Steve Coll in 2008. Beeld door Ralph Alswang (via Flickr)
© CC BY ND

  • z

Het moeilijkste onderzoek dat hij ooit heeft gedaan, noemt Steve Coll het. Voor het boek ‘Private Empire: ExxonMobil and American Power’ bestudeerde hij vijf jaar lang Amerika’s grootste en machtigste oliebedrijf. De conclusie: Exxon functioneert als een zelfstandig koninkrijk, dat handelt volgens zijn eigen regels. PAJ sprak voor FTM met Steve Coll over Exxons verhouding tot de Amerikaanse overheid, Shell en klimaatverandering.

Oliebedrijf ExxonMobil is een meester in het ontwijken van de publiciteit. Het bedrijf is voor de helft eigenaar van de NAM, de exploitant van het Groningse gas. Maar waar mede-eigenaar Shell regelmatig ongevraagd in de spotlights staat, wordt ExxonMobil zelden in verband gebracht met de problemen die de provincie teisteren.

Als er één persoon ter wereld licht kan werpen op de Amerikaanse oliereus, dan is het Steve Coll. Voor zijn boek Private Empire: ExxonMobil and American Power verdiepte hij zich vijf jaar in de handel en wandel van het bedrijf. En hoewel hij tegenwoordig werkzaam is als decaan van de prestigieuze Columbia School of Journalism in New York en een druk schema heeft, wist hij tijd vrij te maken om ons uit te leggen wat voor bedrijf ExxonMobil is, hoe het opereert, en vooral: in wiens belang het dat doet.

Private Empire

De videoverbinding toont een man van in de 50 met netjes gekamd haar. Steve Coll zit voor een volle boekenkast en draagt een bril met zwart montuur. Als voormalig redacteur bij de Washington Post is hij bekend en berucht in de Amerikaanse hoofdstad en ver daarbuiten. Met een scherpe blik en al even scherpe pen ontleedt hij al ruim dertig jaar de gesloten bastions van Amerika’s bedrijven, financiële markten en veiligheidsdiensten. Over die laatste publiceerde hij in 2004 het met de Pulitzerprijs bekroonde Ghost Wars, waarin hij het falen van de CIA in de aanloop naar de aanslagen van 11 september blootlegt.

Mede dankzij het succes van Ghost Wars kreeg Coll min of meer carte blanche van zijn uitgever voor zijn volgende project. Dat werd Private Empire: ExxonMobil and American Power. Vijf jaar lang onderzocht Coll de Amerikaanse oliegigant ExxonMobil. Hiervoor reisde hij de halve wereld over, voerde hij gesprekken met honderden betrokkenen en las hij door vrijwel alle notulen van de vele rechtszaken die tegen het bedrijf zijn gevoerd. Ook wist hij via een beroep op de Freedom Of Information Act (FOIA, de Amerikaanse variant van de Wob) de hand te leggen op duizenden cables, vertrouwelijke berichten tussen Amerikaanse ambassades wereldwijd en het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Washington.

In de enorme berg aan bronnen wist Coll een rode draad te ontdekken voor Private Empire. Zijn boek vertelt hoe de oliegigant Exxon, vanaf 1999 ExxonMobil, sinds de jaren zeventig heeft moeten omgaan met de groeiende onzekerheden binnen de olie- en gasmarkt: een dekolonisatie en een nationaliserings-golf vanuit mondige oliestaten, een groeiende zorg om klimaat en milieu en de opkomst van milieuwetgeving, en dalende olieprijzen door groeiende concurrentie.

Private Empire versus olienationalisme

De nationalisering van de olie-industrie was een heuse game changer voor ExxonMobil en vomde een schil contrast met de zekerheden van voorheen. In zijn boek beschrijft Coll hoe de olieproductie voor de jaren zeventig wereldwijd werd gedomineerd door de zogeheten Seven Sisters: Exxon, Mobil, BP, Shell, Chevron, Gulf en Texaco. Ze vormden een machtig kartel, dat gebruik wist te maken van de relatief zwakke positie van landen met grote olievoorraden (denk aan Saoedi-Arabië, Iran en Irak). Zonder kapitaal, technische kennis en geschoold personeel waren deze landen niet in staat zelf een olie-industrie op te tuigen. Wie economisch wilde groeien, moest met de westerse oliereuzen in zee. 

De Seven Sisters konden destijds daarom keiharde eisen stellen. In hun productieovereenkomsten bleek het inmiddels beëindigde koloniale tijdperk geruisloos te worden voortgezet. Eén zo’n overeenkomst, een olieconcessie van een voorloper van BP, gaf het bedrijf het alleenrecht op alle olie in de volledige zuidelijke helft van Iran. Contracten voor 60 jaar waren niet ongewoon, en later terugkomen op gemaakte afspraken was voor gastlanden zo goed als onmogelijk. De veelgebruike choice of law-clausule verbood hen de voorwaarden aan te passen door middel van wetgeving. Nationalisering was eigenlijk de enige troef die de oliestaten nog hadden, en in de jaren zeventig waren er dan ook meerdere landen die deze drastische stap zetten.

De nationalisering van de olieproductie bedreigde het voortbestaan van Exxon en zijn concurrenten. Een belangrijk deel van de bewezen olie- en gasreserves moesten uit Exxons boekhouding worden geschreven; vondsten elders waren broodnodig om aandeelhouders gerust te stellen. De olie- en gasindustrie zag zich derhalve min of meer gedwongen te boren in gebieden waar politieke en economische stabiliteit vaak afwezig was, schrijft Coll. Althans, dat was nodig als zij zelf de exploitant en eigenaar wilde zijn van de daar aanwezige olie. Want hoe zwakker de staat, hoe kleiner de kans dat de olie genationaliseerd wordt.

Maar instabiele regio’s brengen ook ongemakken met zich mee: rebellen, aanslagen, sabotages van de olie-infrastructuur, corruptie, samenwerking met dictators om investeringen te ‘beschermen’, en de rechtszaken die zulke samenwerking later tot gevolg kunnen hebben.

Receptie

Private Empire werd na publicatie in 2012 ontvangen met lovende kritieken. Zo schreef de New York Times dat het boek erin is geslaagd ‘de interne werking [te] laten zien van één van de grootste concentraties van onverkozen macht’. Kritiek is er ook, al kan die ook worden opgevat als een compliment: ‘Steve Coll weet niet wanneer hij moet stoppen,’ schreef de krant, om vervolgens te suggereren dat het boek honderdvijftig bladzijden dunner had gekund.

The Guardian noemde Private Empire ‘een degelijk maar toegankelijk boek dat een zeer verontrustend beeld schetst van het geheimzinnige bedrijf’. Uit het boek blijkt volgens the Guardian dat ‘ExxonMobil zelfs voor een multinational wel heel cynisch is in het nastreven van haar eigenbelang, in het bijzonder als het gaat om het negeren dan wel manipuleren van de Amerikaanse politiek’.

Ondanks de lovende kritieken en goede verkoopcijfers is de invloed van Private Empire beperkt gebleven. Na publicatie zijn de aandelen ExxonMobil niet gekelderd en ook het verstandshuwelijk tussen het bedrijf en (Amerikaanse) politiek is ogenschijnlijk ongeschonden. De aanstelling van voormalig ExxonMobil-directeur Rex Tillerson als Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken in 2017 spreekt wat dat betreft boekdelen.

Lees verder Inklappen

Al de hobbels in de olie- en gaswereld ten spijt blijven de westerse oliereuzen als Exxon gestaag groeien. Hun markten verplaatsten zich noodgedwongen, maar hun omzetten namen sinds de jaren zeventig, mede door fusies, alleen maar toe. Inmiddels zijn de winsten van de leidende oliebedrijven groter dan het bbp van menig land.

Desondanks wordt er buiten de financiële katerns weinig aandacht besteed aan het reilen en zeilen van de machtigste industrie ter wereld. Dat viel ook Steve Coll op terwijl hij aan Private Empire werkte: rondom ExxonMobil en andere oliebedrijven heerste een relatieve mediastilte. Toen Coll na een paar jaar onderzoek om zich heen keek om te zien wie er binnen de onderzoeksjournalistiek nog meer bezig was met ExxonMobil, kwam hij tot de ietwat schokkende conclusie dat hij de enige was.

U had dus een soort van monopolie op het gebied van Exxon?

Coll: ‘Ja, ik had een volledig monopolie op mijn waanzin.’ Hij lacht. ‘Maar even serieus, dit onderzoek naar Exxon is verreweg het moeilijkste dat ik ooit heb gedaan. Wat ik me niet goed realiseerde toen ik hieraan begon, was dat ExxonMobil een zeer gesloten bedrijf is dat maar zelden naar buiten treedt. Exxon en zijn medewerkers zijn zeer gedisciplineerd als het gaat om niet meewerken aan een onderzoek. De mate waarin interviewverzoeken werden afgewezen, was veel hoger dan dat ik gewend was bij andere onderzoeken. Ik heb een boek geschreven over de CIA in de aanloop naar de aanslagen op 11 september, en zelfs dat onderzoek was een stuk makkelijker.’ 

Hoe komt dat, denkt u?

‘Ze zien er denk ik gewoon niet het nut van in. Ze kijken enkel naar de problemen die het kan opleveren. In veel opzichten zijn gas- en oliebedrijven niet consumentengericht, in tegenstelling tot bijvoorbeeld Nike of Amazon. Als er journalistieke berichtgeving is over de werkomstandigheden bij dit soort bedrijven, dan hebben ze daar echt last van. Natuurlijk heeft Exxon ook zijn logo geplakt op tankstations en dergelijke, maar tal van onderzoeken hebben aangetoond dat publieke opinie geen invloed heeft op hun omzet. Alleen als de brandstofprijzen hoog zijn gaat hun populariteit omlaag. Los daarvan is er weinig interesse vanuit het publiek. De houding bij Exxon is daarom al jaren dat ze de media niet nodig hebben.’ 

Is het gebrek aan medewerking ook de reden geweest dat u een FOIA-verzoek heeft ingediend bij de Amerikaanse overheid? PAJs verzoek om openbaring van informatie is een belangrijk deel van het onderzoek naar de samenwerking tussen Shell en de overheid. Tot dusver kunnen we echter op weinig medewerking rekenen. Is het u beter vergaan?

Coll: ‘Het door mij ingediende FOIA-verzoek was zeer belangrijk voor het onderzoek. Ik wist dat het systeem in de VS, in het bijzonder op federaal niveau, feitelijk kapot is, en dat het zeer lang kan duren. Gelukkig had ik de tijd. Dat betekende echter wel dat ik voor het onderzoek goed en wel begonnen was al moest beslissen welke informatie ik nodig had voor het boek.’

‘In feite minacht ExxonMobil het ministerie van Buitenlandse Zaken’

Hoe heeft u dat gedaan?

Coll: ‘Mijn interesse ging, vergelijkbaar met jullie, uit naar het buitenlandse beleid van ExxonMobil en hoe dit het Amerikaanse buitenlandse beleid beïnvloedde en vormgaf. Ik wist in welke van de landen waar ExxonMobil actief is, sprake was van gewapende conflicten en staatsgrepen en dergelijke. Daarom verzocht ik om het diplomatieke verkeer tussen de Amerikaanse ambassades en het State Department (ministerie van Buitenlandse Zaken) in Washington. Mijn aanname was dat als er iets aan de hand zou zijn met Exxon, de ambassade daar zeker over zou berichten.’

De aanname van Coll bleek juist te zijn. Van de meer dan een dozijn ingediende Wob-verzoeken bleek tweederde informatie te bevatten die later zijn weg vond naar het boek. Een extra geluk voor Coll was dat in dezelfde periode Wikileaks dankzij klokkenluider Chelsea Manning naar buiten kwam met miljoenen vertrouwelijke cables. Niet geheel verrassend zaten hier ook berichten bij die Coll niet had weten te bemachtigen via de reguliere FOIA. Coll had nu twee databases in handen waaruit de aard van de relatie tussen overheid en Exxon bleek.

Hoe ziet de band tussen ExxonMobil en Washington eruit?

Coll: ‘Heel anders dan ik in eerste instantie dacht. Tot mijn verrassing ziet ExxonMobil zichzelf echt als een onafhankelijke mondiale soeverein. Het bedrijf is niet zozeer bezig om de Amerikaanse overheid haar wil op te leggen, ze is er vooral op uit te voorkomen dat de overheid hun operaties in de weg zit. In feite minacht ExxonMobil het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze zien het ministerie als anti-business, niet bepaald goed in wat ze doen. En ExxonMobil is ervan overtuigd dat zij veel beter zijn dan het ministerie van Buitenlandse Zaken in directe onderhandelingen of het opbouwen van relaties met zeg, de leiders van Qatar of Saoedi-Arabië.’

‘Het is niet zo dat er geen lobby gaande is voor lagere belastingen en dergelijke, maar het doel van hun aanwezigheid in Washington is in belangrijke mate het verzamelen van informatie. Exxon zegt hier zelf over dat ze wereldwijd vele “ambassades” hebben en dat Washington er slechts één van is. Een van hun lobbyisten vertelde me eens dat het Exxon kantoor in Nigeria wat dat betreft veel belangrijker is dan het kantoor in Washington. Daar hebben politieke beslissingen namelijk directe invloed op de winstgevendheid, terwijl wat er in Washington gebeurt vooral als irritant wordt ervaren.’

‘Maar het is goed mogelijk dat het er in Europa heel anders uitziet. Als je bijvoorbeeld aan het Franse Total denkt, dan is dat weliswaar niet letterlijk een staatsbedrijf, maar het is moeilijk te onderscheiden van de Franse overheid. Het wordt gerund door dezelfde elite-technocraten; in het bijzonder in West-Afrika is deze verwevenheid overduidelijk.’

ExxonMobil opereert volgens u dus grotendeels zelfstandig. Heeft u desondanks het idee dat het bedrijf probeert om het Amerikaanse buitenlandse beleid te beïnvloeden?

‘Er bestaat zonder twijfel nog een laag aan documenten over Exxons invloed op de Amerikaanse politiek’

Coll: ‘Toen ik me realiseerde dat Exxon zichzelf ziet als een onafhankelijke soeverein, impliceerde dat ook dat het zijn eigen buitenlandse beleid heeft. Wat een oliebedrijf echt wil bereiken, is winstgevendheid. Exxon gaat naar een land toe, boort gaten in de grond en de hoeveelheid geld die het daarmee verdient, hangt af van hoe lang ze daar kan blijven. Dus wat het werkelijk nodig heeft, is stabiliteit. Hieruit volgt dat het bedrijf niet daadwerkelijk wil dat de VS eropuit gaat en de wereld destabiliseert. De ceo van Exxon ten tijde van de invasie van Irak in 2003 dacht bijvoorbeeld dat het bedrijf niet zou kunnen profiteren van de onrust die hierdoor zou worden gecreëerd. Ook dachten ze dat olie-operaties in Irak niet winstgevend zouden worden.’ 

U schrijft dat ExxonMobil desondanks wel zijn kans greep in Irak. Enkele jaren nadat de Amerikaanse invasie het land verwoest en verscheurd had, sloot ExxonMobil een productieovereenkomst met de Koerden in het noorden van Irak. Tegen de wensen van de regering-Obama in. Hoe zag de Amerikaanse overheid deze actie?

Coll: ‘Ik denk dat het heel frustrerend was en is voor de VS dat ExxonMobil zo onafhankelijk opereert. Exxons partnerschap met de Koerdische regionale overheid voorzag olie te pompen uit een gebied waarover een intens constitutioneel conflict gaande was. En ExxonMobil had de regering-Obama niet eens op de hoogte gebracht. Ze sloten simpelweg een deal met de Koerden en daarna belden ze de minister van Buitenlandse Zaken, destijds Hillary Clinton, en zeiden “sorry, maar we wilden jullie laten weten dat we dit hebben gedaan”. Clinton antwoordde dat deze actie niet in het belang was van Amerika’s nationale belangen, waarop Exxon reageerde met een mededeling die erop neer kwam dat Amerika’s nationale belangen nu eenmaal niet hetzelfde zijn als het buitenlandse beleid van Exxon – namelijk wat het beste is voor haar aandeelhouders.’

‘ExxonMobil opereert ook op de traditionele manier. Als het gaat om het beïnvloeden van de uitoefening van Amerikaanse macht in deze wereld, overleggen ze op het allerhoogste niveau. Lee Raymond, een van de ceo’s van Exxon waarover ik in mijn boek schrijf, had een persoonlijke band met Dick Cheney, de vicepresident tijdens de regering-Bush. Raymond gebruikte deze band om over high level onderwerpen als Kazachstan en Saoedi-Arabië te praten. Er bestaat zonder twijfel nog een laag aan documenten en verslagen over Exxons invloed op de Amerikaanse politiek, maar die zal nog vele jaren geheim blijven. Ik ben razend benieuwd naar wat er in die gesprekken is gezegd, maar die documenten zijn niet bereikbaar onder de Amerikaanse FOIA.’

Hoe gedraagt Exxon zich eigenlijk ten opzichte van de overheden in landen waar zij actief is?

Coll: ‘Ik denk dat Tsjaad hier een goed idee van geeft. Dat is een arm land, met grote maatschappelijke problemen, en de ontdekking van olie enkele decennia terug heeft een grote impact gehad op de economie en de samenleving. De leider van Tsjaad [sinds 1990 is dat generaal Idriss Deby, red.] is een despoot en mensen zoals hij denken vaak dat de Amerikaanse overheid en haar grootste oliebedrijf één en dezelfde zijn. Maar Exxon probeert hem actief van een dergelijk idee van samenzwering af te helpen. Dat doen ze door te zeggen: “Kijk, wij zijn een onafhankelijke macht en je kunt met ons werken. Wij dealen met de economische kant van het verhaal en jij zorgt ervoor dat je geen problemen veroorzaakt. En wat ons betreft hoef je geen aandacht te besteden aan de Amerikaanse ambassade.”’

‘Als we een rangschikking maken wie de meeste invloed heeft in Tsjaad, dan staat de VS derde, na Frankrijk en ExxonMobil’

En daar wordt naar geluisterd?

Coll: ‘Zeker. Kijk, vanuit het paleis van Deby ziet de wereld er als volgt uit: per jaar ontvangt hij van de Amerikaanse overheid tien á vijftien miljoen dollar aan ontwikkelingshulp, dat voor een deel wordt besteed aan anti-terrorisme. De jaarlijkse cheque die Exxon uitschrijft in dividend over de olie-exploitatie is 600 miljoen dollar. Voor Deby is Exxon dus veel belangrijker dan de VS. Exxon heeft dan ook directe toegang tot het presidentiële paleis. Als we een rangschikking maken wie de meeste invloed heeft op Deby, dan staat de VS derde, na Frankrijk en ExxonMobil.’

Exxons 600 miljoen dollar koopt niet alleen een hoop goodwill in het presidentiële paleis, maar creëert ook de door ExxonMobil gewenste ‘politieke stabiliteit’. Een aanzienlijk deel van de oliemiljoenen heeft Deby besteed aan modernisering van het leger en de aanschaf van tanks en wapens in een poging rebellenbewegingen en andere, mildere vormen van maatschappelijke onrust de kop in te drukken. Op deze manier wist hij zijn eigen positie sterker te maken. Volgens Amnesty maken Tsjadische veiligheidsdiensten zich aan de lopende band schuldig aan grove mensenrechtenschendingen en worden deze zelden tot nooit bestraft. Deby zelf heeft inmiddels een fortuin bijeen geschaard van een geschatte 50 miljoen dollar. 

‘Crude oil’

Lee Raymond was gedurende decennia een sturende kracht in het bedrijf en speelt een prominente rol in Private Empire. Onder de leiding van Raymond presteerde Exxon jarenlang uitermate goed en stond het bedrijf keer op keer in de hoogste regionen van de Forbes 500. 

Ondanks het belang dat Raymond hechtte aan wetenschap wat betreft het boren naar olie, ontkende hij publiekelijk de menselijke oorzaak van klimaatverandering. Hoewel ExxonMobil, net als Shell overigens, al in de jaren tachtig wist van de desastreuze impact van fossiele brandstoffen op het klimaat, maakte het bedrijf deze informatie niet publiek. Toen klimaatverandering in de jaren negentig op de agenda kwam, werd op aandringen van Raymond door Exxon ‘wetenschappelijk onderzoek’ gefinancierd dat expliciet als doel had twijfel te zaaien over menselijke oorzaak van de opwarming van de aarde. 

