Informeert Dijsselbloem de Kamer wel adequaat?

    De Nederlandse regering werd eind vorig jaar onaangenaam 'verrast' door een torenhoge naheffing van ruim een miljard euro bruto. Aanleiding voor CDA-politicus Pieter Omtzigt om opheldering te vragen bij verantwoordelijk minister Dijsselbloem. Diens antwoordbrief van vrijdag 9 januari geeft echter niet op alle vragen een bevredigend antwoord.

    Eind vorig jaar ontstond een hevige consternatie over de enorme naheffingsaanslag die Brussel ons land oplegde. De regering betoonde zich bij monde van premier Rutte en minister van Financiën Dijsselbloem 'onaangenaam verrast'. Niet zozeer over de naheffing zelf, als wel over de hoogte ervan. De minister kondigde aan - in tegenstelling tot de Britse premier Cameron die ook een forse naheffing gepresenteerd kreeg - de rekening te zullen betalen als de feiten klopten. En volgens de minister klopten de feiten en dus betaalde hij namens de Nederlandse belastingbetalers op dinsdag 30 december 2014 de volledige rekening van 1,1 miljard euro (€ 1.100.000.000).

    Zware kritiek van kamerlid Omtzigt

    De gang van zaken beviel het Tweede Kamerlid van het CDA, Pieter Omtzigt, echter niet. Veel te weinig, vond hij, was er gedaan met het vernietigende rapport van de Europese Rekenkamer over de wijze waarop het statistiekbureau van de EC, Eurostat, met de cijfers omging. En dat niet alleen: de minister had staan jokken. Met name over zijn uitspraak dat een cijfermatige tabel over de naheffing op het internet was geplaatst, die niet met de lidstaten gedeeld was. Dijsselbloem had nog tot 24 oktober, voorafgaand aan de betaling, ontkend van de naheffing op de hoogte te zijn, terwijl uit mailcorrespondentie tussen diens ministerie en de EC was gebleken, dat de minister al op 17 oktober op de hoogte was gesteld (evenals premier Rutte). Reden genoeg voor Omtzigt om op 23 december voor de derde keer vragen te stellen over het bericht dat de regering op 17 december uit Brussel had gekregen, maar kennelijk weigerde te delen met de Kamer. Voor de senaatsfractie van de PVV vormde de gang van zaken voldoende reden om een debat aan te vragen met de minister vóórdat het geld zou worden overgemaakt.
    Een debat over de kwestie vond de minister niet nodig
    Dat debat is er niet gekomen, dat vond de minister niet nodig. De naheffing is inmiddels al wel betaald. Afgelopen vrijdag, 9 januari, heeft de minister antwoord gegeven op de gestelde vragen. De antwoordbrief is intussen openbaar en FTM zal met u de belangrijkste passages langslopen. Eén van de vragen was: 'Klopt het dat uit de documenten die zijn openbaar gemaakt n.a.v. het WOB-verzoek over de afdracht aan de EU, gepubliceerd op 19 december 2014 1), kan worden geconcludeerd dat u al op 17 oktober 2014 's-avonds een keer of twintig heen en weer mailde met uw ambtenaren over de heffing, maar dat die mails geheim zijn?' Het antwoord van de minister luidde: '(...) In de inventarislijst I bij de besluitbrief op het genoemde Wob-verzoek zijn de betreffende e-mails opgenomen. De inhoud en strekking van deze e-mails zijn volledig betrokken bij de informatievoorziening aan uw Kamer via genoemde brief en beantwoording van aanvullende vragen.' De minister wist het dus al wel op 17 oktober. Diens verbazing betrof volgens hem niet zozeer de naheffing zelf, maar de hoogte ervan. De minister wees er verder op, dat het comité van de statistici pas op woensdag en donderdag (17 en 18 december, red.) formeel de voorlopige heffing had vastgesteld. Hij moest dus wachten op de definitieve vaststelling, aldus de minister.
    De minister wilde stuk 75 niet vrijgeven in het belang van de relatie met andere landen
    Intussen had dagblad De Telegraaf een WOB-verzoek ingediend over de gang van zaken, waarin om transparantie werd gevraagd en openbaarmaking van alle stukken. Met name stuk 75, de notitie van de Permanente Vertegenwoordiging van de Nederlandse regering in Brussel van 17 oktober, welke naar maar liefst zeven ministeries was gezonden (waaronder dat van minister-president Rutte, Algemene Zaken). De minister had echter laten weten dit stuk niet aan de openbaarheid prijs te willen geven, zich beroepend op 'het belang van de betrekkingen met andere staten of internationale organisaties'. Openbaarmaking zou die betrekkingen alleen maar schaden, aldus de minister. Ook zou openbaarmaking daarvan het onderhandelingsproces schaden en de noodzakelijke vertrouwelijkheid en effectiviteit van het onderhandelingsproces verstoren. Omtzigt stelde echter in zijn vragen, dat er van een onderhandelingsproces geenszins sprake was, aangezien volgens de regering betaling van deze naheffing alleen afhing van verificatie en dat er niet over onderhandeld kon worden. Hij vroeg de minister of deze bereid was het betreffende stuk nummer 75 vrij te geven: "Bent u bereid om ten minste stuk 75 en alle andere stukken waarvan openbaarmaking apert niet in strijd is met het staatsbelang vóór 29 december 2014 openbaar te maken?"

    Ontwijkende antwoorden van minister

    Het antwoord van de minister daarop luidde kortweg ontkennend. Hij was dus niet bereid om aan het parlement openheid van zaken te geven. Wel gaf de minister aan met de EC in overleg te zullen treden om dergelijke 'verrassingen' in de toekomst te voorkomen en erkende hij dat er meer transparantie in de betalingsprognoses van de Commissie en het werken met beperkte en vaste momenten voor wijzigingen in de EU-begroting nodig zijn. Hierdoor zou de systematiek kunnen verbeteren, aldus de minister. Tot slot merkte de minister nog op, dat bronnenrevisies in de EU meer gecoördineerd zouden moeten plaatsvinden, dat goed bezien moet worden of bronnen voldoende geharmoniseerd zijn en hoe de kans kan worden gereduceerd dat grote effecten van een dergelijke revisie in een individuele lidstaat in een bepaald jaar netto substantiële effecten heeft op de EU-afdrachten. Met bronnenrevisie wordt bedoeld het herzien van de bron van de statistische data op basis waarvan de begrotingen worden opgesteld.
    'Er was wel degelijk sprake van een onderhandelingsproces'
    Volgens de minister geeft dat in voldoende mate aan, dat er wel degelijk sprake was van 'een onderhandelingsproces'. Ook zei de minister nog dat hij zich niet kon voorstellen wat de toegevoegde waarde van openbaarmaking was. Maar daar gaat natuurlijk het parlement zelf over in een parlementaire democratie. Kamerlid Omtzigt denkt daar dus duidelijk anders over. Hij stelt op een vraag van FTM wat hij vindt van de antwoorden, die de minister heeft gegeven: 'een helderder voorbeeld van obstructie van informatie ken ik nauwelijks'.

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Jean Wanningen

    Gevolgd door 231 leden

    Jean Wanningen (Weert, 1957) is een veelkleurige persoonlijkheid. Ging na ‘verkeerde’ studies bij een gerenommeerde investmen...

    Volg Jean Wanningen
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren