© Apache

‘Journalisten moeten vechten voor hun beroep’

    Het Franse online dagblad Mediapart staat als een huis, zowel journalistiek als economisch. De voorbije jaren zette de nieuwssite onderzoeksjournalistiek opnieuw op de Franse landkaart. Onthullingen over een Zwitserse bankrekening deden de Franse begrotingsminister Jérôme Cahuzac de das om. Daarvoor waren er onder meer de affaire-Bettencourt en de onthullingen over de verkiezingscampagne van Nicolas Sarkozy die mee werd gefinancierd door Khadaffi.

    Vandaag telt Mediapart 150.000 betalende abonnees. Voor clickbait en adverteerders is er geen plaats. Seuls nos lecteurs peuvent nous acheter is niet voor niets de baseline. Mediapart is er voor en door haar lezers.

    Op Manifiesta 2018 was medeoprichter en gezicht van Mediapart Edwy Plenel te gast. Apache kon er uitgebreid praten met de man die politiek Frankrijk om de haverklap in verlegenheid brengt.

    Plenel houdt er bijzonder uitgesproken en heldere ideeën over democratie op na. Niet in het minst over de rol daarin van media en journalistiek. ‘Journalisten hebben een verantwoordelijkheid in het hart van de democratie. Als Mediapart iets met succes heeft aangetoond, dan vooral dat journalisten kunnen en moeten blijven vechten om aan journalistiek te doen.’

    Crisis van de onafhankelijkheid

    In België was 2008 een zwart jaar voor de journalistiek. Het moet ergens in het najaar zijn geweest dat de toenmalige hoofdredacteuren van De Morgen en De Standaard, respectievelijk Klaus Van Isacker en Peter Vandermeersch, in de studio van Ter Zake eensgezind uitlegden dat de lopende ontslagrondes beide kranten beter zouden maken. Minder journalisten zou betere kranten betekenen. Wie die logica niet zag, was van slechte wil.

    In Frankrijk deed de economische crisis instituten als Le Monde en Libération al eerder op hun grondvesten daveren. Uitgerekend op dat moment werd de kiem van Mediapart gelegd.

    Plenel schetst de twee belangrijkste uitdagingen waar het Franse medialandschap mee werd geconfronteerd op het moment dat Mediapart het levenslicht zag. Maar vooral ook hoe Mediapart die uitdagingen in haar voordeel aanwendde.

    ‘Wij wilden de nederlaag van Libération en Le Monde ongedaan maken’

    Edwy Plenel: ‘Om te beginnen was er de crisis van de onafhankelijkheid van de media. De maatschappij was in volle transitie. Traditionele media raakten in moeilijkheden en we zagen destructieve krachten in werking treden: aandeelhouders – mensen die niets met informatieverstrekking te maken hebben – zogen het leven uit de media, of zorgden ervoor dat hun belangen niet door de crisis werden geschaad.

    ‘Die situatie zette de kwestie van de onafhankelijkheid van media op scherp. Niet enkel de redactionele vrijheid. Die kan immers enkel bestaan wanneer ze gebouwd is op een economische onafhankelijkheid.

    ‘In Frankrijk werd die strijd verloren, zowel door Le Monde als door Libération. Zij zijn hun economische onafhankelijkheid kwijt. Wij wilden die nederlaag ongedaan maken, zodat er in het hart van de informatieverstrekking opnieuw een kwaliteitskrant zou staan die enkel aan haar lezers verantwoording verschuldigd is en die wordt gecontroleerd door de mensen die er werken. Opnieuw een medium creëren dat op eigen benen zou kunnen staan, ondersteund door de lezers. Ongebonden en volledig onafhankelijk. Dat was ons eerste doel.

    ‘De digitale revolutie vormde de tweede uitdaging. Ze leidde tot een economische, professionele en morele crisis van ons beroep. Wij wilden aantonen dat we de nieuwe digitale wapens in ons voordeel konden aanwenden. We kwamen allemaal uit de klassieke geschreven pers – de drie initiatiefnemers kennen elkaar van bij Le Monde. We verwerpen geenszins de journalistieke traditie, integendeel. Wel waren we ervan overtuigd dat we die tradities konden herstellen en dynamiseren met de nieuwe wapens die de digitale wereld aanlevert.’

    Betere journalistiek

    Plenel is er dan ook rotsvast van overtuigd dat online betere journalistiek mogelijk is. Het verhaal dat mensen op het scherm enkel korte stukken willen lezen en doorlopend van hot naar her surfen, moet volgens hem sterk gerelativeerd worden. Alleszins toont Mediapart proefondervindelijk aan dat dergelijke vaak gedebiteerde stellingen niet algemeen gelden.

    ‘Ik ben ervan overtuigd dat ik vandaag betere journalistiek breng. Het digitale leent zich daar beter toe. De ruimte is niet gesloten of gelimiteerd. Ze is ook niet geformatteerd, in tegenstelling tot de klassieke papieren krant. Journalisten die het klassieke journalistieke métier beoefenen in een digitale omgeving, komen haast automatisch terecht bij de ideeën die aan de grondslag liggen van ons beroep. Ik verwijs naar de republikeinse journalisten van het begin van de negentiende eeuw. Zij zijn er de oorspronkelijke dragers van. Vandaag moeten we als journalisten voor die ideeën vechten. Niet enkel voor onszelf, maar voor de vitaliteit van de democratie.’

    Het betalend maken van journalistiek online, in plaats van het gratis weg te geven, vloeit daar uit voort. Volgens Plenel is de impact van gratis journalistiek funest geweest.

    ‘Alles draait om de gebruikswaarde van informatie die anders ongekend zou blijven. Nieuws heeft een professionele waarde, een democratische waarde en een gebruikswaarde. Dat laatste is essentieel. Nieuws gratis ter beschikking stellen, of nieuws laten uithollen door de reclameboodschappen die er naast staan, vernietigt de gebruikswaarde ervan. Dat is het voorbije decennium volop gebeurd. Digitale spelers die een gratis model hanteerden dat draait op reclame-inkomsten, zijn uiteindelijk oppervlakkige zaken beginnen brengen. Dat is het verhaal van Rue89 in Frankrijk. Ze zijn voor ons, bogend op een gelijkaardige journalistieke traditie begonnen, maar intussen zijn ze de facto verdwenen, overgenomen door NouvelObs. Van meet af aan hebben we gesteld dat een economisch model met gratis inhoud die inhoud op termijn onvermijdelijk aantast.’

    Reclamelogica

    Vandaag reikt de impact van die discussie over gratis nieuws in ruil voor reclame nog een stuk verder. Sociale media tonen hoe inhoud en reclame geruisloos in elkaar zijn beginnen overlopen.

    ‘Het is de opdracht van de vrije en onafhankelijke pers om ervoor te zorgen dat een opiniestrijd gebaseerd is op feiten’

    ‘Op basis van persoonsgegevens zorgt Facebook ervoor dat je vooral de meningen te zien krijgt die aansluiten bij wat je zelf denkt. Het algoritme lepelt je zo de bevestiging van je eigen vooroordelen op. Dat bewijst dat de “reclamelogica” waarop ook Facebook is gebouwd de inhoud ervan heeft aangevreten. Er is geen scheidingslijn meer tussen reclame en inhoud. De waarde van informatie wordt zo fundamenteel aangetast, en het publieke debat vernietigd.’

    Volgens Plenel is het een journalistieke plicht om daar tegen te ageren.

    ‘Het is de opdracht van de vrije en onafhankelijke pers om ervoor te zorgen dat een opiniestrijd gebaseerd is op feiten. Als het jouw mening tegenover de mijne is – iets wat sociale media installeren – dan wordt het al snel mijn identiteit tegenover de jouwe. Mijn geloof tegenover het jouwe. Mijn vooroordelen tegenover de jouwe. Dat ontaardt in een opinieoorlog van iedereen tegen iedereen. Zo’n proces is vernietigend voor de feiten. De relatie met de werkelijkheid verdwijnt en de weg wordt geplaveid voor obscure krachten die de tegenstanders van de rede zijn.’

    ‘Journalisten hebben een verantwoordelijkheid in het hart van de democratie. Denk aan het creëren van informatie die van publiek belang is, het recht van burgers om te weten, en zo meer. Daarom moeten journalisten de strijd aangaan tegen die gratuite publiciteit. Doet de journalistiek dat niet, dan haalt ze het paard van Troje binnen. Ik heb het over de blablabla van opinies. Want zodra opinies in de plaats komen van feiten krijg je Fox News en talkshows vol meningen. Er duiken figuren op die twintig jaar terug in ons beroep niet bestonden: opiniemakers die van het ene medium naar het andere schuiven. Hun enige capaciteit is dat ze in staat zijn opinies te wauwelen. Inclusief meningen zonder enig fundament. Zo wordt de haat aangeblazen.’

    Radicaal democratisch

    Geregeld wordt Plenel aangesproken op zijn trotskistisch verleden. Dat jeugdig politiek engagement stopte hij nooit onder stoelen of banken. Wel wijst hij erop dat er geen directe lijn valt te trekken tussen dat engagement en het opstarten van Mediapart.

    ‘Tussen mijn jeugd en de oprichting van Mediapart ligt de kwarteeuw die ik bij Le Monde heb gewerkt. Het is wat kort door de bocht om die twee aan elkaar te koppelen. Het doet vooral afbreuk aan het jonge team dat Mediapart vandaag maakt en dat op geen enkele manier verantwoordelijkheid draagt voor mijn verleden. Mediapart is niet mijn creatie. Het is in de eerste plaats een collectief avontuur.’

    Waar positioneert Mediapart zichzelf?

    ‘Alleen al onze opstelling maakt ons een doorn in het oog van de macht. Voor veel mensen, zeker conservatieven, staat dat synoniem met “links”, maar we brengen net zo goed onthullingen over linkse machtsgroepen of politici. Ons engagement is radicaal democratisch. Radicaal in de klassieke Latijnse betekenis van het woord: terug naar de wortels van de democratie. Alles wat we doen, hangt daarmee samen. We stellen de rechten van de mens centraal, zonder onderscheid te maken naar afkomst, geslacht of andere zaken. We zullen nooit afbreuk doen aan bepaalde rechten en vrijheden. De vrijheid van meningsuiting, het recht om te weten, het recht op bescherming. Dat klinkt natuurlijk heel algemeen, maar concreet vertaald wil dat bijvoorbeeld zeggen: het recht om achtergrond te krijgen wanneer bij terreur of bij andere veiligheidskwesties fundamentele verworvenheden van de democratie in het gedrang komen. We mogen nooit vergeten dat die vrijheden onze democratie beschermen.’

    Werd Mediapart door het machtsapparaat als een bedreiging gezien toen jullie van start gingen?

    ‘Bij de start vormden we absoluut geen bedreiging. Simpelweg omdat men ervan uitging dat wat we deden nooit zou kunnen werken. Het bekendste voorbeeld is Alain Minc (bekend politiek consulent en mediafiguur, Toc, DL). In een uitzending op de publieke omroep, ergens in het najaar van 2008, zei hij dat de stand van de rekeningen het probleem Mediapart vanzelf zou oplossen. Maar in essentie werd onze beginperiode gekenmerkt door onverschilligheid. Inclusief bij de oude media. Wanneer we dingen uitbrachten, ook als die in het publiek belang waren, werden ze simpelweg niet overgenomen.

    ‘Vanaf dag één was mijn enige echte zorg het ritme waaraan we zouden groeien’

    ‘Een ding was van meet af aan wel heel duidelijk: niemand zou ons helpen, integendeel. We hebben zelf grote financiële risico’s genomen, samen met vrienden en kennissen die mee wilden stappen in een onwaarschijnlijk avontuur.’

    Kikkerpoel

    In 2010 publiceert Mediapart geheime opnames die wijzen in de richting van partijfinanciering en fiscale fraude door de intussen overleden Liliane Bettencourt, eigenares van L’Oréal en ‘rijkste vrouw van Europa’. De affaire-Bettencourt is geboren.

    Het aantal abonnees van Mediapart gaat door het dak. Het uitbrengen van die affaire heeft volgens Plenel de groei van Mediapart in een stroomversnelling gebracht, maar zelf twijfelde hij nooit over de haalbaarheid van het project.

    ‘Het uitbrengen van die affaire heeft ons geholpen om het break-even point te bereiken, maar vanaf dag één was mijn enige echte zorg het ritme waaraan we zouden groeien. Niet of, wel wanneer we het zouden halen was de vraag. Maar evident was het zeker niet. We waren op dat moment de enigen die met een betaalmodel werkten. Het meest verrassende voor mij was dat er, vanaf dag één, dagelijks abonnees bijkwamen. Ook op zaterdagen en zondagen. Op 31 december en op 1 januari. Je mag niet vergeten dat we in die tijd enkel mails stuurden. Sociale media stonden nog aan de vooravond van hun doorbraak. We zagen de lijn van de abonnementen gestaag omhoog gaan, met af en toe knikjes. En plots ging het nog steiler. Ik was overtuigd van het project, maar eerlijk gezegd had ik nooit gedacht dat we 10 jaar later 150.000 individuele abonnees zouden hebben.’

    Intussen maakte Mediapart school.

    ‘Mediapart heeft het intussen tot een case studie geschopt voor de Chicago School of Business‘, grijnst Plenel. ‘Dat zijn nota bene de afstammelingen van de ultraliberale denker Milton Friedman. Maar het zijn heel liberale liberalen: ze geloven in de vrije markt maar ze zijn er ook van overtuigd dat de markt, om goed te functioneren, nood heeft aan een tegenmacht. In het bijzonder een vrije en onafhankelijke pers. Ze hebben ons als bedrijf bestudeerd: hoe zijn journalisten er in geslaagd om economische waarde te creëren?’

    ‘Als ik op een ding echt fier ben, dan is het de manier waarop we ons beroep door elkaar hebben geschud’

    Er is het economische succesverhaal van Mediapart, maar Plenel is toch vooral trots op de steen die Mediapart in de kikkerpoel van de journalistiek heeft gegooid.

    ‘Als ik op een ding echt fier ben dan is het de manier waarop we ons beroep door elkaar hebben geschud. Mediapart heeft met succes aangetoond dat journalisten kunnen en moeten blijven vechten om aan journalistiek te doen. We zijn niet begonnen om onszelf een plezier te doen en economisch te slagen. Ik zie dat elders onderzoeksjournalisten er moed door hebben gekregen. Er komen onafhankelijke mediabedrijven bij. Vaak zijn het kleine spelers, maar dikwijls hebben ze impact. Ik zie ook in reguliere media journalisten opnieuw het belang van onderzoeksjournalistiek verdedigen.’

    Werk op de plank

    Dat was tien jaar geleden in Frankrijk, maar net zo goed in België, ondenkbaar. Links en rechts werd er wel lippendienst bewezen aan onderzoeksjournalistiek, maar de marsrichting stond er haaks op.

    ‘Toen ik vertrok bij Le Monde had onderzoeksjournalistiek officieel afgedaan. “Validatiejournalistiek” was het nieuwe ordewoord. Onze opdracht zou erin bestaan te zeggen wat juist en fout was. Dat is vanzelfsprekend belachelijk, maar het was de theorie van de mensen die het in die periode voor het zeggen hadden. Het heeft er mee voor gezorgd dat ze de affaire-Bettencourt hebben gemist. Net als de zaak-Cahuzac en de affaire in Libië.’

    Een paar jaar terug kondigde Plenel, die intussen 66 jaar is, schijnbaar out of the blue aan dat hij ooit wel eens met pensioen zou gaan.

    ‘Mediapart is vanaf de eerste dag een collectieve strijd geweest. Met de verpersoonlijking daarvan zit ik soms verveeld. Dat was in 2014, toen ik zei dat ik vroeg of laat op pensioen zou gaan, de boodschap voor de buitenwereld: Mediapart is niet Plenel. Intern was het de bedoeling om de nieuwe generatie duidelijk te maken dat Mediapart “hun verhaal” is. Dat is gelukt. Het gros van het kader van Mediapart is vandaag tussen 35 en 45 jaar oud.’

    ‘De strijd voor een gezonder media-ecosysteem is cruciaal om een democratie gezond te houden’

    Dat wil niet zeggen dat voor Plenel of voor directeur Marie-Hélène Smiéjean, die mee aan de wieg van Mediapart stond, het uur van vertrek is aangebroken. Het tegendeel blijkt waar.

    ‘Er ligt nog te veel werk op de plank. Om te beginnen: de onafhankelijkheid van Mediapart verankeren. We zoeken naar de beste juridische constructie. We willen het bedrijf overdragen aan de huidige ploeg. Daarnaast zoeken we een manier om verder te helpen bij de strijd voor persvrijheid en pluralisme. We hebben geïnvesteerd in andere journalistieke projecten: Infolibre in Spanje, Mediacités in een aantal Franse steden en Marsactu in Marseille. De strijd voor een gezonder media-ecosysteem is cruciaal om een democratie gezond te houden.’

    Aan die strijd zijn er volgens Plenel vele kanten. Een van de hardste noten om te kraken was de nauwe verwevenheid tussen mediabedrijven en politiek. De wijze waarop de gevestigde mediabedrijven geprivilegieerd en gesubsidieerd worden door de overheid in Frankrijk vertoont zeer grote parallellen met de situatie in België. Ook op dat front heeft Mediapart strijd geleverd. Om te beginnen om de pure erkenning als online dagblad.

    ‘In 2008 stond in de wet dat een krant iets is dat op papier verschijnt. Volgens hoge ambtenaren was het bijgevolg voor ons onmogelijk om een erkenning te krijgen. Wij maakten hen duidelijk dat het niet de drager is die bepaalt of iets journalistiek is, maar de inhoud ervan. In die commissie zaten voor de helft vertegenwoordigers van de reguliere media die Mediapart liever niet zagen komen. Uiteindelijk was er toch een ambtenaar die begreep dat de tijden aan het veranderen zijn. Hij schreef een brief naar de raad van state om te zeggen dat er een probleem was met die verouderde wetgeving. Uitgerekend in die periode organiseerde Nicolas Sarkozy een soort staten-generaal van de pers – het was volop crisis. Wij weigerden daaraan deel te nemen om op die manier onze niet-erkenning als online dagblad te contesteren. Maar net door dat statement te maken, werd er uiteindelijk wel gepraat over erkenning voor online media en volgde later een erkenning.’

    De ambtenaar in kwestie ging ervan uit dat Mediapart de erkenning wilde om recht te hebben op de directe en indirecte subsidies die reguliere media genieten. Maar daar was het Mediapart niet om te doen. Wel om een gelijk speelveld. Hoe kan je als nieuwe speler doorbreken op een door en door gesubsidieerde markt?

    ‘We zijn tegen overheidssteun. Het werkt corrumperend en het is dodelijk voor de dynamiek. Maar het wordt echt pervers wanneer het geld naar miljardairs gaat die eigenaar zijn van een krant. Ons was het van meet af aan enkel om gelijke rechten te doen. Een verlaagde btw bijvoorbeeld, moet voor iedereen gelden, niet enkel voor papieren kranten.’

    Helemaal onverdedigbaar was het feit dat de hoeveelheid overheidssteun die de mediabedrijven kregen bewust niet publiek werd gemaakt. Ook in België, waar honderden miljoenen aan distributiesteun voor papieren kranten worden verdeeld, blijven de bedragen afgeschermd met als argument dat het de concurrentiepositie zou kunnen schaden.

    ‘De omvang van de steun die naar de pers stroomt, is een schandaal’, zegt Plenel. ‘De belangrijkste begunstigde van dat belastinggeld in Frankrijk is de groep LVMH. Ze vertegenwoordigt het vierde grootste fortuin ter wereld en is mondiaal de nummer een in de sector van de luxeproducten. De groep bezit een populaire krant, een radio en een economische krant. Daarnaast zijn er SFR Presse en nog anderen. Het zijn miljardairs die geen enkel recht hebben op overheidsgeld. Maar het echte schandaal is dat we niet mochten weten hoeveel overheidssteun die bedrijven krijgen. Het gaat om publiek geld maar de bedragen waren niet publiek.’

    Mediapart wierp zich volop in de strijd voor meer transparantie.

    ‘We stonden daarbij pal tegenover uitgevers die zonder verpinken schermden met het bedrijfsgeheim. Hoe kunnen redacties zoiets tolereren? Redacties die geacht worden zelf in beeld te brengen hoe overheidsgeld wordt besteed. Na een lange strijd hebben we uiteindelijk verkregen dat die steun bekend moet worden gemaakt, inclusief de bedragen per titel, iets wat de mediabedrijven absoluut wilden vermijden.’

    Maar voor Plenel gaat het verhaal nog verder. Er worden immers nieuwe vormen van steun ontwikkeld.

    ‘Ik zie hoe mediabedrijven er alles aan deden om het cliëntelisme voor de buitenwereld verborgen te houden. Ze hebben er niet alleen alles aan gedaan om de overheidssteun vast te houden, er worden ook andere vormen van steun ontwikkeld. Zo hebben de webgiganten in essentie een bepaalde vorm van straffeloosheid onderhandeld, als wisselgeld voor hun steun aan de pers. Google is daarmee begonnen. Eerst in Frankrijk en vervolgens elders in Europa. Mediapart weigert hun geld, net zoals overheidssteun. Daarna volgde Facebook dat media betaalt om te zeggen of bepaalde informatie klopt of niet. Microsoft doet met de Bill and Melinda Gates foundation hetzelfde. Le Monde Afrique, dat handelt over de Afrikaanse actualiteit, wordt betaald door de foundation.  Dat is allemaal bijzonder betreurenswaardig. Als je aan de ene kant overheidssteun hebt en aan de andere kant mecenaat, vergeet je dat je moet vechten.’

    Over de auteurs

    Tom Cochez heeft een licentiaat criminologie en werkte van 1997 tot 2008 voor De Morgen. Hij volgde er vooral gezondheidszorg, sociale zaken en milieu en verdiepte zich in de politieke partijen Vlaams Belang en Groen. In 2008 koos hij ervoor om opnieuw op freelance basis te werken onder meer ook voor Knack en Humo. Een jaar later stond hij mee aan de wieg van De Werktitel, het latere Apache.be. Vandaag werkt hij als redacteur en coördinator.

    David Leloup is freelance journalist, gespecialiseerd in berichtgeving over belastingontduiking, corruptie en economische criminaliteit. Hij schreef en schrijft onder meer voor Le Soir, Le Vif, Rue 89 en Le Monde. David is mede-oprichter van Médor en maakte recent de documentaire A Leak in Paradise, over een Zwitserse bankier en klokkenluider.

    Lees verder Inklappen

    Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

    Over de auteur

    Apache

    Gevolgd door 319 leden

    Apache schrijft wat politici niet willen lezen. FTM en Apache werken samen en wisselen geregeld artikelen uit.

    Volg Apache
    Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
    Annuleren