Van investeren in het ontwikkelen van hernieuwbare energiebronnen moest Raymond dan ook niks hebben. In één van de vele anekdotes die Private Empire rijk is, zegt Raymond tegen een van zijn directeurs dat hij op het gazon voor Exxons hoofdkantoor in Texas het liefst met metersgrote letters de woorden ‘CRUDE OIL’ zou willen neerzetten, zodat voor bezoekers meteen duidelijk is waar het bedrijf voor staat.

‘Exxon keek op tegen Shells geraffineerde en mondiale politiek’

Raymond keek ook neer op concurrenten die wel lippendienst bewezen aan het klimaat. Vooral BP moest het vanwege zijn hypocrisie vaak ontgelden, in het bijzonder toen het Britse oliebedrijf eind vorige eeuw begon met het ‘vergroenen’ van haar imago. De verduurzaming van BP stelde vrijwel niets voor: een groener logo en een paar hectare grond waar gewassen voor biobrandstof werden verbouwd. Dit veld was handig gelegen op een uurtje van Washington DC, waarmee het een mooi uitstapje vormde voor Amerikaanse congresleden bij wie BP aan het lobbyen was.

Voor één bedrijf had Raymond echter wél ontzag: Royal Dutch Shell.

U benoemt in uw boek het respect dat Raymond had voor Shell. En Raymond lijkt niet bepaald het type man dat lukraak complimentjes strooit. Waar kwam dit respect vandaan?

Coll: ‘Ik kwam er tijdens het onderzoek achter dat Shell en Exxon veel aandacht aan elkaar besteden. Een tijd lang vonden ze van zichzelf dat ze elk andere sterke en zwakke punten hadden, en probeerden van elkaars vermeende sterke kanten te leren. Dus Exxon keek op tegen Shells geraffineerde en mondiale politiek, omdat ze zagen dat het bedrijf haar goede relaties op subtiele wijze kon omzetten in het binnenhalen van projecten. Aan de andere kant vonden Exxon-medewerkers dat zij beter waren op het gebied van ingenieurswerk en kostenmanagement. Exxon was de gouden standaard voor het veilig, op tijd en binnen budget leveren. De mensen van Shell waarmee ik heb gesproken, benoemden wel dat ze net zo gedisciplineerd als Exxon moesten worden.’

Shell zou volgens Exxon politiek gezien dus geraffineerder zijn. Wat bedoelt u daarmee?

Coll: ‘Exxon zag politiek door een ingenieursbril. Ze hadden een soort van one size fits all-model voor onderhandelingen in de verschillende hoofdsteden. Ze gaven hun lokale of nationale managers nauwelijks de ruimte om zelf uit te vinden hoe ze het beste in Aboedja of Djakarta aan invloed konden winnen. Exxon werkt heel gecentraliseerd: alle protocollen voor onderhandelingen en dergelijke worden in Houston opgesteld, met als resultaat dat Exxon nogal onhandig en vervreemdend kan overkomen, omdat ze de lokale omgeving waarin ze opereren niet heel goed begrijpt. Shell was in Exxons ogen veel beter ingebed in de lokale context.’

Over ingebed gesproken. Heeft u gehoord van de Italiaanse rechter die eind 2018 Shell impliceerde in corruptie en omkoping van Nigeriaanse politici?

Coll, lachend: ‘Ja, misschien zijn ze toch niet zo subtiel.’

Deel dit artikel, je vrienden lezen het dan gratis

Over de auteur

Platform Authentieke Journalistiek

Gevolgd door 452 leden

Het Platform Authentieke Journalistiek wil met kritische berichtgeving een bijdrage leveren aan een eerlijkere samenleving.

Volg Platform Authentieke Journalistiek
Verbeteringen of aanvullingen?   Stuur een tip
Annuleren
Dit artikel zit in het dossier

Shell Papers

Gevolgd door 2571 leden

FTM en Platform Authentieke Journalistiek (PAJ) onderzoeken de verwevenheid van Shell en de Nederlandse overheid door middel...

Volg dossier