"

    De huidige afspraken tussen de overheid en industrie laten veel ruimte voor vrije marktwerking. Een belangrijk probleem hiermee is dat consumenten zich eerder laten leiden door smaak en prijs dan door de voedingswaarde, met grote gevolgen voor de gezondheid. Dit vormt een commerciële prikkel voor de voedingsindustrie — of op microniveau een onderzoeker of manager binnen een bedrijf — om ‘lekker’ boven ‘gezond’ te prefereren.

    Bindende wetten zijn noodzakelijk voor structurele veranderingen

    PPS biedt geen manier om structurele veranderingen door te voeren. Het kan hoogstens ons huidige voedselbeleid — waarbinnen wordt toegelaten dat producten ongezond veel zout, suiker en vet bevatten — langzaamaan verbeteren. Spaans en Van Willigen van respectievelijk JOGG en Nestlé onderstrepen het positieve effect van een PPS, maar erkennen dat het niet de meest effectieve en rigoureuze manier is. Nieuwe vrijblijvende samenwerking door middel van niet-bindende convenanten tussen de voedselindustrie en de overheid op het gebied van zout blijken bijvoorbeeld nauwelijks effect te hebben. Het huidige ‘Akkoord verbetering productsamenstelling’ (voor suiker- en zoutreductie) werd niet voor niets feestelijk ontvangen bij Coca-Cola. Het akkoord is een vervolg op een vergelijkbare publiek-private afspraak omtrent zoutreductie uit 2006; de doelstellingen van deze afspraak werden toen bij lange na niet gehaald.

    En zoals Van Willigen van Nestlé ook zegt: de overheid loopt technisch gezien achter op de industrie. Marketingafdelingen van de bedrijven die bij een PPS betrokken zijn, kunnen vrijblijvende afspraken gemakkelijk voorblijven of omzeilen. PPS kan binnen het kader van het bestaande voedselbeleid effectief, onmisbaar en onontkoombaar zijn, maar zou voor het bereiken van de gestelde doelen (zoals 10 procent minder suiker, zout en vet in 2020) eerder complementair dan leidend moeten zijn. Willen wij als samenleving op korte termijn écht gezonder gaan eten, dan zijn bindende wetten noodzakelijk. Daarvoor leveren we echter wel een beetje vrijheid in die we nu genieten bij onze keuzes in de supermarkt.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Yourick Untied

    Politicoloog gespecialiseerd in politieke economie en voeding.

    Volg Yourick Untied
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren